Home Kinderhorror

Kinderhorror

Door Marianne M. van Dijk op 03 januari 2013

Cover van 01-2013
01-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Kunstenaar Mike Kelley is de ster van het unheimische. Zijn ‘knuffel’ laat zien wat dat betekent en hoe je voorkomt dat kunst over je eigen narigheid al te exhibitionistisch wordt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Deze knuffel gaat waarschijnlijk al even mee. Maar hoewel hij een Winnie de Poeh-achtige rondheid heeft, zou je hem toch liever niet midden in de nacht tegenkomen. De Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley, die Figure II (Hair) schilderde, was dan ook geen vrolijk type. De overzichtsexpositie die de komende maanden in het Stedelijk Museum Amsterdam is te zien was oorspronkelijk samen met Kelley ontwikkeld, maar in de tijd dat het museum dicht was pleegde hij zelfmoord. Nu is de tentoonstelling een retrospectief geworden. Onno Zijlstra, docent filosofie aan onder andere de ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten in Zwolle, is gefascineerd door het unheimische in het werk van Kelley.

Hoe komt het dat deze knuffel iets akeligs heeft?
‘Hij heeft een mondje dat erop lijkt genaaid en dat hem een gek lachje geeft, en ogen die je niet aankijken. Bovendien associëren we knuffels meteen met kinderen, en de gedachte aan kinderen in combinatie met het dreigende van de knuffel doet mij denken aan die grote bedreiging voor kinderen: seksueel misbruik. De onschuld van knuffels contrasteert met het slechte van de wereld. Door dat contrast realiseer je je hoe kwetsbaar je bestaan wordt als je kinderen hebt. Deze knuffel toont een kant van het bestaan die we liever bij ons weghouden.’

Kelley is als kind misbruikt door zijn vader, en het schijnt dat zijn moeder knuffels maakte. Hoe zorg je dat persoonlijke kunst als deze niet te veel een soort realityshow wordt?
‘Kierkegaard is een filosoof die heel expliciet over dat probleem van het kunstenaarschap nadacht, en bij Kelley zien we een toepassing van zijn oplossing. Voor Kierkegaard moet persoonlijk werk allereerst algemener, meer ideëel zijn dan een biografie. Hij sneed zelf intieme problematiek aan, zonder dat de lezer letterlijk de feiten las over bijvoorbeeld de verhouding tot zijn ouders en zijn verloofde. Dat zie je ook bij dit werk van Kelley: hij zegt niet: “Dit was mijn knuffel, dit was mijn probleem.” Het doel is niet om het over hemzelf te hebben; hij wil alleen een problematiek aansnijden die hij kent.

Dat brengt ons op een tweede aspect van Kierkegaards oplossing voor het gevaar van exhibitionisme: je moet als kunstenaar of filosoof iets willen bereiken bij je publiek. Kierkegaard draagt veel van zijn werk op aan “de enkeling die ik in dankbaarheid en vreugde mijn lezer noemen mag”. Hij wilde zijn tijdgenoten losschudden van de te vroege verzoening met het bestaan die ze naar zijn idee hadden. Kelley wil net als Kierkegaard verontrusten. Hij klaagt zijn vader niet aan, maar ageert tegen de toedekking van seksuele problemen in het algemeen. Dat maakt dat Figure II niet dramatisch wordt, maar op een subtiele manier unheimisch blijft.’

Wat zegt dit werk over wat het unheimische is?
‘Dat het paradoxaal genoeg begint met iets wat we kennen. Wat is er vertrouwder dan de knuffel waar je mee slaapt? Kelley heeft meer werken met knuffels, en vele daarvan bevatten echte, gebruikte exemplaren. Hij haalt dit alledaagse voorwerp uit de normale context – hier door de knuffel te isoleren en tot zo’n een meter groot op te blazen.

Deze werkwijze deed mij denken aan de jonge Wittgenstein: die ziet in het esthetische het samengaan van het unheimische en wat wunderbar, verwonderlijk is. Het verwonderlijke ontstaat doordat je iets gewoons in een nieuw licht ziet dankzij een bepaalde afstand ertoe, zoals wanneer je iemand door een raam aan de overkant van de straat ziet roeren in een pan – alsof het eten op een podium staat uitgelicht. Op het moment dat iets je verwondert wordt het ineens vreemd, unheimisch. Zo denk je bij dit werk: wat zijn knuffels eigenlijk rare dingen.
Nu is deze knuffel niet alleen bevreemdend door de afstand; hij is van zichzelf al griezelig. Dat zou Wittgenstein niet nodig hebben gevonden. Voor hem diende kunst als voorbeeld van hoe het gruwelijke omarmd kan worden. In kunst is elk onderdeel noodzakelijk, en het kunstwerk kan daardoor als voorbeeld voor de afheid van het leven fungeren. Wittgenstein vond dat kunst vooral harmonie moet tonen. Dat doet Kelleys werk niet – daar houd je behoorlijk slechte nachten aan over.’

Figure II (Hair)
Mike Kelley
Stedelijk Museum Amsterdam (t/m 1 april 2013)

www.stedelijk.nl