Home Hoe Tolstoj je leven kan veranderen

Hoe Tolstoj je leven kan veranderen

Door Marco Kamphuis op 10 juli 2012

07-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Valt het bestaan je zwaar? De Russische schrijver Lev Tolstoj ging je voor. Maar hij overwon zijn crisis en beschreef in detail hoe de mens dient te leven. Helaas is ‘al het goede moeilijk’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het was onontkoombaar dat Tolstoj uiteindelijk een boek als De weg van het leven zou schrijven, want het streven naar morele zuiverheid waaraan het is ontsprongen blijkt al uit zijn vroegste romans. In Studentenjaren bevindt het alter ego van de auteur zich in een kloostercel, waar hij de komst van zijn biechtvader afwacht: ‘Zodra ik alleen was gelaten in dit stille hoekje […] zonk ik weg in een onuitsprekelijk prettige dromerige toestand.’ Hij hoort slechts het tikken van een klok, en dat spreekt hem ‘duidelijk van een nieuw leven, dat nog onbekend voor mij was, een leven van eenzaamheid, gebed, en stil, rustig geluk…’ Naar dat leven is Tolstoj steeds blijven verlangen, al weerhield het hem een tijd lang niet van kaarten om grof geld, duelleren, veel drinken en lekker eten, en ook stond het affaires met mooie vrouwen niet in de weg.

Op zijn vijftigste verzonk hij in een depressie. Hij was toen al de gelauwerde auteur van Oorlog en vrede en werkte aan Anna Karenina, dat de sporen van zijn sombere stemming draagt. Het leven was zinloos. Hij vond het geluk niet in het gezinsleven, niet in zijn rijkdom als grootgrondbezitter, niet in zijn geweldige succes als schrijver. In Mijn biecht schrijft hij: ‘Goed, je wordt beroemder dan Gogol, dan Poesjkin, dan Shakespeare, dan Molière, dan alle schrijvers ter wereld – en wat dan nog?’ Zo zwart zag hij het in dat hij uit voorzorg stukken touw uit zijn huis verwijderde en vermeed met een geweer op jacht te gaan. Hij was, om met Dante te spreken, in een donker bos verdwaald.

Maar Tolstoj vond de uitweg.
Als je een beul vraagt: ‘Hoe is het leven?’ dan antwoordt hij: ‘Bloederig’. Op dezelfde manier kan iemand die een slecht en zinloos leven leidt logischerwijs niet anders antwoorden dan dat het leven slecht en zinloos is. Tolstoj besefte dat de kern van het probleem was dat hij een schuldig, slecht mens was, die uitsluitend voor zichzelf (en de zijnen) leefde. Na dit inzicht werd hij vegetariër, stopte met roken en deed afstand van zijn aardse bezittingen door ze op naam van zijn vrouw over te schrijven – nogal halfslachtig, toegegeven, maar Sofja Tolstaja bedankte ervoor zijn onthechting met hem te delen. En voor ons het allerbelangrijkste: hij deed haarfijn uit de doeken hoe de mens dient te leven, hoewel dit, zoals hij opmerkte, voor de eerste de beste analfabete Russische boer helemaal geen geheim was.

‘Alle mensen liefhebben’
De bestemming van de mens is zonder enige twijfel: ‘Alle mensen liefhebben.’ De geest van God, onze schepper, huist in iedereen. Daarom is iedereen gelijk, ongeacht stand, ras, nationaliteit en geloof, en daarom moeten we iedereen in gelijke mate liefhebben. Natuurlijk, dat is moeilijk, maar dat wil niet zeggen dat het onmogelijk is. ‘Al het goede is moeilijk.’

Geweld is uit den boze. Als je kwaad met kwaad wilt bestrijden, vergroot je het kwaad in plaats van het te verminderen, aangezien iedereen zijn eigen opvatting heeft over wat het kwaad is. ‘En wat nu zo verbazingwekkend is: de mensen begrijpen de banen der sterren, maar dit begrijpen ze niet.’ Het strafrecht berust uitsluitend op het verlangen wraak te nemen, want het is volstrekt onmogelijk door middel van geweld mensen te dwingen een goed leven te leiden. ‘Straffen is niet alleen schadelijk omdat het bij de gestrafte tot verbittering leidt, maar tevens omdat het een slechte invloed heeft op degene die straft.’
De staat die de straffen oplegt, is om te beginnen al geen rechtvaardige instelling, zelfs als het om een democratie gaat: ‘Eén mens heeft niet het recht om over het lot van velen te beschikken, maar ook hebben velen niet het recht om over het lot van één mens te beschikken.’ Anarchisten hebben in alles gelijk, zegt Tolstoj, behalve in het ontketenen van een revolutie.

Niet alleen de staat, ook de kerk is strijdig met de christelijke leer. ‘Het ware geloof heeft geen tempels nodig, noch versieringen, gezang of massale bijeenkomsten. Integendeel, het ware geloof komt altijd tot het hart in stilte en afzondering.’ De kerk belooft ons een beloning voor goed gedrag in het hiernamaals. ‘Dat is geen geloof, maar berekening […] Berekening is onjuist omdat het ware geloof alleen heil in het heden biedt en niet in staat is om welk heil dan ook in de toekomst te geven.’ Overigens was de antipathie geheel wederzijds: de Russisch-orthodoxe kerk excommuniceerde de schrijver in 1901.

Tolstojs leer is zonder meer lichaamsvijandig te noemen. Dat roken, alcohol drinken en overdadig eten ondeugden zijn waar het lichaam ons toe aanzet, valt gemakkelijk te begrijpen, maar ook trots, woede en hebzucht schrijft Tolstoj op conto van het lichaam. Voor het geslachtsleven geldt: hoe minder des te beter. Dat volledige kuisheid in strijd is met de menselijke natuur is een medische fabel, bedoeld om onze lage aandriften te rechtvaardigen. ‘Kuisheid is mogelijk en geeft onvergelijkelijk veel meer geluk dan zelfs een gelukkig huwelijk.’ Zeker, een volmaakt kuise mensheid zou noodzakelijkerwijs uitsterven, maar als het einde der tijden dan toch ooit aanbreekt, zoals voorspeld is, laat het dan in een zedige sfeer zijn. Tegenover het zondige lichaam plaatst Tolstoj onze goddelijke ziel, en het is aan onze geest om de eerste te dienen of de tweede te redden.

Tolstoj probeerde oprecht te leven naar deze strenge moraal, en leed eronder wanneer dit niet lukte (hij was van nature een hartstochtelijk type). Op hoge leeftijd verbond hij de uiterste consequentie aan zijn eigen woorden en verliet zijn landgoed – wettelijk dat van zijn vrouw – om bezitloos, als een Sint Franciscus, door de wereld te zwerven. Hij kreeg prompt longontsteking en stierf tien dagen later. Het was voltooid. ‘De dood vernietigt het lichaam net zoals bouwvakkers de steigers afbreken zodra het gebouw klaar is.’

Auteur Marco Kamphuis