Home Werk Waarom zouden we werk en privé zo strikt scheiden?
Werk

Waarom zouden we werk en privé zo strikt scheiden?

Door Pieter Hoexum op 29 oktober 2012

Waarom zouden we werk en privé zo strikt scheiden?
Cover van 11-2012
11-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Door internet, smartphone en tablet nemen we ons werk steeds meer mee naar huis. Leidt dat tot een overspannen en vermoeide samenleving? Niet noodzakelijk, vindt Pieter Hoexum: ‘Het vervagen van de grens tussen werk en privé is geen probleem, maar juist de oplossing voor veel problemen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit stuk heb ik geschreven aan de keukentafel, in de huiskamer van ons rijtjeshuis met open keuken. En overigens op nog veel meer plekken in en rond het huis. Lezen doe ik meestal net zoals ik schrijf: overal en nergens, in ‘huis, tuin en keuken’, tussen de bedrijven door. Een van de boeken die me tot dit stuk inspireerden, The Politics of Home, van Jan Willem Duyvendak, gaat over het je ergens thuis voelen en hoe zich dit verhoudt tot de steeds toenemende mobiliteit. Het leek me daarom aardig bij te houden wáár ik het boek las.

Ik bleek het boek grotendeels thuis te hebben gelezen, in bed en in mijn leunstoel (‘leesstoel’) in de woonkamer. Het is enkele malen mee geweest in de bus naar Amsterdam, een ritje van zo’n twintig minuten – zonde om niet te benutten. Ook had ik het boek bij me tijdens de pianoles van mijn oudste dochter. Verder is het mee geweest op vakantie, naar een vakantiehuisje op de Dwingelose heide en zelfs naar het zwembad, waar ik met mijn dochters heen ging toen ze op een regenachtige dag vrij waren van school omdat de leerkrachten een studiedag hadden.

Dat ik het boek in stukjes en beetjes las, had ook te maken met het boek zelf, dat nogal taai en droog is. Toch pakte ik het telkens weer op, omdat het onderwerp me zeer bezighoudt. Dat onderwerp is, zoals gezegd, ‘thuis’. Duyvendak vergelijkt de situatie in Nederland met die in de Verenigde Staten. In Nederland is het thema ‘thuis’ actueel, omdat hier sinds een aantal decennia steeds meer immigranten wonen. In de volksbuurten waar ze meestal belandden, konden ze vaak maar moeilijk aarden. De oude bewoners voelden zich op hun beurt na verloop van tijd, als gevolg van die instroom, ook niet meer thuis. In de Verenigde Staten, van oudsher een echt  immigrantenland, speelt dat veel minder. Daar is ‘thuis’ op een andere manier een actueel onderwerp geworden: het gezinsleven is er ‘verdwenen’; als de ouders nog niet gescheiden zijn, werken ze beiden veel en hard, en meestal ver van huis, zodat ze geen tijd voor de kinderen hebben, die het trouwens zelf druk hebben met school en buitenschoolse activiteiten, met hun ‘curriculum’.

Amerika wordt dan ook al decennialang overspoeld door een golf van nostalgie, een verlangen naar de tijd dat thuis nog echt thuis was: een onbedorven en kalm oord waar het altijd ruikt naar vers gebakken koekjes. Conservatieve politici maken steevast goede sier met een pleidooi voor het herstel van family values, waarmee ze slechts lijken te willen zeggen dat moeders thuis moeten blijven om voor de kinderen en hun  werkende man te zorgen. Ook vanuit de meer progressieve hoek komen geluiden over het beschermen van het huis, dit keer tegen commerciële en andere ‘wereldse’ invloeden. Er is meer in het leven dan werken, werken, werken; er is ook een tijd van rusten en genieten.

