Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 5/2021

Vragen

Paul van Tongeren
filosoof, hoogleraar

Verwondering is het begin van de filosofie – wie zou Plato durven tegenspreken? Maar het is een merkwaardig begin. Enerzijds moeten we vandaar verdergaan om echt te gaan filosoferen, anderzijds is het de dood in de pot als we daardoor het begin kwijtraken. De verbinding tussen de oorspronkelijke verwondering en de uitwerking in een filosofie ligt in de vraag. Verwondering vertaalt zichzelf in vragen. Wie echte vragen stelt, zal zoeken naar een antwoord; wie gaat antwoorden, begint te bouwen aan een theorie; maar naarmate dat beter lukt, loop je het risico de vraag te vergeten en de verwondering te verliezen. Geen enkele filosofie van de geest kan de vraag wat geest is voor altijd beantwoorden, laat staan de verwondering daarover wegnemen. Filosofie waaruit de verwondering verdwenen is, is als vrijen zonder liefde. De vraag is dus: hoe vanuit de verwondering verdergaan zonder deze oorsprong kwijt te raken?

Grote denkers zijn onder meer daaraan te herkennen dat je in of onder de stelligheid waarmee ze hun thesen beargumenteren en hun theorieën uiteenzetten de vragen nog hoort en de verwondering nog herkent. Simone Weil verbaast zich over de stelligheid van haar eigen tekst. Ze schrijft: ‘Er zou tussen de bevestigende en de vragende wijs nog een andere wijs moeten bestaan.’ Ze probeert met de stelligheid van haar teksten juist klemmende vragen te laten horen. Augustinus maakt door eindeloos vragen stellen de lezer deelgenoot van zijn verwarring en verwondering. Er zijn waarschijnlijk nauwelijks boeken te vinden waarin zoveel vraagtekens staan als in zijn Belijdenissen.

Filosofie zonder verwondering is als vrijen zonder liefde

Bij andere auteurs liggen de vragen minder aan de oppervlakte. Immanuel Kant zegt weliswaar dat de hele filosofie in drie vragen kan worden samengevat, en die drie weer in één, maar als hij zijn vragen formuleert zijn het eigenlijk al geen vragen meer. Hij heeft ze dan immers al beantwoord in zijn kritische werk. Maar wie die vier zogenoemde vragen goed leest, hoort daarin wel degelijk een echte verwondering: wat een wonderlijk wezen is de mens dat hij de grenzen van zijn kennen kan kennen, weet wat hij moet doen en mag hopen op wat hij verlangt.

Grote teksten worden gedragen door echte vragen. Wanneer het denken van grote denkers wordt samengevat in handboeken of overzichten verdwijnt die vraag, en daarmee datgene wat theorie en verwondering met elkaar verbindt: de navelstreng zonder welke het denken doodgaat en de begeerte uit de wijsbegeerte verdwijnt. In de filosofie draait het om vragen. Echte vragen, welteverstaan. Want retorische vragen, zoals ‘Wie zou Plato durven tegenspreken?’, zijn geen vragen, maar beweringen zonder argument.