Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 2/2017

Liever geen touwtje uit de brievenbus

Ivana Ivkovic
filosoof

Ivana Ivkovic over onze vertrouwenscrisis. Is de terugkeer naar de knusse en familiale sfeer wel het goede antwoord? 

Is Nederland in een vertrouwenscrisis beland? Cijfers van een recent CBS-onderzoek laten zien dat twee op de drie Nederlanders zeggen geen vertrouwen te hebben in de landelijke en de Europese politiek. Zeven op de tien Nederlanders vertrouwen de media niet. De pessimistische conclusie luidt: we leven in een verweesde samenleving, waar de burgers zich vervreemd en verraden voelen omdat hun belangen niet langer worden vertegenwoordigd, waar ze overgeleverd zijn aan de mechanismen van de markt, globalisering en migratie, terwijl ze het gevoel hebben dat ze constant worden voorgelogen. Geen vrolijk beeld, maar voor iedereen herkenbaar, temeer omdat de angst in het hoekje van ieders bewustzijn aanwezig is: dit gaat niet goed. Wij zijn bang dat zonder vertrouwen als lijmmiddel de maatschappij uit elkaar valt. Daarom zijn we zo dankbaar als Jan Terlouw tien minuten tv-tijd neemt en rechtstreeks in de camera zijn zorgen uitspreekt, treurt om de verloren onschuld van de samenleving waar overal ‘touwtjes uit de brievenbus hingen’, en hoopt dat het op een dag weer zo kan zijn.

Wat zit daarachter? Verlangen we naar die knusse, familiale sfeer, waar we ons helemaal veilig voelen en iedereen welkom is? Als Nederland ooit al zo was – sommigen zouden die sfeer eerder in verband brengen met benepenheid –, dan nog is de maatschappij te veel veranderd voor een dergelijke dorpse mentaliteit. Eigenlijk willen we helemaal geen touwtjes uit de brievenbus, behalve als een nostalgisch idee waar we ons aan kunnen laven. Niet eens omdat we bang zijn dat er een enge buitenlander met een mes binnen zou kunnen vallen. Wij willen niet eens dat onze moeders onaangekondigd binnenkomen. Het verlangen naar ‘touwtjes uit de brievenbus’ is misplaatst. Bovendien: het is misleidend, want vertrouwen draait helemaal niet om een onbeperkte toegang tot de intieme, familiale sfeer. Maar waar gaat het dan wel om?

Illustratie: StudioVonq

Juist in de contacten ‘buiten de deur’ speelt vertrouwen een belangrijke en zelfs transformerende rol voor de samenleving. Zo heeft de filosoof Francis Fukuyama in de moderne klassieker uit 1995 The Social Virtues and the Creation of Prosperity laten zien dat verschillen in vertrouwen een grote impact hebben op de maatschappelijke en economische organisatie van een land, en zelfs het welvaartsniveau. Fukuyama maakt onderscheid tussen landen als Nederland, Duitsland en ook Scandinavië, die volgens hem high trust societies zijn, terwijl landen als Frankrijk of Italië als low trust societies gelden. Fukuyama keek naar het vertrouwen dat mensen hebben in anderen buiten de eigen familie of vriendenkring, waarmee ze allerlei sociale en zakelijke transacties aanknopen, en stelt dat maatschappijen met hoog vertrouwen een hoger niveau van welvaart bereikten in de periode sinds de Tweede Wereldoorlog. In Italië of Frankrijk bijvoorbeeld mislukken hervormingen vaak vanwege botsingen tussen de regering en oppositie, of vanwege massale stakingen. Overheid of werkgevers worden eerder als vijanden gezien, onderlinge verschillen zijn lastiger te overbruggen. Ook is in low trust societies de sociale mobiliteit lager, vanwege de macht van familiale verbanden of clans. Maatschappijen met een hogere vertrouwensgraad hebben ook een andere economie: vaker worden er grote bedrijven of corporaties opgericht, in plaats van kleinere familiebedrijven – ook op zakelijk vlak knopen mensen vaker relaties met elkaar aan buiten de eigen kring.