Dat laatste is natuurlijk waar, en het lijkt dan ook logisch je huis te vrijwaren van al te veel invloeden van buitenaf. Maar Duyvendak wijst op een interessant Amerikaans boek over thuis en werk, Elsewhere, USA van Dalton Conley, waarin de auteur juist pleit tégen de strikte scheiding van werk en privé. Door technologische ontwikkelingen en globalisering is het sowieso onbegonnen werk: de mobiele telefoon heeft vrijwel overal bereik en via internet is iedereen met elkaar verbonden. Maar in plaats van dat als bedreiging te zien, kunnen we het ook als kans beschouwen – of van de nood een deugd maken. Zo kunnen we wonen en werken eindelijk weer combineren, bijvoorbeeld door thuiswerken. Conley wijst ook op een complementaire ontwikkeling: steeds meer kantoorgebouwen hebben een kinderopvang, zodat de in dat kantoor werkende ouders makkelijk tussendoor contact kunnen houden met hun kroost. Op het Nederlandse Jeugdjournaal hoorde ik trouwens laatst over een school die een leegstaand lokaal als werkruimte aanbiedt aan ouders.

Eengezinswoning

Ik ben nu ruim tien jaar een ‘thuiswerker’, overal-en-nergenswerker. Elf jaar geleden verhuisde ik met mijn zwangere vrouw van een typisch tweeverdienersappartement in Amsterdam naar een even typische eengezinswoning in een nieuwbouwwijk in een provinciestadje in de buurt. Dat is ook het gebruikelijke patroon bij academici: je studeert, leert je geliefde kennen, vindt werk in de Randstad en gaat daar samenwonen. En dan komen er kinderen en wordt alles anders: je moet verhuizen en er zal iets met het werk – met name de verdeling ervan – moeten gebeuren.

Wat dat verhuizen betreft volgden we de gebaande wegen naar een buitenwijk. Maar wat werkverdeling betreft deden we het precies omgekeerd. Nadat ons eerste kind geboren was, werd niet ik, maar mijn vrouw kostwinner. Ik zei mijn werk op, werd huisman en ging daarnaast freelancen.

Misschien kun je beter zeggen dat ik ‘chef Huishouding’ werd. Niet dat ik de baas werd in huis, maar toch wel de eerst verantwoordelijke, het aanspreekpunt. De manager, zogezegd. En zoals iedere manager zal zeggen: ik kan het natuurlijk niet alleen. Kinderen verzorg je niet in je eentje; dat gaat nu eenmaal niet. It takes a village to raise a child schijnt een Afrikaans gezegde te zijn, dat bekend werd doordat Hillary Clinton het gebruikte als titel voor een boek. Mijn ervaring is overigens dat het ook andersom werkt: door kinderen te krijgen ga je als vanzelf deel uitmaken van een dorp, een clan of netwerk van familieleden, buren en niet te vergeten de professionals: de juffen en meesters van de crèche en school.

Ik werd dus in de eerste plaats huisman en daarnaast freelancepublicist en -redacteur. Bij mijn vrouw kwam het werk op de eerste plaats en het huishouden op de tweede – precies omgekeerd dus. Dat is trouwens al een hele verbetering vergeleken bij de vorige generaties chefs Huishouding. De mannelijke helft van de generatie babyboomers heeft zich op de een of andere manier geheel aan de huishouding weten te onttrekken. Tegenwoordig lukt dat vrijwel niemand meer en is in die zin iedere man deeltijdhuisman en iedere vrouw deeltijdhuisvrouw.

Niet dat mijn keus om ‘thuis te blijven’ was ingegeven door ideële overwegingen. Die was puur praktisch: ik had een fijne baan (medewerker in een prachtige boekhandel), die echter niet al te best betaalde en die nu ook niet echt goede vooruitzichten bood. Mijn vrouw had wat dat betreft meer geluk; haar werk (onderzoeker) was niet alleen erg leuk, maar betaalde ook beter en bood meer vooruitzichten. Wat voor mij de doorslag gaf was de hoop dat ik mij in de vrije uurtjes tussendoor zou kunnen wijden aan de twee dingen die ik het liefst doe: lezen en schrijven. 
Ik beschouw mezelf graag als writer in residence, – mijn eigen residentie, welteverstaan. Ook al omdat ik ‘freelancepublicist’ zo lelijk vind. Ik zeg liever: schrijver zonder vaste betrekking. Maar nog liever dus: schrijver aan huis.

