Home Mens en natuur ‘Zo’n oude, monumentale boom doet me echt iets’
Dieren Mens en natuur

‘Zo’n oude, monumentale boom doet me echt iets’

We dichten planten steeds vaker menselijke eigenschappen toe, constateert milieufilosoof Josef Keulartz. Soms is dat misplaatst, maar andere keren vindt hij het terecht, want planten zijn slimmer dan je denkt. En ze hebben intrinsieke waarde.

Door Marnix Verplancke op 22 januari 2021

‘Zo’n oude, monumentale boom doet me echt iets’
Cover van 02-2021
02-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

In het immens succesvolle boek Het verborgen leven van bomen beschrijft de Duitse boswachter Peter Wohlleben hoe een oude boomstronk door de omstaande kerngezonde bomen in leven wordt gehouden. Via hun wortels voorzien ze hem van de suikers die de dood op afstand houden. Verschillende exemplaren van eenzelfde boomsoort concurreren volgens hem ook niet met elkaar om licht, water en voedsel, maar doen dit enkel met bomen van een andere soort. Beukenmoeders houden hun beukenkinderen lang onder de dichtbegroeide takken, zodat ze niet al te veel licht vangen, omdat een traag groeiend beukenkind later sterker zal blijken te zijn dan zijn snelgroeiende broertje.

Wohlleben staat bekend om zijn originele, beeldrijke kijk op de natuur. Maar zijn bomen echt wel zo sociaal? Zorgen ze bewust voor hun kinderen? Houdt zulke metaforiek feitelijk wel steek? In Boommensen, over nut en nadeel van de humanisering van de natuur gaat Jozef Keulartz, emeritus milieufilosoof aan de Radboud Universiteit Nijmegen, dieper in op deze manier van spreken over de natuur.
Volgens hem schiet Wohlleben regelmatig uit de bocht. ‘Wanneer hij zegt dat bomen van eenzelfde soort elkaar niet beconcurreren en dat buurbomen tegen elkaar aan leunen om samen sterker te zijn en elkaar knuffels geven, vertelt hij volgens het grootste deel van de boomwetenschappers gewoon onzin. Hij maakt zich ook schuldig aan verkleutering wanneer hij over moeder- en kindbomen schrijft, maar mensen lezen dat graag. Volgens mij wijst dat op onze behoefte aan escapisme, waarbij het dierenrijk en de plantenwereld gezien worden als prachtige, ideale oorden waar alles pais en vree is. Het is een vlucht uit de barre realiteit. Wohlleben heeft zoveel succes omdat hij een bos als een ideale wereld beschrijft, als een wens­wereld, maar dat heeft natuurlijk niets met de werkelijkheid te maken.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Over die spanning tussen wens en werkelijkheid gaat Keulartz’ boek. Hij put uit de ervaring die hij opdeed toen hij nauw betrokken was bij het beheer van de Oostvaardersplassen, het 5600 hectare grote natuurgebied in de provincie Flevoland. ‘Veel mensen denken dat de wilde natuur gezellig en knus moet zijn, en dat je de diertjes dus moet bijvoeren in de winter, maar dat is natuurlijk niet zo. De natuur is wreed en bloederig. Duurzaam natuurbeheer betekent dat je de natuur haar eigen evenwicht laat vinden en dus niet om de haverklap ingrijpt.’

Is de mens de voeling met de natuur kwijt?
‘Volstrekt, en dat heeft veel te maken met onze humanisering ervan. We bekijken de natuur met een mensenbril en herleiden wilde dieren daarbij tot huisdieren. Vandaar dat mensen denken dat ze dieren een plezier doen door ze in de winter bij te voeren. Maar dat is gewoon een eindeloze verstoring van het natuurlijk evenwicht. Zodra je begint met bijvoeren kun je er niet meer mee ophouden. Wanneer herten te weinig voedsel hebben gaan ze automatisch in winterstand. Ze eten dan nauwelijks nog, bewegen niet meer en hun lichaamstemperatuur daalt tot vijftien graden. Tot er een grasspriet uit de bodem komt en ze opeens weer tot leven komen. Begin je ze voordien al bij te voeren, dan raken ze uit hun winterstand en moet je ze blijven bijvoeren, anders verhongeren ze. Natuurlijk zullen er dieren sterven in slechte jaren, zo gaat dat nu eenmaal. Er zijn goede en slechte jaren, dat heb je overal in de natuur.’

