Home Sport vormt je karakter

Sport vormt je karakter

05 augustus 2016

De Olympische Spelen: een evenement dat zijn oorsprong vindt in het oude Griekenland. Ook de denkers uit die tijd schreven over de Spelen. Zo had Plato het in zijn dialogen al over het belang van sport in de opvoeding, en beschreef Aristoteles dat slechts de sporters die in hun jeugd geen uitputtende trainingsperioden ondergingen een kans hadden de Olympische Spelen te winnen. Lees hier een voorpublicatie uit het boek ‘Olympische spelen’ van Charles Hupperts.

2. Eenheid van lichaam en geest
In Sokrates’ bespreking van de opvoeding van de Wachters in de Staat komen interessante problemen aan bod: het verband tussen gedrag en karakter, de invloed van het lichamelijke op het psychische en vice versa en de ideale verhouding tussen lichamelijke en intellectuele vorming in de opvoeding. Sokrates is aan het woord.

“Denk je, Glaukon , dat ook degenen die een training in muzische vorming en sport voorstaan, in tegenstelling tot anderen, ervan uitgaan dat de training in sport gericht is op het lichaam en die in de muzische vorming op de psyche?”
“Maar hoezo dan?” vroeg hij.
“Ik vermoed, zei ik, dat ze beide trainingen in eerste instantie ingesteld hebben voor de vorming van de menselijke psyche.”
“Hoe zit dat dan?” vroeg hij.
“Is het je niet opgevallen, zei ik, welke invloed het op iemands geest heeft, wanneer hij zijn hele leven aan de sport wijdt en zich onthoudt van elke muzische training? Of het tegenovergestelde effect, wanneer iemand zich uitsluitend wijdt aan de muzische vorming?”
“Waarop doel je?” zei hij.
“Bij de één op een onbeheerst en ruw karakter en bij de ander op een verwijfd en zacht karakter.”
“Dat is inderdaad zo”, zei hij.
“Wie alleen sport beoefent, gedraagt zich onbeheerster dan zou moeten en wie zich alleen geestelijk ontwikkelt, krijgt een ongewoon slap karakter.”
“En toch, denk ik, heeft onbeheerst gedrag te maken met het temperament dat je hebt. Wanneer dit op de juiste manier wordt gevormd, kan het mannelijkheid ontwikkelen. Maar is zo’n temperament te hard aangepakt, dan wordt het te ruw en moeilijk te hanteren.”
“Dat lijkt mij ook.”
“Hoe zit het nu met het zachte karakter? Is dat niet een onderdeel van de filosofische natuur? En denk je niet dat het een slap karakter in de hand werkt, erger dan zou moeten, als de natuur gewoon haar gang kan gaan, maar dat zij vriendelijk en beschaafd is wanneer zij daarentegen op de juiste manier wordt gevormd?”
“Dat is zo.”
“Wij vinden dat de wachter beide karaktertrekken moet hebben.”
“Ja, die moet hij hebben.”
“Moeten deze dan niet tot een harmonieus geheel worden samengevoegd?”
“Dat lijkt me wel.”
“Is de ziel van hem die deze harmonie heeft bereikt, niet beheerst en mannelijk?”
“Zeker.”
“En de ziel van degene bij wie dat niet het geval is, laf en onbeschaafd?”
“Zeker.”
