Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

vrijdag 19 maart 2021

‘Niemand komt alleen ter wereld’

Tim Miechels

Wat als er aan je geboorte een immorele handeling ten grondslag ligt? In de VPRO-documentaireserie Het Zaad van Karbaat zien we de nazaten van vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat – die heimelijk zijn eigen zaad bij vrouwen inbracht – worstelen met die vraag. Volgens filosoof Christina Schües is het belangrijk om zoveel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de verhalen rond je eigen geboorte. Ook als die verhalen pijnlijk en complex zijn.

Iedereen wordt geboren en iedereen gaat dood. Maar hoewel veel filosofen geschreven hebben over onze sterfelijkheid, is de betekenis van geboren worden een onderwerp dat ‘vreselijk verwaarloosd is in de geschiedenis van de filosofie’, meent de Duitse hoogleraar filosofie Christina Schües. Om die reden schreef ze een boek over het filosofisch belang van ‘geboren zijn’: Philosophie des Geborenseins (2016).

Door onze geboorte zijn we volgens Schües meteen al in tal van relaties ingebed: ‘Je bestaat dus niet eerst als autonoom individu; vanaf het begin besta je in en door relaties. De relatie tot je moeder, en vaak ook tot je vader, tot broers of zussen, het ziekenhuispersoneel, de vrienden van je ouders. Maar zelfs al voor je geboorte: een vrouw kan niet in haar eentje zwanger worden, dus zwanger worden zelf is al relationeel.’

Die relaties zijn natuurlijk niet bij iedereen hetzelfde. ‘Zwangerschap kan bijvoorbeeld ontstaan door seks in een liefdevolle of juist gewelddadige relatie, het kan in een ziekenhuis of laboratorium gebeuren, door een one night stand, noem maar op.’ Geen enkel mens is dus hetzelfde volgens Schües: ‘Doordat we allemaal van verschillende mensen afstammen en in verschillende relaties geboren worden, hebben we allemaal een ander verhaal. We zijn allemaal verschillend van onze tijdgenoten, maar ook van de mensen in het verleden en in de toekomst. Er zijn eindeloos veel verschillende verhalen, maar niemand komt alleen ter wereld.’

Wat betekenen die relaties voor onze identiteit?
‘Als je vraagt “wie ben jij?” dan beantwoorden de meeste mensen die vraag in eerste instantie in termen van hun beroep, hobby’s en interesses. Maar dat is niet het volledige antwoord op de vraag. Als ze dieper over die vraag nadenken, denken ze vaak aan waar ze vandaan komen. Niet in geografische, maar in narratieve zin. Wie was er betrokken bij mijn geboorte? Wat zijn de verhalen over mijn eerste levensjaren? Wie is mijn familie?

Voor sommige mensen is dit een duidelijk verhaal. Ze kennen de plek waar ze geboren zijn en ze kennen hun stamboom tot drie generaties terug. Mensen met zo’n transparante achtergrond hebben vaak minder brandende vragen over hun biografie. Maar er zijn ook andere verhalen. Na de Tweede Wereldoorlog waren er in Duitsland veel vrouwen die kinderen kregen van soldaten. Deze vrouwen wisten achteraf vaak niet wie precies de vader van hun kind was. Die kinderen zijn juist erg geïnteresseerd in hun anonieme vader, omdat ze willen weten wie ze zijn en waar ze vandaan komen. Deze vragen hangen ook samen met een diep, moeilijk onder woorden te brengen gevoel van ergens bij te horen, of in sommige gevallen juist met een gebrek daaraan.’

Is het daarom ook zo ingrijpend om erachter te komen dat je biologische vader een donor was?
‘Dat is vooral een vertrouwenskwestie. Erachter komen dat je opvoedvader niet je biologische vader is, vooral een grote schok als je daar pas op latere leeftijd of per ongeluk achter komt. Als je een kind niet vertelt dat zijn opvoedvader niet zijn biologische vader is, dan hou je een belangrijk feit over zijn bestaan achter. Dat is bedrog, verraad zelfs. De ouders weten ervan en houden de informatie bewust achter, ze maken dus de bewuste beslissing het kind te verraden. Dat is erg verontrustend. Als je kijkt naar verhalen van kinderen die er later achter kwamen, dan hadden ze vaak hun hele leven al het gevoel dat er iets niet klopte. Dat gevoel van verbondenheid ontbrak. Je wilt toch niet dat je kinderen opgroeien met zo’n onbestemd gevoel? Als je daarentegen open en eerlijk bent en je kind groeit op met de kennis van wat er gebeurd is, dan is de impact van het feit dat je opvoedvader niet je biologische vader is niet zo groot.’

De afgelopen weken zond de VPRO de documentaireserie Het zaad van Karbaat uit, van documentairemaker Miriam Guttmann. In die serie zien we hoe vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat stiekem zijn eigen zaad gebruikt om meer dan 65 vrouwen te insemineren. Zie je bij zijn donorkinderen hetzelfde gevoel verraden te zijn?
‘In dit geval is er niet alleen een probleem met vertrouwen. De schok ontstaat hier ook omdat deze kinderen mogelijk honderden halfbroers en zussen hebben. Voor hen lijkt het nu alsof iedereen van een bepaalde leeftijd een broer of zus zou kunnen zijn. Wat het extra schokkend maakt, is Karbaat meer kinderen voortbracht dan bij wet is toegestaan. Daardoor ligt er aan hun geboorte een criminele handeling ten grondslag. Naast crimineel was zijn manier van handelen ook immoreel, want hij heeft de moeders misleid en zijn eigen zaad naar binnengesmokkeld onder een sluier van anonimiteit. De nazaten van Karbaat hebben dus nu een verhaal van criminaliteit, misleiding en verraad achter zich, dat lijkt me erg verontrustend.’

