Home Waarheid Wapenwedloop met de feiten
Waarheid

Wapenwedloop met de feiten

Nieuwsmedia proberen met factchecken het vertrouwen te winnen van het publiek. Toch wordt het gezag van de boodschapper er niet groter op. Het ontbreekt niet aan feiten, maar aan autoriteiten.

Door Coen Simon op 23 maart 2020

Wapenwedloop met de feiten
Cover van 04-2020
04-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Hoe groot ook het valse weefsel dat de ervaren leugenaar in de aanbieding heeft, het zal, ook al laat de leugenaar zich door computers bijstaan, nooit groot genoeg zijn om het onmetelijke van de feitelijke orde te bedekken.’ Dit concludeerde Hannah Arendt in het essay Liegen in de politiek (1972), dat ze schreef naar aanleiding van The Pentagon Papers – een geheim rapport van het Amerikaanse ministerie van Defensie over de politieke en militaire inmenging van de VS in Vietnam, dat in juni 1971 uitlekte.

In haar analyse van het rapport onderzoekt Arendt de maatschappelijke betekenis van leugens en oplichterij. Het beeld dat Arendt bijna vijftig jaar geleden moet hebben gehad van de mogelijkheden van computers is nog vrij onschuldig. Tegenwoordig heeft de digitale technologie een veel grotere invloed op onze samenleving. Toch is haar analyse van waarde voorde actualiteit van ons post-truth-debat. Ze legt een bedrog bloot waaraan wij inmiddels zo gewend zijn geraakt dat we het bedrieglijke ervan nog nauwelijks ervaren: ‘Het vertalen van feitelijke inhouden naar de taal van berekenbare getallen en percentages.’ De overheid kan de burger niet alleen voorliegen of misleidende beelden voorspiegelen, maar ook de werkelijkheid omvormen tot berekenbare eenheden – dat is veel ingrijpender en zorgwekkender. Dit laatste is het werk van wat Arendt ‘de probleemoplossers’ noemt.

We willen heel graag iets voor waar aannemen, maar weten alleen niet meer van wie

Probleemoplossers kunnen bloedvergieten verkopen als de verdisconteerde collateral damage van een vredesmissie. Dit soort ambtelijk handelen is inmiddels de taal van de moderne samenleving geworden. Niet alleen van beleidsmakers, maar ook van de burger zelf, die volledig vertrouwt op peilingen, statistieken, harde cijfers en valse dilemma’s.

Wat aan haar analyse ook opvalt, is dat de manipulaties van machthebbers en beleidsmakers niet allemaal kwade opzet zijn, maar ook voortkomen uit systeemfouten, onwetendheid, goede bedoelingen en niet zelden uit onbewuste psychologische motieven. En ik denk dat het goed is om te beseffen dat elke groep mensen die onder een of ander machtsorgaan functioneert manipulaties ondergaat. En dat deze manipulaties niet altijd kwaadwillend zijn en zelfs niet altijd kwaad kunnen. Neem een van de kleinste samenlevingsvormen: het gezin. Opvoeden en manipuleren zijn hierin nauwelijks uit elkaar te houden. Uit veiligheid worden, naar gelang leeftijd en ontwikkeling van kinderen, zaken verzwegen, weggehouden en verboden. Het lijkt op een klassiek complot. Een kind leeft zijn leven als Truman Burbank uit de film The Truman Show. Er wordt als in een realitysoap over hem beslist en gepraat, om hem gelachen en gehuild. Het enige dat het kind van de complotdenker onderscheidt, is dat het er meestal niet van uitgaat dat één alziende kwade genius hem probeert te manipuleren.

Pseudowetenschap

We doen graag lacherig over complotgenootschappen zoals de Flat Earth Society, de Amerikaanse vereniging van burgers die menen dat de aarde plat is. Maar net zoals de zogeheten antivaxxers tegenwoordig makkelijk aanhang vinden onder hoogopgeleiden, zo duiken ook klassieke complottheorieën in veel verschillende filterbubbels op.