“Wanneer iemand zich overgeeft aan muziek, zich laat meeslepen door fluitspel en zijn ziel via zijn oren, als door een trechter, vol laat stromen met die heerlijke, zachte en ontroerende melodieën, waarover we zojuist spraken, en hij zingend door het leven gaat en voortdurend geniet van muziek, dan wordt heel zijn temperament, net als ijzer, eerst zacht gemaakt en verdwijnen de onbruikbaarheid en hardheid ervan. Maar wanneer hij zich aan dat gevoel van verrukking blijft overgeven, dan smelt zijn temperament weg en wordt vloeibaar totdat zijn ‘spirit’ helemaal is opgelost; dan heeft hij als het ware de zenuwen van zijn ziel weggesneden en van zichzelf een slappe strijder gemaakt.”
“Dit is zeker zo,” zei hij.
“Als hij nu van nature weinig temperament heeft, dan geraakt hij snel in deze toestand. Is hij temperamentvol maar geblokkeerd in het uiten van deze gevoelens, dan is hij gauw prikkelbaar en gaan door het minste of geringste zijn haren al recht overeind staan. Maar even zo snel verdwijnt zijn slechte humeur. Dit soort mensen is in plaats van energiek opvliegend, driftig en prikkelbaar.”
“Ik ben het helemaal met je eens.”
“Wanneer iemand zich uitslooft voor zijn sporttraining en er niet genoeg van kan krijgen, waardoor hij zijn muzische en intellectuele vorming verwaarloost, dan zal in eerste instantie zijn goede lichamelijke conditie hem zelfvertrouwen en energie geven: hij zal zichzelf overtreffen in mannelijkheid.”
“Zeker.”
“Maar wat gebeurt er als hij niets anders doet en elk contact met de Muze mijdt? Zelfs al heeft hij belangstelling voor het een of ander, maar laat hij zich niets nieuws bijbrengen, weigert hij dingen nader te bekijken, ontloopt hij elke discussie en is hij wars van elke andere vorm van cultuur, dan zal zijn intelligentie afnemen en zal hij doof en blind tegelijk worden. Zijn denken immers wordt niet langer gestimuleerd en gevoed en zijn waarnemingen worden niet gecorrigeerd.”
“Dat is waar,” zei hij.
“Zo iemand wordt dan ook een cultuurbarbaar en hij is niet meer voor rede vatbaar; zijn gedrag lijkt op dat van een wild dier en hij is geneigd tot bot geweld; hij leeft in onwetendheid en domheid, en is onevenwichtig en grof.”
“Dat is een goede karakterisering,” zei hij.
“De mensen hebben, geloof ik, van een god twee manieren gekregen om deze twee eigenschappen van de menselijke natuur, het temperament en het filosofische intellect, te ontwikkelen: de muzische en de lichamelijke opvoeding. Slechts incidenteel zal de een de ziel en de ander het lichaam beïnvloeden. Maar waar het om draait is de totstandkoming van de harmonie tussen deze twee eigenschappen, door hen aan te spannen en te ontspannen tot de juiste harmonie is gevonden.”
“Dat lijkt mij ook.”
“We zouden met recht kunnen zeggen dat degene die er het best in slaagt om zijn lichamelijke en intellectuele ontwikkeling tot een eenheid te brengen en zich deze twee vormen van opvoeding precies in de juiste verhouding weet eigen te maken, een perfect gevoel voor cultuur en harmonie heeft, hetgeen niet te vergelijken valt met de bekwaamheid van een musicus die aan zijn snaren een mooi accoord weet te ontlokken.”
“Dit is ongetwijfeld zo, Sokrates.”
“Aan zo’n man, Glaukon, hebben we behoefte om de staat te besturen en de constitutie in stand te houden.”