Toch was het niet alleen uit praktische overwegingen dat ik thuisbleef. Het was ook uit plichtsbesef, maar ook  uit verplichting aan mijzelf. Zoals Montaigne schreef:
‘Zij die weten hoeveel ze zichzelf verschuldigd zijn, hoeveel verplichtingen ze tegenover zichzelf hebben, komen tot de ontdekking dat de natuur hun daarmee deze opdracht heeft gegeven, die al omvangrijk genoeg is en bepaald niet tot stilzitten uitnodigt. Je hebt thuis genoeg te doen: loop niet weg.’

Ik kwam er echter al snel achter dat je thuis eigenlijk nooit simpelweg achterover kunt leunen. Er bleek thuis genoeg te doen. Er wacht je een niet-aflatende stroom aan taken en klusjes – sommige groot, andere kleiner. Er moet gezorgd worden en schoongemaakt, er moet opgevoed worden en gekookt. Misschien heb je het wel nergens drukker dan thuis. Daarbij kwam nog dat het ‘echte’ (dat wil zeggen: betaalde) werk een constante worsteling met deadlines bleek te zijn: ik moest anderen achter de broek aan zitten en ik werd op de huid gezeten. Er was geen ontkomen aan.

Mijn huis bleek allerminst een kasteel te zijn waarin ik me terug kon trekken. Ik bleek veel te hoge verwachtingen te koesteren over thuis. Alsof je daar rust kon vinden en je kon afschermen voor de buitenwereld. Dat bleek een denkfout. Een denkfout waar Montaigne me voor had kunnen waarschuwen:

Velen denken dat ze zich uit hun zaken hebben teruggetrokken, terwijl ze hun bezigheden alleen maar verplaatst hebben. Een familiehoofd maakt zich nauwelijks minder zorgen dan het hoofd van een hele staat.

Inderdaad, waar we ook wonen, we zijn nooit van de wereld; ons huis staat altijd midden in de wereld. Het probleem is niet alleen dat je ook thuis niet zomaar rust kunt vinden. Zelfs als dat wel lukt, is er iets dat je na verloop van tijd naar buiten drijft: eerzucht. En, zoals Montaigne opmerkt: ‘Maar weinigen worden bewonderd door hun huisgenoten.’ Het is de eerzucht die ons naar buiten drijft, en de vrijheidsdrang en het streven naar geluk die ons naar huis lokken. Als thuiswerker heb ik het voordeel dat ik tamelijk eenvoudig kan combineren: ik kan werken en dus eer en respect (en een paar euro’s) verdienen zonder dat ik mijn huis letterlijk hoef te verlaten. Ik treed naar buiten, maar blijf binnen.
 

Dubbelzinnige wezens

Immanuel Kant beschouwde mensen als dubbelzinnige wezens. We zijn ‘burgers van twee werelden’. Hij bedoelde daarmee dat je als mens te maken hebt met de natuurwetten en met je geweten (morele wetten), maar daar gaat het mij nu niet  om. De uitdrukking ‘burger van twee werelden’ vind ik mooi en neem ik van hem over, maar in een iets andere betekenis: de twee werelden zijn de binnen- en de buitenwereld. We hebben verplichtingen tegenover onszelf én tegenover de anderen.

Het is een illusie te denken dat je kunt kiezen voor een van beide kanten. We zijn knechten van twee meesters. Je hoort tegenwoordig veel mensen over ‘het zoeken naar een balans tussen werk en privé’. Je hoort zelden iets over het vinden van die balans, en dat komt misschien wel doordat het een ongelukkige metafoor is. De metafoor verleidt je er te snel toe werk en privé te scheiden, ze onder te brengen in twee compartimenten om ze vervolgens tegen elkaar te kunnen afwegen. Je zou er echter toe verleid moeten worden ze te mengen. Misschien is het beter in plaats van over een balans te spreken van een juiste melange. Een smakelijke mix van buiten en binnen, werk en privé, en van eer en geluk.