Toen ik dit eens opperde tijdens een etentje bij vrienden en zei dat het onderscheid tussen feit en fictie, wetenschap en pseudowetenschap, politiek en complottheorie steeds meer leek te vervagen, werd het stil aan de andere kant van de tafel. Na wat doorvragen kwamen we erachter dat ook een van de aanwezigen geloofde dat de maanlanding van 21 juli 1969 in een studio onder regie van Stanley Kubrick was geënsceneerd. Onmiddellijk kwam er een verhitte discussie op gang, waarbij allerhande details en theorieën over tafel vlogen.

En dan merken we een groot verschil met de tijd waarin Arendt de leugen analyseerde. De feitelijke orde mag dan niet te meten zijn, we kunnen haar desondanks gemakkelijk over het hoofd zien – moedwillig of niet.

Het ontbreekt niet aan feiten, het ontbreekt aan autoriteiten. Er zijn veel instituten die zich met de waarheid bezighouden, maar gezaghebbend zijn ze niet vanzelfsprekend meer. Nog steeds worden er complottheorieën geopperd, maar in een samenleving zonder autoriteiten hebben ook die niet langer eenduidige betekenis. Er bestaat geen waarheid zonder gezag. Ook als feiten keihard zijn, moet de bron worden vertrouwd. Want een feit heeft altijd een bron. Onmiddellijke feiten bestaan niet; ze moeten worden geconstrueerd. Zelfs de simpele waarheid ‘Het regent’ is een constructie (‘Water falls /  most people call it rain,’ dichtte Ron Padgett) en heeft een boodschapper nodig die de mededeling doet.

Controleren is goed, maar vertrouwen isbeter

Het gezag van de boodschapper is cruciaal voor de geloofwaardigheid van de feiten die hij brengt. Media zijn vanzelfsprekend gezag kwijtgeraakt. Niet zozeer omdat ze hun werk niet goed doen, maar in de eerste plaats omdat ze hun werk moeten doen onder omstandigheden waarin boodschappers sowieso niet meer eensgezind worden geloofd. Er zijn niet alleen heel veel boodschappers, ze hebben ook allemaal hun eigen volgelingen. En gezag of autoriteit verkrijg je niet alleen door zorgvuldig en verantwoord werk te leveren; je moet ook als autoriteit gedragen worden, en daar zijn veel volgers voor nodig.

Bron van twijfel

Het geworstel met deze maatschappelijke versplintering is overal aanwezig, maar wordt vooral zichtbaar in de journalistiek, van oudsher controleur van de macht, factchecker pur sang en boodschapper. Media moeten met zoveel anderen om aandacht vechten dat ze een bron van twijfel worden. Ook staan ze bloot aan kritiek, deels uit eigen kring, door zelfkritische journalisten (Joris Luyendijk, Rob Wijnberg), deels door de verwijten van politieke gekleurdheid (‘de linkse media’ en ‘het gewoon worden van rechts populisme’).

Omdat dit gebrek aan vertrouwen met de term ‘post-truth’ wordt geframed als een gebrek aan feitelijkheid, zijn ze als een dolle aan het factchecken geslagen. Maar terwijl de nieuwsmedia enorme vlijt aan den dag leggen ter verificatie van de waarheden die ze even daarvoor zelf brachten, zagen ze onderwijl aan de poten van hun eigen geloof-waardigheid.

‘Hoe meer de journalistiek erop hamert dat zij “de feiten presenteert” en daarmee dus “de waarheid in pacht heeft”, hoe sterker ze wordt gewantrouwd door de groepen die niet deze feiten delen,’ schreef Rob Wijnberg, filosoof en hoofdredacteur van het online journalistieke platform De Correspondent. Het doel van het checken van nieuwsfeiten is volgens hem om overeenstemming te krijgen over een gedeelde realiteit, maar al dat gecheck ‘heeft dan precies het omgekeerde effect: het wantrouwen tussen journalistiek en publiek neemt toe in plaats van af. Objectiviteit wordt dan ervaren als snobisme of opdringerigheid: alsof “jullie realiteit” de “enige juiste” is.’

