Home Vrouwelijke denkers Maureen Sie: ‘Dit is typisch neuroseksisme’
Vrouwelijke denkers

Maureen Sie: ‘Dit is typisch neuroseksisme’

Door Suzanne van den Eynden op 26 februari 2014

Maureen Sie: ‘Dit is typisch neuroseksisme’
Cover van 03-2014
03-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens neurowetenschappers hebben mannen en vrouwen een ander brein en verklaart dat verschillen in gedrag. Maar wat betekent dat voor de strijd tegen seksistische vooroordelen? Hebben die nu een wetenschappelijke rechtvaardiging gekregen? Allerminst, stelt hoogleraar Maureen Sie.

‘Hersenonderzoek bevestigt vooroordelen over mannen en vrouwen.’ ‘Breinonderzoek onthult opmerkelijke verschillen tussen mannen en vrouwen.’ ‘Man versus vrouw: clichés verklaard vanuit de neurologie.’ De afgelopen tijd buitelden media over elkaar heen om de blijde boodschap te brengen: neurologisch onderzoek zou aantonen dat stereotyperingen over mannen- en vrouwengedrag niet op vooroordelen berusten, maar kunnen worden bewezen vanuit de verschillen tussen het mannen- en vrouwenbrein. Bij mannen zou de communicatie tussen de hersenhelften beter zijn, terwijl bij vrouwen de bedrading juist sterker ontwikkeld leek van links naar rechts en weer terug.

Nu mannen en vrouwen ook neurologisch gezien duidelijk van elkaar verschillen, is de vraag of vooroordelen over mannen en vrouwen daarmee feiten zijn geworden. En of we de strijd tegen seksistische vooroordelen beter kunnen staken, nu die een wetenschappelijke rechtvaardiging hebben gekregen?

De persoon om deze vragen aan voor te leggen is Maureen Sie (1966), bijzonder hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Universiteit Leiden en universitair hoofddocent meta-ethiek en morele psychologie aan de Erasmus Universiteit. Sie betrekt recente ontwikkelingen in gedrags-, cognitie- en neurowetenschappen op filosofische discussies. De berichtgeving over sekseverschillen in hersenhelften laat volgens haar goed zien waarom meer filosofische bemoeienis met wetenschappelijk onderzoek is gewenst. ‘Filosofen prikken iets gemakkelijker door hilarische claims heen. Dit soort onderzoek lijkt me een prototype van neuroseksisme en het bewijst helemaal niets. En al helemaal niet, zoals sommige krantenkoppen suggereerden, dat er grote aangeboren verschillen bestaan tussen de breinen van mannen en vrouwen. Natuurlijk zijn er biologische verschillen tussen mannen en vrouwen: vrouwen baren kinderen en zitten hormonaal anders in elkaar. Dat weten we allang. Maar dit onderzoek toont bijvoorbeeld geen causaal verband aan tussen neurologische verschillen en verschillen in talenten. Het laat niet zien of de gevonden structurele verschillen corresponderen met en oorzaak zijn van de functionele verschillen. De stereotypen worden dan ook allerminst bevestigd.’

Sterker nog, zegt Sie: het is goed mogelijk dat de onderzoekers juist de vooroordelen zelf hebben gemeten. ‘Nergens in het brein zitten gedeeltes waar functies als “autorijden” of “roddelen” of “kaartlezen” te zien zijn. Het gevaar bestaat dat een onderzoeker van tevoren een idee heeft over wat mannen goed kunnen, naar een mannenbrein kijkt en daar een functie ziet die correspondeert met de vaardigheden die nodig zijn voor een “typisch mannelijke” bezigheid. Het is net zo goed mogelijk dat verschillen tussen mannen en vrouwen voortkomen uit de manier waarop de samenleving is ingericht en de stereotiepe manier waarop we jongens en meisjes opvoeden. Misschien zijn die verschillen in opvoeding gemeten.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ongewild beïnvloed
En stel dát er verschillen tussen de hersenhelften van mannen en vrouwen worden gevonden, vertelt die kennis ons dan iets over de manier waarop we de samenleving moeten inrichten, vraagt Sie zich af. ‘Stel dat aangetoond wordt dat meisjes van nature minder goed in wiskunde zijn – wat overigens niet het geval is. Moeten we dan alle meisjes extra wiskundeles geven? Of moeten we wiskunde voortaan aan mannen overlaten? Het lijkt me zinniger om bijles af te stemmen op individuele verschillen, zoals nu al gebeurt, dan om alle meisjes meer wiskundeles te gaan geven. Individualiteit lijkt mij belangrijker dan egaliteit. We weten ook dat vrouwen kinderen krijgen en als ze zwanger zijn negen maanden met een ander lichaam rondlopen. Dat betekent ook niet dat ze niet worden aangenomen voor banen die fysieke arbeid vereisen. In plaats daarvan hebben we ervoor gekozen onze sociale voorzieningen zo in te richten dat de kosten van de tijdelijke afwezigheid van zwangere vrouwen worden opgevangen. We vinden het belangrijk dat vrouwen aan het arbeidsproces kunnen deelnemen in een baan naar keuze.’

Volgens Sie is het zinniger energie te steken in het opheffen van de ongelijkheid die er nog steeds is. Samen met haar promovenda Nicole van Voorst Vader doet Sie onderzoek naar de vraag waarom het maar niet lukt de samenleving zo in te richten dat de ongelijkheid tussen de seksen verdwijnt. Eén van de hypothesen is dat impliciete vooroordelen – invloeden op ons gedrag die we niet registreren – mede oorzaak zijn van die hardnekkige ongelijkheid. Recent onderzoek van de Amerikaanse Yale-universiteit toont aan dat bij precies dezelfde cv’s die van mannen hoger worden gewaardeerd dan die van vrouwen. Die hogere waardering is waar te nemen binnen alle lagen van de organisatie. Hetzelfde gebeurt wanneer op het cv een westerse en een niet-westerse naam staan.Sie: ‘Het is niet zo dat we bewust naar de naam op het cv kijken en daaruit een conclusie trekken over vrouwen of niet-westerse allochtonen. Wat er wellicht gebeurt, is dat de naam associaties en gevoelens oproept die ons ongemerkt en ongewild beïnvloeden.’

