Home Werk Ik moest voortdurend harder werken
Werk

Ik moest voortdurend harder werken

Door Maarten Meester op 26 oktober 2009

09-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

De paradox van de moderne werknemer: om beter te leven moet je meer werken, maar harder werken leidt vaak tot een slechter leven. Maarten Meester vertelt een persoonlijk verhaal over zijn worsteling.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Niet dat ik een gat in mijn hand had, ik koos gewoon consequent voor kwaliteit. Mijn kousen moesten dus van wol zijn en tot aan de knie, want zo’n wit stuk been tussen bovenrand kous en onderkant broek als je de benen over elkaar slaat, is geen gezicht (rond de 20 euro per paar). Als ik een stukje van driehonderd woorden over de filosoof Husserl moest schrijven, schafte ik meteen de drie delen van zijn Logische Untersuchungen aan (45 euro). Ik reisde eerste klas, omdat de kans dan groter was dat ik ongestoord kon lezen (65 procent duurder dan tweede klas). Onderweg at ik geen kleffe boterham uit een trommel of patat, maar koos ik met zorg een restaurant uit (gemiddeld 15 euro voor een lunch, 30 euro voor een diner). In mijn vrije tijd zeilde ik in mijn eigen jacht (liggeld alleen al honderden euro’s). Want iemand die zo hard werkte, moest toch goed kunnen ontspannen?

En hard werken, dat moest ik om mezelf kwaliteit te kunnen blijven leveren (vijftig, zestig uur per week). Ik moest zelfs voortdurend harder gaan werken: wie aan kwaliteit gewend raakt, stelt steeds hogere eisen.

Nu voelde ik me daar niet onverdeeld gelukkig mee. Om maar voldoende geld binnen te halen, schreef ik artikelen voor bladen die volgens mij beter ongelezen konden blijven en praatte ik in jaarverslagen recht wat krom was. Niet alleen had ik ethische bezwaren, dit broodschrijven hield me ook af van wat ik echt wilde doen: zinnige stukken publiceren, een boek schrijven en verder studeren. Ik wist dat er radicale keuzes nodig waren om te kunnen doen wat ik wilde doen. Keuzes zoals Lucebert die had gemaakt, om maar iemand te noemen. Hij leefde van de voorschotten die zijn uitgever hem gaf, zodat hij zich helemaal aan het dichten en schilderen kon wijden. De consequentie daarvan was wel dat zijn gezin en hij maandenlang alleen maar bonen aten. Ik vond dat een goede keuze, een heroïsche keuze zelfs.

Het gaat om leven voor je idealen, of niet. Om wat de Canadese filosoof Charles Taylor ‘sterke waarderingen’ noemt. Om de vraag wat het leven zinvol maakt. Ook al beantwoord je die vraag niet expliciet, door de keuzes die je maakt laat je jezelf toch kennen. Stel dat ik mijn ene buurman ‘Ik hoop maar dat hij geen homo wordt’ hoor zeggen tijdens een buurtbarbecue, omdat zijn zoontje achter een kinderwagen loopt, terwijl ik het sterke vermoeden heb dat een andere buurman die naast me staat homo is. Ik kan vriendelijk meelachen. Ik kan ook zeggen dat ik homofobe uitspraken niet op prijs stel. Maar wat ik ook zeg of doe, daarmee zeg ik tegelijkertijd iets over het soort mens dat ik wil zijn en over de wereld waarin ik wil leven.
 

Gouden kooi

Veel te laat – pas rond mijn vijfendertigste – begon ik in te zien dat mijn keuze om het niet bij bonen alleen te laten ook een sterke evaluatie was. Mijn uitgavepatroon maakte mij tot iemand die niet deed wat hij wilde doen. Tot iemand die een groeimodel hanteerde en steeds harder moest werken om steeds luxer te kunnen leven. Het drong tot me door dat ik daarmee koos voor een maatschappij waarin het om consumptie draait. Voor een wereld waarin mensen voortdurend op hun tenen lopen en iets anders doen dan ze willen doen. Voor wat in de bankwereld ‘leven in een gouden kooi’ heet: je wilt wel graag werk doen dat je meer bevrediging geeft, maar je kunt niet weg omdat je nergens zoveel verdient als bij je huidige werkgever.

Ik begon het te begrijpen, en toch kon ik zelf ook niet weg. Voor een aanzienlijk deel waarschijnlijk omdat het land en de maatschappij waarin ik leefde als één grote gouden kooi fungeerden. Maar ook kon ik mijn keuze voor kwaliteit nog altijd verdedigen. Ik koos niet in de eerste plaats vóór luxe; ik koos eerder tégen het idee dat je niet mag genieten. Tégen de gedachte dat op je centen letten een deugd is. Tégen een lelijke, smakeloze wereld. Tégen de lelijkheid, de groepjes mannen met sportjassen over hun polyester pakken aan die je in Nederland nog altijd over bedrijventerreinen kon zien lopen, hun boterhammen uit plastic zakjes etend.

Een restaurant binnenlopen, een ober mijn trenchcoat laten aannemen, genieten van hoe de manchetten van mijn dubbelgeweven katoenen overhemd net iets onder de mouwen van mijn wollen pak uitstaken terwijl ik de menukaart pakte, had voor mij dan ook niets met consumeren te maken. Ik was bezig met de ‘bevestiging van het gewone leven’, om nog een term van Taylor te gebruiken. Een wat verwarrende term misschien, omdat mijn ‘gewone leven’ extravagant kan lijken. Maar wat ik deed, was niet meer dan genieten van alledaagse dingen als eten en drinken. Door te kiezen voor kwaliteit liet ik zien dat ik in het hier en nu wilde leven, dat ik het leven hier op aarde de moeite waard vond en dat ik daar iets moois van wilde maken. Wat ik deed, was het leven zelf heiligen.