Principieel kunnen we onderscheid maken, maar in de praktijk moeten werk en privé juist door elkaar lopen. Ik beklaag me er weleens over dat je als freelancende thuiswerker geen vaste werktijden en werkplek hebt, en dat dit tot gevolg heeft dat je eigenlijk altijd en overal aan het werk bent. Mijn vrouw heeft trouwens een smartphone van haar werk gekregen, waardoor ze altijd en overal bereikbaar is voor haar collega’s. Eigenlijk zouden we ons daarover niet moeten beklagen, maar onszelf juist gelukkig moeten prijzen. Langs deze weg zijn we in staat tot die smakelijke melange te komen.
 

Thuisblijfmoeder

Het onderscheid tussen werk en privé moeten we in ons hoofd maken en juist zo weinig mogelijk in de praktijk. Laat het maar door elkaar lopen; dán kun je tenminste combineren. Daarom was het ook zo’n slecht idee van de babyboomers om een rolverdeling in het gezin te maken, met de vrouw als verzorger en de man als kostwinner. De naoorlogse ‘thuisblijfmoeder’ is, als ik me niet vergis en een paar grote stappen mag zetten, een uitloper van een ontwikkeling die begon in de negentiende eeuw, waarbij men het gezin als geïsoleerd van de samenleving ging beschouwen. De wortels van deze ontwikkeling moeten waarschijnlijk gezocht worden in de Renaissance. Denkers als Montaigne vroegen aandacht voor de persoonlijke, individuele leefwereld. Voor de binnenwereld, voor je thuis.

Vóór die tijd hadden de schrijvers en denkers eigenlijk alleen aandacht voor openbare kwesties: over de heldendaden van Odysseus horen we veel, over zijn vrouw die thuisblijft nauwelijks. In de Renaissance en vervolgens de Verlichting en de Romantiek heeft er een steeds verdergaande emancipatie van het geluk plaatsgevonden.

Jürgen Habermas heeft veel geschreven over het ontstaan van een zogenoemde publieke sfeer in de achttiende eeuw. Iets minder bekend is misschien dat er tegelijkertijd een intieme sfeer ontstond; de historicus Phillipe Ariès heeft daarover geschreven. Je zou kunnen zeggen dat in de achttiende eeuw een ideologische (theoretische) scheiding gemaakt werd tussen de publieke en privésfeer, die vervolgens in de negentiende eeuw gematerialiseerd werd. Werken en wonen werden twee verschillende zaken, die je op verschillende plekken deed.

In theorie was het scheiden goed en belangrijk, want zo konden we eindelijk spreken en denken over een mix van werk en privé, eer en geluk. Maar het praktisch maken van de scheiding heeft uiteindelijk minder goed uitgepakt: er is een soort parallel universum ontstaan van aan de ene kant de werkers en aan de andere kant de thuisblijvers. Er is een rolverdeling gekomen die ongezond is: mannen gaan erop uit, vrouwen blijven binnen. Mensen zijn, geloof ik, ongeschikt voor zo’n rolverdeling; we zijn er te dubbelzinnig voor. Zowel mannen als vrouwen gedijen pas als ze heen en weer kunnen bewegen tussen binnen en buiten. Waarmee niet gezegd is dat het makkelijk is. Integendeel, in de praktijk is het een hele opgave.

Ik dacht thuis meer rust te kunnen vinden. Maar ik vond meer werk. Ik meende tijd te hebben voor studie, bezinning en meer van dat soort onwereldse zaken. Maar mijn huis bleek, zoals elk huis, midden in de wereld te staan, en die wereld drong constant door elke kier naar binnen – als ik de voordeur ‘tochtvrij’ had weten te maken, kwam de tocht door de achterdeur… Het heeft een tijdje geduurd voordat ik me ermee heb kunnen verzoenen. Inmiddels zie ik er vooral de voordelen van in.