(Plato, Staat 410b10 – 412a10)

3. Een meer pragmatische opvatting
 Ook de filosoof Aristoteles (vierde eeuw v. Chr.) heeft zich in zijn Politika uitgebreid beziggehouden met de opvoeding. Wanneer deze filosoof een bepaald probleem behandelt, onderzoekt hij eerst wat anderen hierover hebben beweerd. Zo treedt hij in discussie met in zijn tijd gangbare opvattingen over opvoeding en onderzoekt hij bijvoorbeeld het opvoedingssysteem van de Spartanen. Zijn stijl van redeneren is heel anders dan die van Plato.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Iedereen zal het ermee eens zijn, dat de opvoeding van de jeugd de bijzondere aandacht verdient van de wetgever. Want verwaarlozing ervan schaadt de staat. De opvoeding moet dus afgestemd worden op de staat. Want elke staat heeft een eigen karakter, dat haar in stand houdt en van het begin af bepaalt. Zo brengt het democratische karakter een democratie voort, het olicharchische karakter een olicharchie. Hoe beter het karakter is, des te beter de staat.
Verder is het zo dat aan het in praktijk brengen van elke bekwaamheid of vakmanschap opvoeding en training voorafgaan. Het is duidelijk dat dit ook geldt voor het verrichten van deugdzame handelingen. Aangezien de staat als geheel één doel heeft, is het duidelijk dat ook de opvoeding voor allen één en dezelfde moet zijn en dat het toezicht hierop een taak is van de staat en niet van ieder individu afzonderlijk, zoals dat nu het geval is. Immers tegenwoordig voeden de ouders zelf hun kinderen op en brengen hen de kennis bij die zij het meest noodzakelijk vinden.