Veel mensen denken dat de wilde natuur gezellig en knus moet zijn, maar dat is natuurlijk niet zo

In feite willen we geen wilde natuur, maar wel een veredelde kinderboerderij?
‘De Oostvaardersplassen zijn geen veredelde kinderboerderij, maar ook geen echte wildernis; de dieren zijn in feite noch volledig wild, noch volledig gedomesticeerd, maar doorlopen een proces van de-domesticatie, waarbij zij zich stapje voor stapje van een door en door culturele naar een meer en meer natuurlijke context bewegen. In de Oostvaardersplassen worden de dieren dan ook niet aan hun lot overgelaten, maar wordt er een reactief afschotbeleid toegepast. Dat beleid is erop gericht om onnodig lijden te voorkomen van ernstig zieke of verzwakte dieren die ten dode zijn opgeschreven. Gedurende de wintermaanden worden de lichaams- en omgevingsconditie van de dieren op dagelijkse basis gemonitord. Als die een bepaalde grenswaarde bereiken, worden de dieren afgeschoten. In andere natuur­gebieden is een proactief – of preventief – afschotbeleid gebruikelijk. Daarbij worden jaarlijks enorme aantallen gezonde dieren afgeschoten. Zo werden bijvoorbeeld in 2017 op de Veluwe 4500 van de 6200 wilde zwijnen afgeschoten. Dat is nefast voor het welzijn van de overgebleven dieren. Laat die zwijnen gewoon. Het aantal zal vanzelf naar beneden gaan.

Het is lang een mysterie geweest waarom eiken, beuken en kastanjebomen eens in de circa vijf jaar veel meer zaden produ­ceren dan in andere jaren. Volgens sommigen komt dit doordat er geen nieuwe boompjes komen als ze elk jaar zo over­dadig zaden zouden produceren. De zwijnenpopulatie zou dan immers te groot zijn. Tijdens een goed mastjaar groeit de populatie van wilde zwijnen enorm aan. De jaren daarna zijn er weinig zaden, waardoor de populatie terugloopt. Na vijf jaar is die zo  klein dat ze bij een rijk mastjaar niet alle zaden kunnen opeten en er dus meer kans is dat er kleine boompjes komen. De natuur regelt dat zelf. Dat moet de mens niet doen. En sommigen gaan nog verder. Zij ontkennen het bestaan van roofdieren gewoon en willen niet accepteren dat de natuur een spel van leven en dood is. Ze willen dan bijvoorbeeld verhinderen dat roofdieren nog prooien vangen, net zoals ze thuis vegetarisch voedsel aan hun kat geven, terwijl katten toch duidelijk carnivoren zijn. Er zijn mensen die ervoor pleiten carnivoren geleidelijk aan uit te roeien. Ons natuurbeleid moet stelsel­matig plantenetende dieren voordeel geven ten opzichte van vleesetende, waardoor deze steeds verder gedecimeerd worden, zeggen zij. En dan is er nog  David Pearce, die carnivoren via CRISPR-technieken in vegetariërs wil veranderen. Hij wil leeuwen hooi laten eten – pure waanzin natuurlijk.’

Vier eeuwen geleden beweerde Descartes dat dieren alleen maar mechaniekjes waren, biologische raderwerkjes zonder ziel. Vandaag de dag projecteren we onze eigen emoties op die dieren en zien we ze als volwaardige levende wezens met eigen rechten. Wat is er veranderd?
‘Het is allemaal vrij recent. Peter Singer kwam in de jaren zeventig met het idee van verregaande dierenrechten op de proppen, en dat was toen echt revolutionair. Enerzijds komt dit door de voortschrijdende instrumentalisering van onze wereld, waardoor dier- en plantensoorten steeds vaker met uitsterving bedreigd worden. Er lijkt zelfs sprake van een nieuwe massa-extinctie, zoals in de tijd van de dinosauriërs. Wanneer spreek je daarvan? Wanneer driekwart van de soorten sterft, en we zijn tegenwoordig al een heel eind in die richting gevorderd. Naarmate zaken zeldzamer worden, worden ze ook waardevoller. En dat geldt niet alleen voor dieren, maar ook voor planten. De plantenwereld hebben we in het verleden vooral gezien als een decor. Nu zien we dat die heel goed zonder ons kan, maar dat wij niet zonder planten kunnen. Vandaar dat de zorg om de plantenwereld ook steeds groter is geworden en praktijken van een paar decennia geleden, zoals vrijelijk insecticiden en herbiciden spuiten, nu niet langer aanvaard worden. Naarmate de dieren- en plantenwereld steeds meer in de knel is gekomen, zijn we gaan inzien hoe afhankelijk we ervan zijn. En daardoor zijn we er wellicht ook meer intrinsieke en niet langer louter instrumentele waarde aan gaan toekennen.’

Dat dieren rechten hebben wordt momenteel vrij algemeen aanvaard, maar hebben ook planten rechten?
‘Dat is een moeilijke. In 2018 erkende de White Earth Band-indianengemeenschap van Noordwest-Minnesota de rechten van de manoomin, of wilde rijst. Zij waren daarmee de eersten die een plant rechten toekenden los van menselijke belangen: het recht op schoon water, een stabiel klimaat en bescherming tegen genetische modificatie en octrooiering. Persoonlijk vind ik dat niet fout klinken. Ik kan me voorstellen dat we planten die met uitsterven worden bedreigd, die heel zeldzaam zijn of een bijzonder belangrijke positie hebben in een ecosysteem zulke rechten toekennen.’

