Home Psyche Gelukkig zijn is een keuze
Psyche

Gelukkig zijn is een keuze

Door Tim Miechels op 08 april 2014

Cover van 05-2014
05-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens filosoof Miriam van Reijen komen negatieve emoties voort uit onware gedachten over de werkelijkheid. Je ideeën erover zouden dus moeten veranderen. ‘Schuldgevoel is gebaseerd op de gedachte dat het ook anders had gekund.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Voor lichamelijke problemen ga je naar een arts, voor mentale problemen ga je naar een filosoof, zo dacht men in de Klassieke Oudheid. Bij hevige mentale problemen en stoornissen gaan we tegenwoordig naar een psycholoog. Maar voor alledaagse gevoelens van onvrede kan filosofie nog steeds een oplossing bieden, meent Miriam van Reijen, hoofddocent van de basisopleiding filosofie in de praktijk aan de Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden.

Van Reijen baseert zich op de stoïcijnse filosofie. De stoïcijnen, een groep Griekse en Romeinse filosofen uit de klassieke oudheid, ontwikkelden een geluksfilosofie die erop gestoeld is dat negatieve emoties onschadelijk worden gemaakt. Het idee is simpel: emoties zijn gebaseerd op onware oordelen over de wereld om ons heen. Op het moment dat je dat inziet, is je gemoed onverstoorbaar en is je geluk niet langer afhankelijk van wat er in de wereld gebeurt.

Van Reijen laat zien hoe dat in de praktijk werkt. ‘Er kwam een student naar me toe met het volgende probleem: ze voelde zich schuldig omdat ze een weekend niet gestudeerd had. Hierop vroeg ik: “Waarom heb je dan niet gestudeerd? Had je wel gewoon kunnen studeren?” Het antwoord daarop was stellig: “Ja, ik had gewoon kunnen studeren.” “Waarom heb je dat niet gedaan dan?” “Omdat er iemand op bezoek kwam dat weekend.”’

Dat de student voorrang gaf aan het bezoek betekent volgens van Reijen dat ze niet had kunnen studeren. ‘De student heeft het enige gedaan wat voor haar, als de persoon die ze op dat moment was, mogelijk was. Ze had niet anders kunnen doen. Schuldgevoel is altijd gebaseerd op de gedachte dat het ook anders gekund had. Die gedachte is onwaar.’
 
Hoe komen mensen dan op dat soort onware gedachten? Dit laat zich volgens Van Reijen het best illustreren aan de hand van een voorbeeld van de filosoof Arthur Schopenhauer. ‘Een plasje water ligt rustig op de grond. Dan zegt dat plasje: “Ik lig hier nou wel, maar ik zou ook kunnen golven of kunnen koken, omhoogspuiten of omlaagstorten. Dat kan ik allemaal.” Wat dat plasje opnoemt zijn inderdaad dingen die water in principe kan, maar alleen onder bepaalde omstandigheden. Water kan golven als er wind overheen blaast en koken bij hoge temperaturen, maar als die omstandigheden er niet zijn, kan het die dingen niet.’

Zo is het ook bij de student uit het voorbeeld. ‘Ze baseerde de gedachte dat ze wel had kunnen studeren op het feit dat ze het vorige weekend ook gestudeerd had. Maar de vraag is niet of ze in een ander weekend wel kon studeren, maar of de mens die zij is dit weekend had kunnen studeren. Het antwoord op die vraag is: nee.’ De student maakte dezelfde denkfout als het plasje water: zoals water in principe kan koken, maar alleen onder bepaalde omstandigheden, kan een student ook alleen onder bepaalde omstandigheden studeren. ‘Op het moment dat je dat inziet en accepteert, verdwijnt het schuldgevoel.’