Zaken die het algemeen belang betreffen, moeten voor iedereen hetzelfde zijn. Bovendien moeten we niet denken dat elke burger de zeggenschap over zichzelf heeft; allen behoren namelijk toe aan de staat. Iedereen is een onderdeel van de staat en de zorg voor elk onderdeel kan natuurlijk niet gescheiden worden van de zorg voor het geheel. En hierom zou men de Spartanen kunnen prijzen , omdat zij de meeste aandacht en zorg aan hun kinderen besteden en de opvoeding bij hen een staatsaangelegenheid is.

Het is dus duidelijk dat er wetgeving moet komen om de opvoeding te regelen en dat dit een taak is van de staat. We moeten ons echter ook bezighouden met de vraag wat opvoeden nu eigenlijk inhoudt en hoe die opvoeding er precies uit moet zien. Want hierover bestaat tegenwoordig verschil van mening: niet iedereen wil de jeugd hetzelfde bijbrengen als het gaat om deugdzaam gedrag en de beste manier van leven. Bovendien is het niet duidelijk of de opvoeding gericht moet zijn op de ontwikkeling van het verstand of van het karakter. De gangbare opvoedingspraktijk geeft aanleiding tot verwarrende vragen: niemand weet of het onderwijs zich moet richten op praktische zaken, op deugdzaam gedrag of op theoretische kennis. Elke opvatting heeft zijn aanhangers. Men is het ook helemaal niet eens over de manier waarop men tot deugdzaam gedrag kan komen. Want om te beginnen beschouwt niemand dezelfde deugd als de meest waardevolle. Daarom is het logisch dat er verschil van mening bestaat over de manier waarop men zich kan oefenen in deugdzaam gedrag.
Het is in ieder geval evident dat de jeugd onderricht moet worden in alleen die praktische zaken die werkelijk noodzakelijk zijn. Dat niet alles zonder onderscheid geleerd moet worden, wordt duidelijk door het verschil tussen bezigheden die bij ontwikkelde mensen en bezigheden die bij niet -ontwikkelde mensen horen. De student moet zich dus niet bezighouden met praktische vakken waardoor hij niet boven het niveau van een handwerksman zou uitstijgen. Elke bezigheid, elk vak of elke studie die het lichaam, de ziel of het verstand van een ontwikkeld iemand ongeschikt maakt voor deugdzaam gedrag, heeft in mijn ogen niet meer niveau dan handarbeid. Daarom noemen we alle vakken die slecht zijn voor de conditie van het lichaam en waarmee geld wordt verdiend, triviaal, want zij nemen de geest volledig in beslag en putten haar uit. Maar ook van de vakken die passen bij een ontwikkeld mens, zijn er die tot op zekere hoogte dit karakter hebben: wanneer men zich al te veel daarop toelegt en ze tot in de kleinste details wil beheersen, heeft dit dezelfde kwalijke bekrompenheid tot gevolg. Belangrijk hierbij is het doel van de handeling of studie. Volgt men een studie terwille van zichzelf of van vrienden of met het oog op deugdzaam gedrag, dan past deze bij een ontwikkeld mens. Doet men dit echter terwille van andere mensen, dan gedraagt men zich onderdanig en slaafs. […]
Gewoonlijk kent de opvoeding in het algemeen vier onderdelen: lezen, schrijven, sport, muziek en soms tekenen. Hiervan worden lezen, schrijven en tekenen beschouwd als zeer nuttig en praktisch en zou sport de mannelijkheid bevorderen. In het geval van muziek zijn er problemen. De meeste mensen namelijk doen aan muziek voor hun plezier. Maar oorspronkelijk was die als onderdeel van de opvoeding opgenomen, omdat, zoals vaak is beweerd, de natuur zelf ernaar streeft niet alleen op een juiste manier actief te zijn, maar ook om zich goed te ontspannen. Ik herhaal het nogmaals: ontspanning is de basis van alles. Inspanning en ontspanning zijn beide nodig, maar ontspanning is beter en vormt het doel van inspanning. We moeten ons dus afvragen hoe we ons kunnen ontspannen. Natuurlijk staat ontspanning niet gelijk aan amusement; want dan zou dat het doel van ons leven moeten zijn. Aangezien dit uitgesloten is en amusement eerder zijn plaats heeft bij werk (want wie hard werkt, heeft behoefte aan rust, en amusement geeft die rust, terwijl werk altijd gepaard gaat met vermoeidheid en inspanning), moeten we op de juiste momenten voor amusement zorgen; we hanteren het namelijk als een soort geneesmiddel: amusement werkt ontspannend voor onze ziel en geeft door het genot een gevoel van rust. Maar ontspanning schijnt zelf genot, geluk en gelukzaligheid te bevatten en dit wordt niet ervaren door degenen die nog bezig zijn, maar door degenen die zich ontspannen. Want wie bezig is, werkt voor een doel dat hij nog niet heeft bereikt, maar geluk is juist een doel dat bereikt is, en iedereen meent dat het bereiken van dat doel met genot en niet met pijn gepaard gaat. Maar over de aard van dit genot is men het niet eens. Het verschil in opvatting is afhankelijk van ieders natuur en gewoonte: de beste kiest het beste genot, namelijk het genot dat voortkomt uit de mooiste handelingen.
Het is dus duidelijk dat bepaalde vormen van onderwijs en opvoeding zich zuiver richten op ontspanning in het leven en dat de motivatie om zich hiervoor in te spannen in deze studies zelf is gelegen. De onderwijsvormen die gericht zijn op werk, hebben echter een noodzakelijk karakter en worden terwille van iets anders nagestreefd. De reden dat men in het verleden muziekonderwijs heeft ingesteld, is niet omdat het noodzakelijk is (want er is niets noodzakelijks aan), en ook niet omdat het nuttig is (zoals lezen en schrijven hun praktisch nut hebben voor het verdienen van geld, het regelen van de persoonlijke financiën, het vergaren van kennis en het verrichten van vele politieke activiteiten); het is ook niet te vergelijken met het vak tekenen, waarvan het nut gelegen schijnt te zijn in de vorming van een genuanceerder oordeel over kunstwerken; of met de sport die beoefend wordt met het oog op een gezond en krachtig lichaam. Zulke resultaten zien wij muziek niet leveren. Het nut dat overblijft is muziek als tijdverdrijf waarmee men zich ontspant. Dit is feitelijk ook de reden waarom men muziek beoefent: dit is namelijk een van de manieren waarop men meent dat een ontwikkeld mens zijn vrije tijd moet doorbrengen. […]
 
