Home ‘Zijn er niet tóch grenzen van de moraal?’

‘Zijn er niet tóch grenzen van de moraal?’

Door Anton de Wit op 17 april 2006

04-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

B. ‘leunt achterover, in welbehagen en met een knipoog. En laat het aan mij over om uit te zoeken hoe het zit met dat plichtsgevoel.’ Edith Brugmans schreef een essay over plicht, moraal en de grenzen van de moraal.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een brief, zo schrijft Edith Brugmans in haar essay Moreel scepticisme, kan leiden tot zowel een beter begrip van degene aan wie je schrijft, als tot narcistische zelfbespiegelingen. En de scheidslijn is flinterdun. Vandaar ook dat de brief zo vaak gebruikt wordt als stijlfiguur in romans; de auteur kan daarmee zowel de afstand als de nabijheid tussen zijn personages scherp aanzetten.

Een toevallige afdwaling in een boek dat de moraalfilosofie thematiseert is Brugmans’ uitweiding over brieven in romans niet. De hoogleraar rechtsfilosofie in Nijmegen en bijzonder hoogleraar filosofie in Leiden bedient zich in Moreel scepticisme zelf voortdurend van literaire stijlfiguren, waaronder de brief. Brugmans: ‘Dat heb ik met opzet gedaan om, zonder het uitdrukkelijk te hebben vermeld, een verband met de inhoud van het betoog aan te geven. Eén van de vragen die ik opwerp is hoe we een ander kunnen kennen. Kan dat rechtstreeks, of gaat het altijd via een indruk of beeld van de ander? Nou ja, daar zijn in de wijsbegeerte natuurlijk allerlei theorieën over ontwikkeld. Dan kun je die thematiek uitleggen in een betoog, zoals we dat gewoonlijk doen, maar je kunt ook stijlmiddelen hanteren die in romans gebruikt worden, waar die als trucs gebruikt worden om dezelfde thematiek aan de orde te stellen. In dit geval de brief.’

Net als in één van de vroegste brievenromans, Pamela, or Virtue Rewarded van Samuel Richardson uit 1740, heet de correspondent van Brugmans eenvoudigweg ‘B.’. Men zou dit als initiaal van haar eigen achternaam kunnen lezen en het essay daarmee in de categorie van narcistische zelfbespiegelingen kunnen plaatsen. Maar dat zou te makkelijk zijn, zeker aangezien Brugmans er niet geheimzinnig over doet dat B. gebaseerd is op een echt bestaande mannelijke figuur, wiens voornaam begint met een B.

Plichtsgetrouw

‘Hij is een soort sparringpartner’, erkent Brugmans. Zij omschrijft hem als een Bourgondiër, die zich weinig gelegen laat liggen aan morele conventies en zelfopgelegde plichten. Zij is wat meer plichtsgetrouw en consciëntieus, geeft zij schoorvoetend toe. B., zo schrijft zij in haar inleiding, ‘leunt achterover, in welbehagen en met een knipoog. En laat het aan mij over om uit te zoeken hoe het zit met dat plichtsgevoel.’

Dat is dan ook precies wat Edith Brugmans doet in Moreel scepticisme. Zij zoekt naar de betekenis en de autoriteit van de moraal. ‘Dat onderwerp houdt mij al lang bezig. Hoe kun je nou níet het goede willen? Dat is zoiets absurds. Natuurlijk wil je het goede doen, je behoort het goede te doen. Maar dat is één kant. Aan de andere kant doen we vaak ook dingen die haaks staan op die overtuiging. En niet alleen uit onwetendheid, maar uit onze eigen wil en verlangens.’

Moreel scepticisme, zo stelt Brugmans uitdrukkelijk, heeft echter niets te maken met de cynische opvatting dat de mens tot alle kwaad geneigd is. Het is voor haar veeleer een zoektocht naar de grenzen van de moraal. Die zoektocht valt uiteen in drie stappen. Allereerst beschrijft zij een aantal klassieke opvattingen over de grenzen van de moraal. Zoals het determinisme, in zijn fysische en metafysische varianten, waarin gesteld wordt dat de menselijke vrijheid om moreel te handelen beknot wordt door respectievelijk natuurlijke processen of een goddelijke lotsbeschikking. De tweede stap van het betoog is een ‘redding’ van de moraal uit de handen van dergelijke argumenten. Brugmans haalt hierbij vooral het werk aan van de romancier en filosoof Iris Murdoch, die stelt dat de moraal alle domeinen van het leven doortrekt, dat elke handeling moreel geladen is. ‘Dat roept dan weer een volgende vraag op, die de derde stap in mijn betoog is: is dat weer niet té veelomvattend? Zijn er niet tóch grenzen van de moraal?’

Haar antwoord: ja, die zijn er. Iedere opvatting over moraal, zo legt Brugmans uit, gaat immers uit van een notie van verbeterbaarheid. De grens van de moraal ligt dus logischerwijs daar waar de verbeterbaarheid ophoudt, bij de perfectie. Nu zal de criticus tegenwerpen dat perfectie niet bestaat, maar Brugmans wijst erop dat wij wel perfectie kunnen ervaren. Bijvoorbeeld wanneer wij een pasgeboren baby in de armen hebben, of wanneer wij onze grote liefde ontmoeten. Ook de natuur en de religie kunnen bronnen van ervaren perfectie zijn. ‘Ik heb lang getwijfeld of  “perfectie” wel zo’n gelukkige woordkeuze is. De natuur is niet perfect, kinderen ook niet. Maar zij confronteren ons met een grootsheid, een eigenheid, een soevereiniteit, die maakt dat wij in onze drang en ons vermogen tot verbeterbaarheid even stil vallen. Misschien zijn die dingen in tweede instantie wel voor verbetering vatbaar – wij bewerken de natuur voortdurend en kinderen voeden we op – maar dat is niet de kern van de zaak. Er gaat iets anders aan vooraf, namelijk die eigen werkelijkheid, dat wezen van zo’n kind, van de natuur, wat een onaantastbaarheid voor onze verbeterbaarheid present stelt. Dat stukje van de ervaring, daar wilde ik aandacht voor vragen.’

En wat zou de semi-fictieve B. hiervan zeggen, als de schrijfster hem dit in een brief zou uitleggen? Brugmans: ‘Die zou zeggen: “dergelijke ervaringen van perfectie worden veroorzaakt door bepaalde prikkels in onze hersenen, dat kunnen we allemaal prima wetenschappelijk in kaart brengen.” Maar dan verval je weer in de argumenten van het determinisme. De vragen komen dan dus gewoon weer terug. En het gesprek zal voortgezet worden.’

Door Anton de Wit

Moreel scepticisme, door Edith Brugmans, uitg. Valkhof Pers, Nijmegen 2006, 158 blz., € 12,50