De analyse van Fukuyama leert een aantal dingen. Vertrouwen heeft volgens hem een zeer stimulerend effect op een land, in sociaal en economisch opzicht. Het dient dus tot meer dan alleen maar de maatschappij aangenamer te maken. Maar interessanter nog is om te kijken naar de rol die vertrouwen als sociaal bindmiddel speelt. Wij denken bij vertrouwen namelijk algauw aan de veiligheid en knusheid die we voelen in een eigen bekende kring, van familie, vrienden of nabije collega’s. Ze heten niet voor niets ‘vertrouwelingen’. Maar de maatschappelijke rol van vertrouwen die Fukuyama in kaart brengt, speelt zich af buiten deze familiale kring, buiten het ‘eigen dorp’. Vertrouwen is juist nodig om de verschillen en opposities die buiten deze eigen kring bestaan te overbruggen. Door vertrouwen kunnen, bijvoorbeeld, burgers bepaalde overheidsmaatregelen, zeker de mogelijk pijnlijke zoals de verhoging van de pensioenleeftijd, anders zien dan als een aanval op hun persoonlijke welzijn. Ze begrijpen die in het licht van het algemene belang. Werkgevers worden niet alleen als vijandelijke krachten gezien, die eropuit zijn om werknemers uit te buiten, en potentiële zakenpartners worden niet beschouwd als haaien die louter op eigen gewin uit zijn. Vertrouwen bepaalt, aldus Fukuyama, de mate waarin de burgers van een land spontane verbanden aanknopen en gezamenlijk ergens de schouders onder zetten.

Illustratie: StudioVonq

Jaloerse partner

De Franse filosoof Pierre Rosanvallon schrijft dat vertrouwen juist relevant wordt in een domein tussen weten en niet weten, tussen volledige zekerheid en het totale ontbreken daarvan. Als ik namelijk alles weet over een persoon, dan hoef ik hem niet te vertrouwen. Vergelijk dit met een relatie in de privésfeer: als ik alles weet van mijn partner, dan speelt vertrouwen juist geen rol. Sterker nog: als ik volledige transparantie zou eisen, dan zou ik dat vertrouwen juist kapotmaken – denk bijvoorbeeld aan een jaloerse partner die alles van de ander wil weten. Andersom – als ik van een persoon helemaal niets weet – is vertrouwen onmogelijk; dan verlaat ik me op iemand op goed geluk, en dat is een beetje dwaas. Vertrouwen gaat dus hand in hand met semi-transparantie. Dit is relevant voor ons, nu, omdat burgers steeds meer transparantie eisen van de overheid, en de overheid ook steeds meer van burgers – denk daarbij alleen maar aan administratieve controle en toezicht die steeds verscherpt worden. Dat is een gevaarlijke tendens, die juist het vertrouwen ondermijnt.

Vertrouwen dient daarbij niet slechts om de relaties tussen individuen onderling te ‘smeren’. Het leidt tot een andere vorm van maatschappij. Rosanvallon noemt vertrouwen daarom niet zomaar een cultureel gegeven, maar een ‘institutie’, zoals het recht. Of een staat wel of geen rechtstaat is, met alle bescherming van individuele rechten, contractrecht et cetera, bepaalt niet slechts of het daar aangenamer leven is. Het bepaalt op een heel fundamentele manier hoe die samenleving wordt gevormd. Zonder een institutie als het recht kon zich nooit een sterke publieke sfeer ontwikkelen, waarin burgers zich durven uit te spreken en voor zichzelf durven op te komen zonder angst voor vervolging. Zo’n institutie bepaalt zelfs hoe wij elkaar zien: als gelijken, als individuen wier keuzen gerespecteerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor vertrouwen, en dat is wat Fukuyama wil laten zien. Vertrouwen vormt de maatschappij op een bepaalde manier, omdat het zorgt voor maatschappelijke verbintenissen dwars door de sociale lagen en belangengroepen heen. Dankzij vertrouwen wordt de maatschappij meer dan een verzameling eilandjes.

