Home Moreel dilemma Moreel dilemma: zijn wij belangrijker dan andere dieren?
Dieren Moreel dilemma

Moreel dilemma: zijn wij belangrijker dan andere dieren?

Al heel lang wegen de behoeften van mensen zwaarder dan die van andere dieren. Maar is dat terecht?

Door Jeroen Hopster op 26 mei 2020

Moreel dilemma: zijn wij belangrijker dan andere dieren? beeld Bas van der Schot
Cover van 06-2020
06-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Enkele jaren geleden huurde de dierenopvang van San Francisco een zelfrijdende beveiligingsrobot in, bedoeld om daklozen die verderop in de straat bivakkeerden te weren. Het werd de dierenopvang en de robot niet in dank afgenomen. Sommigen beschreven de affaire als het toppunt van kapitalistische harteloosheid: geld uitgegeven om daklozen te verjagen in plaats van opvang voor hen te creëren. Anderen zagen het als teken van een Amerikaanse technodystopie: een patrouillerende robot als bewaker van de gesegregeerde samenleving. Wat zegt deze affaire over de relatie tussen mens en dier? Een organisatie die zich om het welzijn van zwerfdieren bekommerde, nam maatregelen die het welzijn van zwervende mensen ondermijnde. Een dier werd een dak boven het hoofd geboden, het tentje van de dakloze moest wijken. Was de tijdgeest hier niet doorgeslagen? Natuurlijk, de belangen van dieren zijn vaak miskend. Maar wegen de belangen van mensen niet toch zwaarder?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Nee

De menselijke omgang met dieren is volgens menig dierethicus moreel een blinde vlek. Die vlek ontstond duizenden jaren geleden en bestaat nog steeds. De Australische filosoof Peter Singer stelt dat mensen een diep ingebakken neiging hebben tot speciësisme: het voortrekken van leden van onze eigen soort, puur omdat ze toevallig soortgenoten zijn. Die neiging is niet te rechtvaardigen, stelt Singer. Soortlidmaatschap is een biologische categorie, zonder morele relevantie. Wie die categorie, bewust of onbewust, laat meewegen in morele oordelen, die maakt zich schuldig aan een vorm van discriminatie, vergelijkbaar met racisme en seksisme. In plaats van soortlidmaatschap zouden de belangen van individuen onze morele oordelen moeten ingeven – of het nu gaat om een menselijk individu, een zwerfhond, of een boerderijvarken. Het basisbeginsel van een non-discriminatoire ethiek is dat gelijke belangen gelijk dienen te worden gewogen.

Ja

Soortlidmaatschap is niet het enige waarin mensen van andere dieren verschillen. Sinds jaar en dag is betoogd dat mensen unieke vermogens hebben, die ons een bijzondere morele status geven. Rationaliteit, bijvoorbeeld, of zelfbewustzijn. Zulke voorstellen roepen, zeker de laatste jaren, steeds meer controverse op. Voor elk voorbeeld is wel een tegenvoorbeeld te vinden – een pratende papegaai, een empathische bonobo of een intelligente inktvis.

Toch valt er wel wat te zeggen voor de intuïtie dat een doorsnee mensenleven aanzienlijk verschilt van een doorsnee dierenleven. Een goede kandidaat om dat verschil te verklaren is overdraagbare cultuur: de erfenis van taal, kennis en technologie, die van generatie op generatie wordt uitgebreid en verfijnd. De mate waarin de mens cultuur overdraagt is ongeëvenaard binnen het dierenrijk. En onze culture erfenis heeft onze levensstijl niet alleen drastisch getransformeerd, maar ook enorm verrijkt, met inzicht en betekenis. Die transformatie maakt dat wij er de nodige belangen op na houden die sterk van die van dieren verschillen. Zo sterk dat hun belangen vaak nauwelijks te vergelijken zijn met de onze. Het zou dan ook een misverstand zijn om alle belangen gelijk in te schalen. Opvang betekent voor een dakloze simpelweg niet hetzelfde als voor een zwerfhond.

‘Speciësisme is vergelijkbaar met racisme of seksisme’

Inleven

Het non-discriminatiebeginsel van Singer is ethisch goed gefundeerd: als belangen gelijk zijn, dan moeten ze gelijk worden gewogen. Maar ook de tegenpartij maakt een belangrijk punt: belangen zijn niet altijd vergelijkbaar, en daarom gaat gelijke weging niet
altijd op. Die twee standpunten zijn tot op zekere hoogte verenigbaar. Vergelijkbare belangen vloeien voort uit ervaringen, die wij vermoedelijk met de nodige andere dieren delen. Neem de ervaring van honger of van fysieke pijn: als die ervaring onder verschillende soorten vergelijkbaar is, is de vraag wie pijn ervaart moreel irrelevant. Gaat het niet om fysiek, maar om mentaal leed, dan wordt het beeld troebeler. Mensen kunnen als betekenisgevende wezens in allerlei vormen van mentaal leed verknoopt raken,
waar sommige dieren minder last van zullen hebben. Anderzijds: ook dieren kunnen belangen hebben – een behoefte aan afzondering, bijvoorbeeld – die mensen niet hebben. Is het toeval dat de reuzenpanda’s in de dierentuin van Hongkong na dertien jaar eindelijk paarden, toen de dierentuin dit voorjaar werd gesloten voor publiek? Hoe het ook zij, een genuanceerde dierenethiek plaatst zowel wetenschappers als filosofen voor een flinke uitdaging: wie belangen eerlijk wil wegen, die moet zich kunnen inleven in de ervaring van mens en dier.