Meister Eckhart "Alle wezens zijn één met God."

Als reactie op de versmachtende omhelzing waarmee godsdienst en filosofie elkaar tijdens de Middeleeuwen omstrengelden, wendde Meister Johann Eckhart (ca. 1260-1328) zich tot de mystiek. Eckhart heeft nooit een systematische filosofie ontwikkeld. Zijn geschriften zijn daarom het beste te lezen als persoonlijke notities bij de twee grote polen van de mystiek: God en de menselijke ziel. God is voor de mens volstrekt onkenbaar en iedere eigenschap die we aan Hem willen toekennen schiet te kort. Hij is als het ware de afgrond van het niets, waar alles in verdwijnt. De menselijke ziel is geschapen naar het evenbeeld van God en bestaat uit een drieeenheid: kennen, voelen en willen, wat overeenkomt met de deugden geloof, hoop en liefde. Boven deze drie staat de Goddelijke vonk. De taak van de mens is het nu om met zijn ziel op te stijgen naar God. Concreet betekent dit dat alle zonden geweerd worden, er gestreefd wordt naar gelatenheid en er afstand wordt gedaan van alles wat werelds is. Het uiteindelijk ideaal is afstand doen van het eigen ik en opgaan in Gods wil.
 

Opmerkelijk

Eckhart was dominicaner monnik en doceerde theologie aan de universiteit van Parijs. Tegen hem liepen verschillende onderzoeken wegens vermeend pantheïsme en andere vormen van ketterij. Eckhart zou op aandrang van de paus een aantal stellingen terug hebben genomen. Na zijn dood veroordeelde de paus alsnog 28 stellingen.