Veiligheidsnet

Het is begrijpelijk dat er juist nu een roep om meer vertrouwen klinkt. De maatschappij is complexer geworden. Veel zaken die we lange tijd hebben beschouwd als safeguards – politiek die het algemeen belang vooropstelt, de neutraliteit van de staat en de overheid, de objectiviteit van informatie in een open samenleving – staan nu op de helling, terecht of onterecht. Dit veiligheidsnet is niet weggevallen, maar afgezwakt. Dus willen we het herstellen door meer vertrouwen. Maar is die hoop reëel?

Fukuyama erkent dat het onmogelijk is om vertrouwen ‘op bevel’ op te bouwen. Zo is in Oost-Europa onder het communisme het maatschappelijk middenveld zo beschadigd dat de opbouw van een nieuwe civil society sinds het uiteenvallen van het Oostblok niet goed van de grond komt. Wat de opgave ook lastig maakt, is dat we leven in een sterk rationele maatschappij, terwijl vertrouwen voorbijgaat aan strikt rationele drijfveren om iets te doen of te laten. Vertrouwen past meer in het rijtje van passies als trots, schaamte of verontwaardiging. Zulke passies trekken mensen juist over een streep; ze zorgen ervoor dat ze dingen doen die ze anders niet zouden willen of durven. Wie dus vraagt ‘Moet ik deze persoon vertrouwen?’ en een complete verantwoording verlangt waarom dit vertrouwen gerechtvaardigd zou zijn, zit al in een wantrouwende modus. Vertrouwen schenken vereist altijd een sprong, a leap of faith. Evenmin is vertrouwen een soort gokje wagen, calculerend gedrag. Als je denkt: ach, ik waag het erop, dan ben je aan het gokken, maar niet aan het vertrouwen. Want een gokje kan verkeerd uitpakken, en dan denk je: dikke pech. Maar als je vertrouwen wordt beschaamd, voel je je een ezel. Wanneer je iemand vertrouwt, heb je namelijk echt hoop dat wat je gezamenlijk doet gaat lukken, en daarmee ontstaat een band. Vertrouwen draait om het creëren van een nieuwe gemeenschappelijkheid, en dat is essentieel.

Hoe dan verder? Als vertrouwen niet zomaar door een sociaal programma kan worden ingevoerd, en als we nu eenmaal erkennen dat we in die rationele maatschappij leven, wat valt er dan nog te doen? Eén ding is zeker: het heeft weinig zin om te roepen: ‘Wij moeten elkaar meer vertrouwen!’ – in de hoop dat, als door een toverstokje, puur op wilskracht, mensen anders met elkaar zullen omgaan. Dan proberen we het gebrek aan vertrouwen met vertrouwen te compenseren, en dat werkt uiteraard niet. Het is zinvoller om te kijken welke mechanismen vertrouwen ondermijnen, en welke het zouden kunnen ondersteunen. Laten we daarom ophouden over touwtjes uit de brievenbus, want dat wekt verkeerde verwachtingen. Laten we ook voorzichtig zijn met de roep om meer transparantie, want wie totale transparantie eist, gooit het vertrouwen overboord. En laten we erover nadenken hoe we voorwaarden kunnen creëren voor een verbintenis tussen mensen die gedeeltelijke kennis en inzicht in elkaar hebben. Hier en daar zie je ook zulke ondersteunende structuren ontstaan.

Mensen gaan, bijvoorbeeld, allerlei zakelijke transacties aan op internet: spullen verkopen op Marktplaats, Airbnb boeken, of een klusjesman vinden, en ze durven dit veel eerder via een site waar ratings inzicht geven in de verder onbekende ander. Want je koopt niet gauw iets van een wildvreemde. Maar evenmin is het nodig dat je eerst zijn complete genealogie natrekt, of dat je hem echt kent. Iets daartussen kan voldoende zijn. In dat tussengebied is er ruimte voor vertrouwen. De banden die we door vertrouwen met elkaar aangaan hoeven ook niet heel close of totaal te zijn. Het gaat er niet om dat we met z’n allen een groot gelukkig gezin worden. Het gaat er slechts om dat we soms met elkaar iets gezamenlijks kunnen beginnen, groot of klein, in plaats van dat we op het eigen eilandje blijven zitten, of erger nog: dat we elkaar naar het leven staan.