Impliciete associaties
Benieuwd hoe het is gesteld met mijn eigen impliciete vooroordelen doe ik op aanraden van Sie de Implicit Association Test op de site van Harvard University. De test vraagt mij om snel en zonder nadenken een aantal bèta- en alfavakken te categoriseren onder de twee rijen met daarboven ‘man’ en ‘vrouw’. Ik klik, associeer en categoriseer, en wacht met spanning op de uitslag: ‘Sterke associatie tussen mannen en bèta en vrouwen en alfa.’ Daar ben ik even stil van. Ik ken vrouwelijke bouwkundigen, geologen en hoogleraren, en vind het volkomen normaal dat zij deze beroepen uitoefenen. De eerste gepromoveerde wiskundige die mij te binnen schiet, is een vrouw. Maar de Implicit Association Test maakte korte metten met mijn vermeende sekseneutraliteit. De test wijst uit dat diep in mij blijkbaar de overtuiging leeft dat bètavakken zoals astronomie en natuurkunde typisch mannelijk zijn, terwijl ik muziek, Engels en geschiedenis automatisch met vrouwen en vrouwelijkheid associeer. Val ik even door de mand.

Impliciete associaties zijn echter niet hetzelfde als bewuste vooroordelen, stelt Sie mij gerust, en ze zijn ook zeker niet alleen maar slecht. ‘Het is bijzonder zinvol dat we informatie snel kunnen verwerken en snel kunnen reageren op wat ons overkomt. Als je iets met grote snelheid op je af ziet komen, spring je weg en ga je niet eerst rustig na of er werkelijk gevaar dreigt. Als je iemand ziet wegrennen met een dure tas, grijp je hem in zijn kraag.’

Onderzoeken zoals de Implicit Association Test tonen volgens haar bovendien aan dat mensen vaak niet ‘met opzet’ seksistisch of racistisch zijn. De test laat vooral zien dat impliciete vooroordelen blijkbaar ook kunnen doorwerken als je geen seksistische of racistische opvattingen hebt. ‘Dat maakt het natuurlijk niet minder frustrerend voor een Marokkaanse jongen die nog nooit iets kwaads heeft gedaan dat iedereen naar zijn tas grijpt zodra hij de bus binnenkomt, of voor een vrouwelijke hoogleraar om steeds te worden aangesproken als secretaresse, of voor een man die als kleuterleider aan de slag wil maar omdat mannen niet met dit beroep worden geassocieerd niet aan de bak komt. Het slachtoffer van vooroordelen is altijd een individu. We kunnen niet ontkennen dat stereotypen iets zeggen over de realiteit zoals wij die tot nu toe hebben ervaren, maar de vraag moet zijn: is het acceptabel dat we daarmee ook mensen tekortdoen?’

Als we vinden dat dat niet het geval is, is bewustwording van impliciete vooroordelen een eerste stap naar correctie, stelt Sie. ‘In de VS besloot een orkest dat heel lang tevergeefs op zoek was naar vrouwelijke hoboïsten audities voortaan achter gordijnen te houden, zodat niet zichtbaar was of er een man of een vrouw aan het spelen was. Binnen no time was het verschil in aantallen mannelijke en vrouwelijke hoboïsten in het orkest opgeheven.’

In hoeverre zijn mensen verantwoordelijk voor hun vooroordelen als deze impliciet zijn? Sie vindt dat een lastige vraag. ‘Misschien ben ik niet bij machte om mijn vooroordelen te corrigeren. Maar als ik het belangrijk vind om niet door mijn vooroordelen te worden geleid, kan ik maatregelen nemen om te zorgen dat ze niet effectief worden. Ik kijk tentamens en opdrachten bijvoorbeeld altijd anoniem na.’

Positieve discriminatie is een andere methode om achterstanden weg te werken. ‘De redenering is dat als meer vrouwen in de wetenschap, de politiek en het bedrijfsleven werken onze reacties op die vrouwen ook veranderen. We gaan het dan normaler vinden dat vrouwen bijvoorbeeld op de filosofiefaculteit ook de functie van hoogleraar vervullen.’ Het probleem van positieve discriminatie is wel dat een andere groep er juist last van heeft. ‘Voor een man is het heel vervelend een baan niet te krijgen alleen omdat hij een man is. Toch is het veranderen van de wereld de belangrijkste garantie om vooroordelen te veranderen.’

In de discussie over positieve discriminatie mist Sie wel de ambitie om ook mannen voorrang te geven in typisch vrouwelijke beroepen. ‘Het cynische is alleen dat dit beroepen zijn die minder geambieerd worden. Daarnaast suggereren onderzoeken dat de status van een beroep naar beneden gaat op het moment dat meer vrouwen het gaan uitoefenen.’

Overigens ervaart Sie als een van de weinige vrouwelijke hoogleraren filosofie ook voordelen van haar vrouw-zijn in een mannenwereld. ‘Van mij wordt het al snel leuk gevonden dat ik een wetenschappelijke carrière heb en twee kinderen. Op mannen met zorgtaken wordt volgens mij anders gereageerd. Bovendien herinneren mensen zich mij eerder: ik ben doorgaans de enige vrouw in een rij van acht mannelijke sprekers.’