Home Rutger Bregman: ‘Luilekkerland is een ellendige plek’

Rutger Bregman: ‘Luilekkerland is een ellendige plek’

Door Jeroen Hopster op 02 juli 2013

07-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

We leven in één van de rijkste en veiligste samenlevingen van de hele wereldgeschiedenis, maar toch voedt die samenleving gevoelens van nostalgie en onbehagen. Volgens historicus Rutger Bregman moeten wij weer utopisch durven te denken.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

WAT KAN IK WETEN?
‘Er was ooit een droom, in de middeleeuwen, over hoe de wereld eruit zou zien in het paradijs. Wat had je daar dan? Gebraden ganzen die door de lucht vlogen, vlogen rechtstreeks je mond in. Rivieren van limonade en wijn. Nonnen die voortdurend hun rokken omhoog trokken. Luilekkerland, Cocagne, dat was voor de middeleeuwers zo’n beetje het idee van de perfecte wereld. Als je een middeleeuwer zou transporteren naar Nederland aan het begin van de 21ste eeuw, dan lijkt hij zo’n beetje in dat paradijs beland. Nederland is rijker dan ooit, veiliger dan ooit, obesitas schiet de lucht in en porno is in onbeperkte hoeveelheden voorradig – alleen de nonnen met opgetrokken rokjes missen nog. Maar wat blijkt, als dat paradijs eenmaal is gerealiseerd? Dat Luilekkerland een betrekkelijk ellendige plek is. In het paradijs heb je geen idealen meer, want er valt niets te verbeteren. Politici werken in termen van technische probleempjes, ze sleutelen een beetje aan de werkelijkheid, maar schetsen geen vergezichten meer, want die zijn eng en angstaanjagend. Hoe geef je nog zin aan het leven in het paradijs?’
 
WAT MOET IK DOEN?
‘Die zingevingscrisis komt niet voort uit een gebrek aan daadkracht. Een overdaad aan daadkracht was juist het probleem van voorgaande utopieën – denk aan het fascisme. Het probleem is eerder een gebrek aan denkkracht. Intellectuelen, of dat nu filosofen of historici zijn, moeten weer gaan nadenken over de vraag hoe het beter kan. Dat is niet alleen bezigheidstherapie voor salonfilosofen: denken is ook een vorm van doen. Je verandert dingen in de werkelijkheid als je ze op een bepaalde manier gaat beschrijven. Goed, niet als je ze anders beschrijft in het ‘Helsinki Journal of Postmodern Ethics’. Een discussie onder vakfilosofen, die op zeer abstract niveau en in supercomplex jargon soebatten over zaken die ze zelf nauwelijks begrijpen, dat is niet wat ik bedoel. Wat ik bedoel is dat je als intellectueel de boer op gaat met je ideeën en ze relevant maakt op politiek niveau, of in het dagelijks leven.’
 
WAT MAG IK HOPEN?
‘Wat behelst ons resterende idee van vooruitgang? Economische groei. Van links tot rechts, iedereen is het daarover eens: als de economie weer gaat groeien, dan zullen onze problemen verdwijnen. Maar tegenwoordig zegt een steeds breder bataljon van economen: groei, dat gaat er niet inzitten de komende tijd. Nou, dan denk ik, dit is het moment om in het geweer te komen en ons af te vragen: hoe kunnen we nog vooruitgang realiseren zonder dat oude opium van groei? Ik ben het eens met de socioloog Willem Schinkel, die zegt dat je een soort van utopische horizon moet hebben. Niet als blauwdruk om te verwezenlijken, maar als richting. Zo ben ik een voorstander van het streven naar een kortere werkweek. Want eigenlijk leven we nog niet in Luilekkerland; we leven nu in Lekkerland, maar zo lui is het niet. Mensen krijgen steeds meer burn-outs, kennen een hoge mate van stress en weten werk en privé niet meer te scheiden. De werkdruk is de laatste decennia gegroeid, terwijl uit alle peilingen blijkt dat wij wel wat minder willen. Dat valt aardig samen met het idee om ook wat minder te consumeren. Daarom vind ik die kortere werkweek een interessant voorstel: het heeft utopische trekjes, maar je kan het al polderend doorvoeren. Ik heb niets tegen polderen, maar daarbij heb je wel een richting nodig. Je moet ergens naartoe modderen.
 
Laten we dus op zoek gaan naar nieuwe manieren om vooruitgang te definiëren. Wat betekent vooruitgang vandaag de dag? Meer koopkracht? Nee, dat is het niet. Mensen willen vooral meer zekerheid. En als er één trend is aan het begin van de 21ste eeuw, dan is het wel dat het leven steeds onzekerder wordt. Neem de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Beslissingen daarover worden genomen op grond van efficiëntie en rendement, met als stille aanname: dat maakt het leven van mensen beter, efficiëntie betekent vooruitgang. Maar intussen krijgen we wel steeds meer burn-outs. Misschien is een beetje inefficiëntie ook wel een vorm van vooruitgang. Want laten we eerlijk zijn: de dingen die het leven een beetje de moeite waard maken – zeg, het lezen van Filosofie Magazine – zijn hartstikke inefficiënt.’
 
WAT IS DE MENS?
‘In de grote geschiedenis van de mens heeft een drietal versnellingen plaatsgevonden. 50.000 jaar geleden, dat was ongeveer de tijd dat mensen begonnen te dansen, te zingen en te spreken – dat wat wij later ‘cultuur’ zijn gaan noemen. Met die cultuur ontstond een vorm van informatie die overerfbaar is, die je doorgeeft van generatie op generatie, maar die niet in je genen zit. Dat is een baanbrekende vorm van vooruitgang. We hebben tegenwoordig sterk een mensbeeld à la Dick Swaab, wij zijn ons brein, maar wat de mens juist uniek maakt binnen het dierenrijk is dat wij onze breinen zijn. Samen vormen wij inter-acterende breinen, die informatie aan volgende generaties doorgeven in cultuur en geschrift. De volgende versnelling was de landbouwrevolutie, ongeveer 10.000 jaar geleden. En dan de derde versnelling – de meest spectaculaire – die begon zo’n 200 jaar geleden, met op politiek niveau de Franse Revolutie en op technologisch niveau de Industriële Revolutie. Die vooruitgang is voortdurend blijven doorversnellen: we leven nu in een soort permanente revolutie.
 
Het beeld van de vooruitgangsgeschiedenis is niet alleen maar positief. Het is het beeld van een kar die heel snel omhoog rijdt, richting de hemel. Maar er zitten allerlei kuilen in de weg, die je zomaar laten ontsporen. De vooruitgang maakt slachtoffers, het is een geschiedenis van creatieve vernietiging. En als we maar ver genoeg uitzoomen, dan blijkt die hele vooruitgangsgeschiedenis nogal pietluttig, want op een gegeven moment zal Homo sapiens weer verdwijnen, dat leidt geen twijfel. Maar als we inzoomen, dan krijgt de geschiedenis betekenis. En dat is nu net waar Homo sapiens niet zonder kan: betekenis geven aan dingen die eigenlijk betekenisloos zijn. Zingeving.’