Home Filosofie en literatuur ‘Woolf laat zien dat je steeds een ander mens bent’
Filosofie en literatuur

‘Woolf laat zien dat je steeds een ander mens bent’

Hélène Gelèns (55) is filosoof, schrijver en dichter. Haar nieuwste dichtbundel heet beginnen voor gevorderden.

Door Carolien van Welij op 19 augustus 2022

Hélène Gelèns bos bureau beeld Maarten Noordijk
Cover van 09-2022
09-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

‘Na mijn studie filosofie wist ik wat ik wilde doen met mijn leven: verder in de filosofie en poëzie schrijven. Filosofie en poëzie waren voor mij strikt gescheiden; in mijn ogen vereisten ze elk een heel andere schrijfhouding. Ik was iemand met sterke overtuigingen. Zo wist ik ook zeker dat ik niet zou trouwen en geen kinderen zou krijgen.

Rond mijn dertigste las ik The ­Waves (1931) van Virginia Woolf. Daarin zijn zes personages aan het woord in monologen. Via die zes stemmen volg je de levensloop van een groep vrienden tot ze een jaar of vijftig zijn: hoe ze elkaar als kind leren kennen, opgroeien, verliefd worden en op allerlei manieren met elkaar botsen. De meerstemmigheid van deze roman fascineerde me. Eén passage raakte me in het bijzonder. Daarin overdenkt Bernhard – Woolfs alter ego – de meerduidigheid van zijn karakter: “Wie van al die mensen ben ik? Het hangt voor een groot deel van de kamer af. Er zijn vele kamers – vele Bernhards.”

Het idee in elke kamer een ander mens te zijn stond me destijds helemaal niet aan. Ik zag mezelf als één vast persoon: ik moest overal hetzelfde zijn – eerlijk en trouw aan mezelf. Door Woolf ging ik inzien dat zelfs als anderen je zien op een manier waarop je jezelf graag ziet, je je tekortgedaan kunt voelen. Ik moest toegeven dat ook ik steeds “iets verschillends” ben.

Nadat ik Woolf had gelezen werd ik me bewust van de meerstemmigheid in mezelf en in mijn denken. Als ik poëzie schreef, gaf ik me al over aan een schrijfhouding waarbij je van tevoren niet weet waar je uitkomt. Het bracht ontspanning om die meerstemmigheid nog meer toe te laten. Ik begon in te zien dat ik filosofie en poëzie niet hoef te scheiden: in mijn poëzie zit nu eenmaal filosofie.’