In de documentaire is er één biologische dochter van Jan Karbaat die zegt dat ze haar morele kompas niet meer vertrouwt sinds ze weet dat hij haar biologische vader is. Eerder had ze daar geen problemen mee. Is het in sommige gevallen niet beter om niet te weten wie je vader is?
‘Het recht om het niet te weten is natuurlijk belangrijk. Ik zou nooit zeggen: je móét weten wie je biologische vader is. Maar dat zij haar kompas nu niet meer vertrouwt, hangt samen met iets anders. In onze samenleving is de biologische manier van denken op dit moment dominant. Hierdoor vraag je je snel af: welke eigenschappen heb ik geërfd van mijn ouders? Als we het hebben over een moreel kompas dan is dit een monocausale manier van denken: van biologisch feit naar sociaal gedrag.

Dit soort fantasieën over overerfbare eigenschappen worden ook sterker naarmate je minder weet over de narratieve context van je geboorte. Die dochter moet juist meer te weten komen om haar zelfbeeld en het vertrouwen in haar morele gevoel te herstellen. Ze moet meer te weten komen over wat er gebeurd is en over haar verschillende relaties. Over hoe verschillend en hetzelfde ze überhaupt is ten opzichte van anderen, zowel van biologische familieleden als anderen. En over wat verbondenheid aan een familie voor haar betekent.’

Tussen de kinderen van Karbaat ontstaat een hechte band. Ze zien veel onderlinge overeenkomsten en vinden daarin een nieuw soort verbondenheid. Twee broers laten allebei een tatoeage zetten: Karbastard. Wat voor rol speelt het biologische denken hier?
‘De identiteit van deze mensen is door elkaar geschud omdat de vraag “waar kom ik vandaan” nu een ander antwoord krijgt. Dit was een schok. Deze mensen hadden een reset nodig, een nieuw antwoord op deze vraag: “wie ben ik?” Maar niemand kon echt antwoord geven op die vraag. In zo’n netwerk van biologische broers en zussen kan je op zoek naar antwoorden samen met mensen met een gelijksoortig biologisch en sociaal verhaal. Natuurlijk komen er in die zoektocht overeenkomsten aan het licht. We weten dat mensen bijvoorbeeld uiterlijk op elkaar lijken als ze genetisch met elkaar verwant zijn. Overigens is dat ook het geval als ze sociaal gezien dicht bij elkaar staan. Stellen die lang samenwonen gaan bijvoorbeeld op dezelfde manier bewegen en lijken daardoor ook op elkaar. Verbondenheid is niet alleen biologisch, maar voor een belangrijk deel sociaal. In het geval van de Karbaat-kinderen is vooral het gedeelde verhaal over hun geboorte een belangrijk uitgangspunt.

Die tatoeage is interessant omdat het een soort herinseminatie is: wat anoniem en door misleiding gebeurde, wordt nu vrijwillig bevestigd. De tatoeage is een fysieke markering die zegt: ik neem mijn identiteit in eigen hand. Het is een krachtige emanciperende act. Door iets in je eigen lichaam te graveren bevrijd je jezelf van een geschiedenis van bedrog. Je eigent je je identiteit en lichaam weer toe.’

In de documentaire voelen een aantal moeders zich gekwetst doordat hun kinderen meer informatie zoeken over Karbaat. Hoe verhoudt het perspectief van de moeder zich tot het recht van het kind om alles over zijn afkomst te weten?
‘Het standpunt van de moeders is natuurlijk goed te begrijpen. Het is overigens erg gebruikelijk dat opvoedouders zich gekwetst voelen wanneer kinderen op zoek gaan naar informatie over hun biologische vader. Kinderen hebben de neiging de anonieme donor te idealiseren, wat natuurlijk niet leuk is voor de opvoedouders. In het geval van Karbaat is de situatie nog erger: deze vrouwen zijn verraden en in zekere zin misbruikt. Bovendien wisten de ouders ook niet wat er speelde en konden dit dus niet bespreken met hun kinderen.

Toch denk ik niet dat het feit dat moeders en families zich gekwetst voelen een reden moet zijn om het verhaal dan maar stil te houden. Ook de moeders moeten een deel van hun levensverhaal resetten. Ze zouden hiervoor bijvoorbeeld contact kunnen zoeken met de andere moeders. Op die manier kunnen ze hun gevoelens van verraad en pijn met elkaar delen, en hun verbazing over kinderen die meer willen weten over Karbaat. Ze moeten ook goed blijven praten met hun kinderen en zich realiseren dat een zoektocht naar meer kennis en nieuwe relaties niet per definitie de liefde voor de bestaande familie vermindert.’

Kijk Het Zaad van Karbaat hier terug.