Home Sebastien Valkenberg: ‘Je kunt je proefpersonen de gruwelijkste dingen aandoen’

Sebastien Valkenberg: ‘Je kunt je proefpersonen de gruwelijkste dingen aandoen’

Door Michel Dijkstra op 29 oktober 2006

09-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

In het laboratorium in je hoofd gelden eigenlijk geen regels, zegt Sebastien Valkenberg die een essaybundel schreef met gedachte-experimenten. In navolging van Plato en Paul Verhoeven deed hij het experiment met de onzichtbare man.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wetenschappers voeren graag experimenten uit om nieuwe kennis te verwerven. Daarin staan zij niet alleen: ook filosofen experimenteren er vrolijk op los, alleen dan zonder witte jassen, handschoenen of een tastbaar laboratorium. Toch werpen hun experimenten licht op de werkelijkheid. In zijn boek Het laboratorium in je hoofd. Of hoe filosofen te werk gaan, speelt de jonge filosoof Sebastien Valkenberg de rol van experimentator. Zo analyseert hij de onderwereld aan de hand van een dialoog van Plato en onderzoekt de war on terrorism met Rawls’ ‘sluier der onwetendheid’.

In de talloze proefschriften en stapels secundaire literatuur die Valkenberg voor zijn boek doorspitte, vond hij nergens een bruikbare definitie van het gedachte-experiment. Tot hij op de bundel The Mind’s I van de Amerikaanse filosofen Daniel Dennett en Douglas Hofstadter stuitte. In plaats van een definitie van het gedachte-experiment, analyseert het filosofische duo de werking ervan. Ze stellen dat een gedachte-experiment altijd begint met een vraag. Bijvoorbeeld: heeft de mens een innerlijke rem op immoreel gedrag of berekent hij de kans dat hij gepakt wordt?
Om zo’n probleem op de spits te drijven, overschrijden filosofen de grenzen van de werkelijkheid. Dennett en Hofstadter illustreren dit proces met de gedachte-experimentengenerator, een imaginair apparaat dat allerlei simulaties van de werkelijkheid oproept in het brein van degene die op de machine is aangesloten. De machine heeft een aantal draaiknoppen waarmee je bepaalde aspecten van het probleem kunt opvoeren of verzwakken.

De gedachte-experimentengenerator vormt de rode draad in Valkenbergs boek: ‘Ik wilde geen droge verhandeling over de belangrijkste gedachte-experimenten uit de geschiedenis schrijven, maar zelf met de knoppen spelen. Daarom koos ik voor het genre essay. In de veertien hoofdstukken van mijn boek, die je prima op zichzelf kunt lezen, behandel ik allerlei sociale, ethische en politieke kwesties aan de hand van klassieke gedachte-experimenten.’

Volgens Valkenberg kenmerkt een gedachte-experiment zich door vrijheid en engagement: ‘In het laboratorium dat in je hoofd zit, gelden eigenlijk geen regels. Je kunt je proefpersonen de gruwelijkste dingen aandoen. In tegenstelling tot echte laboranten ben je ook niet aan onderzoeksbudgetten gebonden. Maar een gedachte-experiment is nooit belangeloze luchtfietserij. Als je dusdanig ver aan een knop draait dat je proefpersoon zijn morele besef kwijtraakt, heeft dit als doel om de ware aard van de mens in een bepaalde situatie te tonen. Teruggekoppeld naar de werkelijkheid kan dit een waarschuwing zijn.’

