Home Hoofdredacteur Coen Simon: ‘Is de pijn in mijn hart een metafoor?’

Hoofdredacteur Coen Simon: ‘Is de pijn in mijn hart een metafoor?’

Door Coen Simon op 28 januari 2022

Hoofdredacteur Coen Simon: ‘Is de pijn in mijn hart een metafoor?’
Cover van 02-2022
02-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Op een avond, een paar jaar geleden, bleef de poes langer weg dan normaal. Het was koud en het water kwam met bakken uit de lucht. Ik stelde de kinderen gerust met de verklaring dat ze vast en zeker onder een afdakje in de buurt het noodweer zat af te wachten, maar diep vanbinnen vreesde ik natuurlijk met hen dat haar iets was overkomen. De kinderen lagen al toen een kletsnatte kat de keuken in droop. Terwijl ik haar opgelucht begon af te drogen merkte ik dat ze anders bewoog. Ik schreef het toe aan haar onderkoelde lijf en doorweekte vacht tot ik een wondje zag, eerst onder haar neus en even later op haar heup. Had ze gevochten? Met een andere kat? Met een hond?

Nadat ze had gegeten en weer een droge vacht had was ze nog altijd niet de oude. Ze liep met haar staart omlaag door het huis en lag op plekken waar ze normaal niet lag. Ik mocht haar alleen voorzichtig over haar kop aaien. En ze waste zich moeizaam. Het leek me dat ze pijn had, maar ik kon het haar natuurlijk niet vragen. Evenmin kon zij vertellen wat ze had meegemaakt. Nadat de dierenarts had vastgesteld dat ze een flinke brandwond op haar heup had ging ik ervan uit dat ze nog veel meer leed dan ze liet zien. Maar wie zal het zeggen? Gedraagt een kat zich minder aanstellerig dan een mens? Of voelt het beest iets anders?

‘Valt er over de gevoelens van de kat iets te beweren dat steek houdt?’, vroeg Willem Frederik Hermans zich af in De liefde tussen mens en kat (1984). ‘Hun taal schiet tekort en is, de krolse kreten uitgezonderd, in het oor van de mens volledig polyinterpretabel.’

We menen altijd dat het ontbreken van taal de tragiek bepaalt tussen mens en dier, maar hoe makkelijk zien we het leed van een ander mens? We kunnen evengoed vragen of er over de gevoelens van de mens iets te beweren valt dat steek houdt. Want zijn stekend, brandend, kloppend, bonkend of zeurend niet ook ‘volledig polyinterpretabel’? En zelfs als we de vraag waar de pijn zit aan onszelf stellen is het lastig de vinger op de zere plek te leggen. Dat maakt pijn zo onverdraaglijk. We zijn er helemaal alleen mee. Zeker als het leed zich in ons hart heeft genesteld.

Maar is die pijn in ons hart niet alleen maar een metafoor? Ik denk het niet. De pijn is echt, en het hart is de metafoor — voor de plek van de pijn die we niet kunnen lokaliseren.

Elk leed is eenzaam leed. Alleen de mens beschikt gelukkig over zelfmedelijden. Zijn aanstellerij is zijn grootste troost.