Er zijn heel veel boodschappers, met allemaal hun eigen volgelingen

Maar het is zeker niet alleen dit vermoeden van snobisme dat wantrouwen in de autoriteit van de boodschapper aanjaagt, maar vooral een te simplistische voorstelling van wat feiten zijn, hoe ze tot stand komen en waarom ze worden aangewend.
In NRC Handelsblad, bijvoorbeeld, kregen factcheckers onderling onenigheid over een uitspraak van financieel geograaf Ewald Engelen, die beweerde dat de economie van Oekraïne ‘precies even groot’ was als die van Noord-Holland. Omdat het een paar miljard euro scheelde oordeelde de factchecker van dienst: ‘Onwaar.’ Maar aangezien Engelen de vergelijking maakte met het doel om de economische betrekkingen tussen Nederland en Oekraïne in een reëel perspectief te plaatsen waren anderen met de hoofdredacteur van mening dat het feit ‘grotendeels waar’ was. Tja, wat is waarheid?

Het zou natuurlijk kunnen bijdragen aan de betrouwbaarheid van een bron als we zien hoe haar feiten tot stand komen, alleen niet als het achteraf gebeurt. De relativiteit van de feiten moet onderdeel zijn van de journalistieke berichtgeving zelf. Achteraf factchecken impliceert de mogelijkheid om los van de context de ondubbelzinnige waarheid van een nieuwsfeit vast te stellen. Alsof de feiten, wanneer ze niet voor het oprapen liggen, wel leugenachtig moeten zijn. Bovendien wekt het checken van de bron door de bron zelf argwaan. Het is toch een beetje als de slager die zijn eigen vlees keurt.

Waagstuk

Feiten kunnen niet zonder vertrouwen. Nu zowel de feiten als het gezag obscuur zijn geworden, zijn we genoodzaakt om andere middelen te gebruiken om elkaar van onze waarheden te overtuigen. Want we willen nog heel graag iets voor waar aannemen; we weten alleen niet meer van wie. En het vele factchecken maakt het er niet beter op. Het doet soms denken aan een wapenwedloop, waar de feiten zich over en weer opstapelen, waardoor de patstelling alleen maar dreigender wordt.

Zou Arendt in onze tijd nog steeds beweren dat de misleiding nooit groot genoeg kan zijn om het onmetelijke van de feitelijke orde te bedekken? Weegt de onmetelijkheid van de feitelijke orde op tegen de onmetelijkheid van de virtuele orde? De ‘ideale onderdaan van de totalitaire heerschappij’, schreef Arendt in Totalitarisme, is ‘niet de overtuigde nazi, noch de overtuigde communist, maar de mens voor wie het onderscheid tussen feit en fictie (…) niet langer bestaat’.

Uiteindelijk komt het verwijt van fact-free politics als een boemerang terug in het betoog van de factchecker. Want elk menselijke handelen vertrekt uit onwetendheid. Willen we iets nieuws beginnen – een nieuwe politiek, een betere wereld – dan kunnen we niet alleen maar koersen op de harde feiten.

‘We beginnen iets,’ zegt Arendt in 1964 in een televisie-interview tegen Günter Gaus. ‘Wat daaruit voortkomt, weten we nooit (…) Dat geldt voor elk handelen. Heel simpel, omdat je het echt niet kunt weten. Het is een waagstuk. En ik zou eraan willen toevoegen dat dit waagstuk vertrouwen in de mensen veronderstelt. Dat betekent een nauwelijks te vatten, maar fundamenteel vertrouwen in het menselijke in alle mensen. Anders is het niet mogelijk.’

Arendt betoogt niet dat de meeste mensen deugen, maar wel dat een gesprek alleen mogelijk is wanneer we ervan uitgaan dat er met de ander te praten valt. En ook dat wanneer we het goede leven overlaten aan cijfers, algoritmes en ‘de’ wetenschap, we ons lot uit handen hebben gegeven. We zouden het motto van Lenin moeten omdraaien: controleren is goed, maar vertrouwen is beter.

Pleidooi tegen enthousiasme. Als waarheid een kwestie van smaak wordt
Coen Simon
De Bezige Bij
94 blz. | € 11,99

Beeld ©StudioVandaar, Jedi Noordegraaf

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.