Valkenberg vindt Philip Roths recente roman The Plot Against America een fraai voorbeeld van een hedendaags gedachte-experiment: ‘Roth stelt zich de volgende vraag: wat zou er gebeurd zijn als niet Roosevelt maar de nazi-sympathisant Charles Lindbergh in 1940 president van Amerika was geworden? De schrijver vertelt een huiveringwekkend verhaal waarin Amerika de banden met Duitsland steeds meer aanhaalt en zelfs herhuisvestingplannen voor joden bedenkt. In termen van Dennett en Hofstadter draait Roth de populismeknop extra open. Hij laat Lindbergh bij zijn campagne inspelen op de angst van het Amerikaanse volk om nogmaals bij een wereldoorlog betrokken te zijn. Dit is leerzaam voor de lezer, omdat hij door de roman inzicht in de zwakke plek van de democratie en de relativiteit van de geschiedenis krijgt. Vanuit het experiment kan hij nadenken over de huidige politieke realiteit.’

Een ander gedachte-experiment dat Valkenberg in één van essays uit zijn boek gebruikt, is afkomstig uit Paul Verhoevens thriller Hollow Man, die weer door Plato’s boek De Staat is geïnspireerd. Valkenberg: ‘In Hollow Man wordt een man onzichtbaar na een wetenschappelijk experiment en in De Staat vindt de herder Gyges een ring die hetzelfde vermogen aan de drager verleent. Na hun onzichtbaarheid degenereren beide mannen moreel. Bij Gyges gaat dat in ijltempo: binnen de kortste keren vervalt hij tot volstrekt amoreel gedrag. Het morele verval van Verhoevens hoofdpersoon verloopt meer gefaseerd. Hij begint onschuldig met verstoppertje spelen voor collega’s, bestast vervolgens een vrouw, verkracht een andere vrouw, slaat een hond dood en eindigt met de moord op zijn baas en een paar collega’s.’

De persoon die in Plato’s Staat het verhaal van de herder vertelt, betoogt dat iedereen zich zoals Gyges zou gedragen als hij de kans kreeg om onzichtbaar te zijn. Moraal is niets anders dan een conventie, vergelijkbaar met tafelmanieren. De ware aard van de mens is het bevredigen van zijn egoïstische belangen. Valkenberg plaatst in zijn essay Fenomenologie van de onderwereld de inktzwarte visie van Plato en Verhoeven tegenover die van Hannah Arendt. Deze twintigste-eeuwse filosofe was van mening dat de mens over een innerlijke noodrem beschikt die hem voor amoreel gedrag behoedt. De mens kan zich wel aan de wetgevende gemeenschap of een goddelijke instantie onttrekken, maar niet aan zichzelf. Hij moet ook met zichzelf samenleven.
 

Zware criminelen

Het ligt niet in Valkenbergs bedoeling om aan te geven wie gelijk heeft, Plato of Arendt. In plaats daarvan onderzoekt hij met gebruik van zijn bronnen een aspect van de realiteit: de onderwereld. Daartoe draait hij de onzichtbaarheidsknop van de generator, die door Plato en Verhoeven behoorlijk hoog was gezet, weer wat terug.

Valkenberg: ‘Een geheel onzichtbaar persoon zoals in de dialoog van Plato of de film van Verhoeven bestaat natuurlijk niet. Deels onzichtbare mensen wel, namelijk de zware criminelen die hun zaakjes in het verborgene regelen. Zij bevinden zich in de onderwereld, die aan ons blikveld is onttrokken. De onderwereld bestaat helemaal uit Gygessen, mensen die zich aan geen enkele morele regel houden. Ze voeren permanent oorlog tegen elkaar en soms worden wij daar plotseling mee geconfronteerd.’

Een tijdje geleden werd iemand op de Dam in Amsterdam doodgeschoten door iemand die zich niet eens vermomd had. Valkenberg stelt dat deze schaamteloosheid goed voorstelbaar is als je bedenkt dat de dader zich te lang ‘onzichtbaar’ heeft gewaand: ‘In het klein kennen we zulke situaties allemaal. Als we bijvoorbeeld ongezien een snoeppapiertje op straat gooien of doorrijden in een straat waar we eigenlijk niet in mogen op de fiets. De meeste mensen begaan deze kleine zonden besmuikt. En dat is maar goed ook. Als je je schaamt, weet je in ieder geval dat je geen Gyges in de dop bent.’