Wat Montaigne echter uniek maakt, is dat bij hem het gewone en het lagere, in bovenstaande context gevat in de woorden mol en lache (‘week’ en ‘slap’), een positieve waardering krijgen. Het klassieke en christelijke streven naar het overstijgen van het lichamelijke door het geestelijke wordt verruild voor de waarheid van het alledaagse, het gewone, dat het doel van zijn zoektocht vormt. En, in weerwil van wat geleerden in de twintigste eeuw allemaal over zijn paradoxen, ongelovigheid of juist orthodoxie hebben geschreven, de schrijver van de Essais geraakt consequent tot die ene waarheid van het gewone volgens een consistente logica. Dit is althans wat Ann Hartle in haar recent verschenen boek betoogt.
Mes op de pols
Montaigne noemt zichzelf een ‘accidenteel filosoof’ omdat hij zijn grillen en gewoonten niet heeft afgeleid van een leer of voorbeeld. Zijn gedachten vormen een organische eenheid met hem zelf, ze zijn een natuurlijk gegeven, en keer op keer verbaast het hem dat ze overeenkomen met een filosofische leer. Accidentele filosofie (legt Hartle uit) is dus een ‘verlaagde’ vorm van filosofie, en ‘laag’ is hier uiteraard ironisch, want accidentele filosofie is wat de filosofie werkelijk is. Montaignes denken ontdekt een waarheid die er al was vóór de filosofie. Het regeert niet over de dingen, maar staat open voor wat is.
Hartle maakt duidelijk hoe Montaignes denken niettemin een logica kent, die ze cirkel-dialectiek noemt: een gedachte keert altijd terug naar haar uitgangspunt, via het tussenstadium van het tegendeel. De stappen die Montaigne in zijn denken zet zijn die van het gewone en particuliere naar het universele en weer terug naar het gewone als meest plausibele waarheid en hoogste wijsheid. Het gewone als begin en eind van Montaignes denken is waar hij zich over blijft verwonderen. Het is Montaignes zelf: zijn doodgewone midden, niet zijn kop of zijn voeten, maar dat wat daartussenin zit.
Gewone man
Hartle wil uiteindelijk komen tot een sluitende blik op Montaigne als scepticus, zaken waarover in de loop der tijd al zo veel uiteenlopends is geschreven. En hoewel ze wat betreft zijn scepticisme tot een redelijk overtuigende synthese komt, kun je je twijfels over haar methode hebben.
Hartle heeft bewust gekozen voor een conceptuele benadering en geen mentaliteitsgeschiedenis of (literair-)historische analyse willen schrijven. Deze keus heeft zo zijn gevolgen voor het beeld dat zij van Montaigne en zijn Essais geeft. Hartle bedt haar argumentatie in in verwijzingen naar veel latere schrijvers, merendeels twintigste-eeuwse denkers en weekt Montaigne-de-filosoof goeddeels los van de historische situatie en zestiende-eeuwse intertekstualiteit. Dat werkt vertekenend, bijvoorbeeld wanneer ze stelt dat de Essais indertijd een uitzondering waren wat betreft de prominente aanwezigheid van het lichaam. Echter, de uitgebreide beschrijving van het lichamelijke wekte in die tijd geen verbazing, wel het feit dat de schrijver het lichaam niet ziet als het lagere dat verlaten moet worden voor het hogere, geestelijke. Als we op Hartle af moeten gaan, was er weinig vóór en alles ná Montaigne. Hier wreekt zich haar methode om Montaigne beter te begrijpen en te benadrukken dat hij echt een filosoof is. Ze noemt Montaignes filosofie ‘pre-filosofisch’ en komt tot de conclusie dat Montaigne een proto-fenomenoloog is, een voorloper van de twintigste-eeuwse stroming die vaak een belangrijke rol aan het lichaam toekent en onbevooroordeeld (dat betekent meestal niet gekleurd door de wetenschap) wil kijken naar de wereld. Had zij de Essais vooral in hun eigen, zestiende-eeuwse, context bezien — waarin de coördinaten filosofie, retorica en logica van fundamenteel belang zijn — dan was Montaigne niet minder als filosoof te voorschijn gekomen. Wel meer als een wijsgeer van het door hemzelf zo gewaardeerde vlees en bloed, binnen een ander tijdsgewricht met een andere literaire stand van zaken en mentaliteit, waaruit Montaigne dan in laatste instantie weer als verbazingwekkend gewoon wezen naar voren had kunnen stappen.
Wie Montaigne als ‘gewone man’ in actie wil zien, moet vooral het nieuwe deeltje van zijn vertaalde essays aanschaffen. Ook daarin schrijft hij met enthousiasme over ‘het lagere’: over hypocrisie en dronkenschap, maar ook over droefheid, angst en de tactiek tijdens een oorlog. Het lagere blijkt het hogere nooit uit te sluiten: een man heeft pijnlijke zweren op zijn geslachtsdelen die tot de dood zullen leiden – de schijn van seksuele perversie is niet ver weg. Zijn vrouw besluit tot een misschien te vergaande, maar in ieder geval ‘hoogstaande’ vorm van opoffering: ze maakt samen met haar man een eind aan hun leven.
Michel de Montaigne. Accidental Philosopher, door Ann Hartle, Cambridge University Press 2003, 312 blz., £ 45,-
Drijf je vijand nooit in het nauw, door Michel de Montaigne, vert. Hans van Pinxteren, uitg. Athenaeum – Polak en Van Gennep, Amsterdam 2003, 351 blz., € 29,50