Als planten rechten hebben, bijvoorbeeld om van genetische modificatie gevrijwaard te blijven, beperkt dat onze landbouw dan niet?
‘Al in 2008 kwam de Swiss Federal Ethics Committee on Non-Human Biotechnology met een rapport waarin gesteld werd dat bij genetische modificatie van planten altijd rekening gehouden dient te worden met de bescherming en instandhouding van het natuurlijke, niet door de mens gemaakte netwerk van relaties. Persoonlijk zou ik zeggen dat genetische modificatie moet kunnen zolang je de soorten er niet volledig mee om zeep helpt. Waar iedereen altijd bang voor is, is dat gemodificeerde planten tussen niet-gemodificeerde terecht zouden komen, waardoor er ecologische problemen zouden ontstaan. Dat moet voorkomen worden. Ik zou dus zeggen: doen, maar wees voorzichtig en besef wat je doet.’

Charles Darwin schreef al dat het wortelstelsel van planten op een vorm van intelligentie wijst

Planten hebben geen vrije wil, bewustzijn of persoonlijkheid. Kun je ze dan wel rechten toekennen? Waarop baseer je die dan?
‘Daar wil ik tegen inbrengen dat bewustzijn en intelligentie bij planten niet zomaar van de tafel geveegd mogen worden. Daar bestaan verschillende meningen over en het hangt er maar van af wat je als bewustzijn definieert. Charles Darwin schreef bijvoorbeeld in 1880 al dat de ontwikkeling van het wortelstelsel van planten op een vorm van intelligentie wijst. Volgens de Italiaanse plantkundige Stefano Mancuso hebben planten zelfs een brein, alleen niet gecentraliseerd zoals bij mens en dier, maar in de vorm van een netwerk, vergelijkbaar met internet. Als je intelligentie definieert als de mogelijkheid om bepaalde signalen uit je omgeving op te vangen, te verwerken en er de problemen die zich voordoen mee op te lossen, dan kun je niet anders dan ook planten intelligentie toekennen. Plantenrechten zijn dus verdedigbaar, maar filosofisch gezien zal er toch nog heel wat werk verzet moeten worden om dit voor iedereen aanvaardbaar te maken.’

Planten hebben een instrumentele waarde, omdat ze bijvoorbeeld belangrijk zijn om een bepaald eco­systeem overeind te houden, zoals u net zei, maar zou u ze ook intrinsieke waarde toekennen, louter omwille van zichzelf dus?
‘Kant zegt dat je een ander mens niet alleen maar als instrument voor je eigen belangen mag inzetten. Belangrijk hierbij is dat “alleen maar”. Je mag dus best iemand voor je laten werken, als je dat maar op een respectvolle manier doet. Daar is niets mis mee. Ik denk dat mensen bomen al lang intrinsieke waarde toekennen. Een boom kap je niet zomaar. Dan wordt er geprotesteerd. En in het geval van het kappen van een hele rij bomen al helemaal. Toen Frits van Beusekom begin 2019 zware kritiek uitte op het kap­beleid van Staatsbosbeheer, dat bossen steeds meer als productie­bossen beschouwde en steeds minder als natuurbossen, was de publieke verontwaardiging groot. Alle kranten gingen erop in en uiteindelijk legde het ministerie zelfs een nieuwe ‘bossenstrategie’ op tafel om daar iets aan te veranderen. Wij kennen planten nu dus al intrinsieke waarde toe, en ook relationele trouwens. Bomen hebben steeds iets betekend in relatie tot de mens; dat zie je in sprookjes en mythen, waar ze een grote rol spelen. Zelf heb ik dat ook. Elke week ga ik in een bos wandelen. Zo’n oude, monumentale boom doet me echt iets. Een wereld zonder bomen zou ik gewoonweg verschrikkelijk vinden.’

Boommensen. Over nut en nadeel van de humanisering van de natuur
Jozef Keulartz
Noordboek
96 blz. | € 14,90

Josef Keulartz
Josef Keulartz (1947, Maastricht) is emeritus hoogleraar milieufilosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij deed onderzoek op de terreinen van wetenschap en techniek, sociale en politieke filosofie, bio-ethiek en natuurbeleid. Hij was vanaf het begin betrokken bij het beheer van het natuurgebied Oostvaardersplassen, waarover hij in zijn boek Dieren in ons midden uit 2017 uitvoerig schreef. Hij is lid van het ‘European Centre for Nature Conservation’ en de Nederlandse ‘Commissie Genetische Modificatie’.