Maar van Taylor had ik ook kunnen leren hoe moeilijk dat is. De protestanten kampten daar al mee, toen ze de monniken verweten zich van de door God geschapen wereld af te keren, en daarmee de bevestiging van het gewone leven inzetten. Je moest de Schepper juist in Zijn schepping eren. Maar nu dreigde een ander gevaar: geabsorbeerd raken door de dingen, ze tot doel maken. Ook nu wij mede dankzij de Reformatie allemaal het gewone leven willen bevestigen, kampen wij nog steeds met hetzelfde dilemma – ook als we niet meer in God geloven. ‘We verkeren in conflict’, schrijft Taylor, ‘zelfs in verwarring, over wat het betekent het gewone leven te bevestigen. Wat voor sommigen als de hoogste bevestiging geldt, is voor anderen een allesomvattende verloochening. […] We staan even ambivalent tegenover heroïsme als tegenover de waarde van alledaagse doelstellingen waarbij daarvan wordt afgezien. […] Voor zowel de held als de antiheld voelen we sympathie.’

Waarvan akte. Ik had bewondering voor Luceberts heldengedrag om dag in dag uit bonen te eten. Maar tegelijkertijd voelde ik sympathie voor mijn eigen gewoonte om ’s middags in een goed restaurant te lunchen. En al stond ik door het gewone leven te bevestigen in de protestantse traditie, ik kon mijn hang naar het materiële juist ook weer verkopen als een vorm van verzet tegen het calvinisme, en daarmee zelfs tegen het kapitalisme. Zoals de socioloog Max Weber had betoogd in Die protestantische Ethik und der ‘Geist’ des Kapitalismus had juist de innerweltliche Askese van de hervormers bijgedragen aan het kapitalisme. Door steeds harder en rationeler te werken, vereerden de protestanten God in deze wereld. Ze vergaarden rijkdom, die ze gebruiken om te investeren en zo weer meer rijkdom te vergaren, ad infinitum. Want ervan genieten mocht niet. ‘De rijkdom is […] alleen als een verzoeking tot lui uitrusten en zondig levensgenot bedenkelijk’, schreef Weber, ‘en het streven ernaar is dat alleen dan, wanneer het gebeurt om later sorglos und lustig leben zu können.’
 

Geld speelt geen rol

Laat ik dat nu net gewild hebben: in het hier en nu sorglos und lustig leben zu können. Mijn keuze voor kwaliteit was ook een keuze voor vrijheid. Ik wilde niet steeds harder en rationeler werken met als enige beloning dat ik nog harder en rationeler moest werken. Ik wilde zoveel geld hebben dat ik in alle vrijheid het goede leven kon leven. Bij mijn keuze voor het goede leven hoorde de keuze voor een leven waarin geld geen rol mocht spelen.

Helaas draaide juist daardoor mijn leven alleen nog maar meer om geld. Helemaal toen ik, eenmaal getrouwd en vader, niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn gezin goed moest zorgen. Omdat ik mijn gezinsleden niet met een rol wc-papier over een camping kon laten lopen, verbleven we in vakantiehuizen met veel eigen grond eromheen (gemiddeld 750 euro per week) en op doorreis in het middensegment hotels (150 euro per nacht).

Een koopwoning leek ook een verstandige investering, omdat mijn vrouw en ik dan allebei een eigen werkkamer konden hebben. We schreven ons in voor een appartement in Vrijburg, een wooncomplex voor mensen met vrije beroepen in de nieuwe Amsterdamse wijk IJburg (zo’n 200.000 euro). Omdat dat ons wel wat klein leek en ik mijn kinderen niet wilde laten opgroeien in een nieuwbouwwijk, keken we ook rond in Haarlem, De Rijp, Spaarndam en Muiderberg. Daar stonden zeker geschikte huizen (prijzen van 260.000 tot 500.000 euro). De hypotheek zouden we wel rond krijgen: de bank vraagt hoeveel je verdient, niet of je vaak ’s avonds en in de weekends moet doorwerken.

In gedachten was ik al verhuisd, tot we na de bezichtiging van weer een mooier huis langs een vervallen kasteel kwamen. Mijn kinderen wilden uiteraard stoppen. Terwijl zij riddertje speelden, sprak ik met de kasteelheer. Hij bleek een kunstenaar te zijn die daar gratis mocht wonen als hij bezoekers ontving. Hij had dus weinig geld nodig en kon veel tijd in zijn atelier doorbrengen. Hij vroeg wat ik in de buurt deed. Ik vertelde over onze huizenjacht. Hij begon erover dat half Nederland tegenwoordig veel te dure huizen koopt en zichzelf daarmee opknoopt, en dat hij zijn eigen zoon had geleerd verstandiger te zijn. Terwijl hij doorsprak, zag ik de rest van mijn leven voor me: hoe ik om de hypotheek te kunnen blijven betalen nog minder zou gaan doen wat ik zelf wilde en steeds meer commerciële klussen zou aanpakken. Hoe ik zou opbranden en zou vluchten in een vaste baan als voorlichter of als copywriter bij een reclamebureau…

Een halfjaar later kochten we een huis in Friesland (132.500 euro). Anderhalf jaar later publiceerde ik mijn eerste boek. In januari ga ik weer studeren.