Het is dus duidelijk dat er een bepaalde vorm van opvoeding is die aan onze zonen moet worden gegeven, niet omdat deze nuttig is of noodzakelijk, maar omdat zij past bij een ontwikkeld man en gericht is op deugdzaam gedrag. […] Verder is het ook duidelijk dat bepaalde nuttige onderwerpen door jongens niet alleen vanwege het nuttigheidsaspect moeten worden bestudeerd, zoals de vakken lezen en schrijven, maar ook omdat deze bezigheid aanleiding kan geven tot de bestudering van vele andere dingen. Op dezelfde manier zou het vak tekenen moeten worden geleerd, niet om vergissingen te voorkomen bij eigen transacties, of om ervoor te zorgen om bij de in- en verkoop van artikelen niet bedrogen te worden, maar omdat men juist door deze studie oog krijgt voor lichamelijke schoonheid. Om altijd maar nuttige dingen na te jagen past helemaal niet bij ontwikkelde en beschaafde mensen.

Het is duidelijk dat bij de opvoeding de praktijk de voorkeur verdient boven de theorie en dat eerst het lichaam en dan pas de geest moet worden gevormd; daarom moeten jongens aan een gymnastes overgedragen worden, die diens lichaamshouding onder handen neemt en aan een paidotribes, die hem oefeningen leert.
Van de staten die tegenwoordig de naam hebben zeer veel aandacht te besteden aan kinderen, kweken sommige in hen zo’n atletische houding dat ze hen verminken en in de groei belemmeren. Hoewel de Spartanen deze fout niet hebben gemaakt, veranderen ze hun kinderen door de zware oefeningen die ze hen laten verrichten, in kleine dieren. Ze gaan ervan uit dat dit bij uitstek hun mannelijkheid ten goede komt. Maar zoals we al zo vaak hebben gezegd: opvoeding moet niet uitsluitend op één deugd zijn gericht of bij voorkeur op de zojuist genoemde. Ook al zou men dat doen, het gewenste doel wordt toch niet bereikt. Want bij andere levende wezens of bij andere volkeren zien we dat mannelijkheid niet zozeer een eigenschap is van de wildste karakters, maar juist van wat zachtere en leeuwachtige karakters.
Er bestaan veel volkeren die geen moeite hebben met het doden van anderen en met kannibalisme, zoals de Achaiërs en de Heniochi, die beiden in de buurt van de Zwarte Zee leven. Er zijn ook andere stammen van het vasteland die dit in verhouding met hen even vaak of vaker hebben gedaan. Dezen leiden wel een roversbestaan, maar leggen geen mannelijkheid aan de dag. Bovendien weten we dat de Spartanen, zolang zij als enigen vol enthousiasme hun kinderen drilden, superieur waren aan anderen, maar tegenwoordig is het zo dat zij voor anderen in de training voor sport en oorlog onderdoen. Maar hun superioriteit van vroeger hing niet af van de manier waarop ze hun jeugd trainden, maar van de omstandigheid dat zij zich trainden en hun tegenstanders niet. We kunnen hieruit concluderen dat wat tot deugdzaam gedrag leidt, in de opvoeding de voornaamste plaats moet hebben, en niet dierlijke bruutheid. Want een wolf of een ander wild dier zal niet de confrontatie aangaan met een gevaarlijke situatie die een edel doel heeft; zulke confrontaties zijn er alleen voor een deugdzame man. En ouders die in de opvoeding van hun kinderen te veel nadruk leggen op sporttraining en geen aandacht schenken aan andere onmisbare aspecten, maken van hun kinderen in werkelijkheid geen ontwikkelde mensen. Ze stomen hen in het kader van het burgerschap voor slechts één taak klaar en hierin doen dezen, zoals we al aantoonden, voor anderen ook nog onder. We moeten dan ook de Spartanen niet beoordelen naar wat ze in het verleden hebben gedaan, maar naar wat ze nu doen: tegenwoordig zijn er mensen met wie zij op het gebied van de opvoeding moeten concurreren, vroeger was dat niet het geval.
 
We zijn het erover eens dat fysieke training nodig is en op welke manier we er gebruik van moeten maken. Tot aan de puberteit moeten de oefeningen niet zo zwaar zijn en men dient een streng dieet en zware inspanning te vermijden. Want de kinderen mogen niet in hun groei worden geremd. We hebben duidelijke aanwijzingen dat dit inderdaad kan gebeuren. Op de lijst van de Olympische overwinnaars komt het slechts twee- tot driemaal voor dat dezelfde persoon zowel in de categorie van de mannen als in die van de jongens een overwinning hebben behaald. Dit komt doordat die zware trainingen die men als jongen ondergaat de krachten hebben uitgeput.
Wanneer de jongens na hun puberteit drie jaar aan andere vakken hebben besteed, dan pas is het goed dat zij zich de eerste jaren die volgen blootstellen aan zware trainingen en zich aan een streng dieet gaan houden. Men moet namelijk niet de geest en het lichaam tegelijk zwaar belasten, want beide inspanningen werken elkaar van nature tegen: lichamelijke inspanning blokkeert de ontwikkeling van de geest en andersom.

(Aristoteles, Politika VIII, 1337al0 – 1339al0)