Hetzelfde principe gaat op voor een emotie als woede of irritatie. Stel dat je een afspraak hebt, maar de ander komt niet opdagen, waardoor je uren staat te wachten. ‘Dan word je kwaad, omdat je denkt: diegene had mij niet mogen laten wachten.’ De gedachte dat iemand anders iets niet had mogen doen ligt aan de basis van irritatie. Deze gedachte  veronderstelt echter dat diegene het ook anders had kunnen doen, en dat klopt volgens Van Reijen niet. ‘Er is altijd een oorzaak voor wat mensen doen; degene die je laat wachten kan niet anders dan te laat komen. Als je weet en accepteert dat er altijd een oorzaak is, hoef je de concrete oorzaak ook niet meer te kennen. Dan ben je fundamenteel immuun voor elke irritatie.’
 
De crux om negatieve emoties te voorkomen zit hem dus in het inzicht dat je het niet anders hadden kunnen doen. Degene op wie je staat te wachten kon niet anders dan te laat komen, zoals de student niet anders kon dan zich in het weekend over haar bezoek ontfermen. Maar waarom had de student het eigenlijk niet anders kunnen doen? Ze had toch, ondanks het bezoek, gewoon kunnen besluiten om te gaan studeren? We zijn toch niet, als een plasje water, helemaal overgeleverd aan de omstandigheden? Wij mensen hebben toch een vrije wil?
 

Niet fatalistisch
Het geloof in de vrije wil is volgens Van Reijen de grote boosdoener waar het gaat om negatieve emoties. Zelf gelooft ze in een wereld die helemaal is gedetermineerd. Dat wil zeggen, alles wat er in de wereld gebeurt, inclusief ons eigen denken en kiezen, verloopt volgens de wetmatigheden van de natuur. Hiermee gaat ze nog een stapje verder dan haar stoïcijnse voorgangers: ‘Epictetus zegt bijvoorbeeld: een situatie zelf heb je niet in je macht, maar hoe je je verhoudt tot die situatie wel.’ Onzin, stelt Van Reijen. ‘Je kunt je eigen gedachten niet beïnvloeden. Gedachten kunnen alleen beïnvloed worden en veranderen door iets van buitenaf.’ Zo kunnen cursisten geïnspireerd raken door een lezing van haar over de stoïcijnse filosofie, en dat kan een verandering in gevoel en gedrag veroorzaken, wat zonder deze invloed van buitenaf niet gebeurd zou zijn.

Het feit dat alles wat gebeurt, inclusief ons eigen denken en willen, bepaald wordt door voorafgaande oorzaken, betekent niet dat je als een ware fatalist bij de pakken neer hoeft te gaan zitten. ‘Dat gedrag impliceert namelijk dat je al weet wat er in de toekomst gebeurt. Een fatalist denkt bijvoorbeeld: ik ben ernstig ziek, dus dat zal wel de bedoeling zijn. Maar dat weet je helemaal niet. Misschien is het wel zo gedetermineerd dat je de ziekte overwint en gewoon weer beter wordt. Mensen moeten altijd keuzes maken, omdat het bij gebrek aan kennis van álle oorzaken die een rol spelen nog niet mogelijk is de toekomst met zekerheid te kennen. Zogenaamd fatalisme is nooit een optie, omdat je niet met zekerheid kunt weten en dus voorspellen hoe iets gedetermineerd is. Kiezen moet je toch, alleen is deze keuze niet vrij. De keuze die je feitelijk maakt is altijd het resultaat van de persoon die je op dat moment bent.’

Dat wij deze keuzes toch als vrij ervaren legt Van Reijen uit aan de hand van een voorbeeld van Spinoza: ‘We zien de zon als klein, terwijl we weten dat hij in werkelijkheid groter is. De wetenschap heeft berekend hoe groot de zon daadwerkelijk is, en kan zelfs verklaren hoe het komt dat we de zon klein zien, maar die kennis verandert niets aan het feit dat wij hem klein zien. We ervaren de vrije wil door middel van introspectie op momenten van keuze, maar dat we hem ervaren is geen garantie dat de vrije wil ook echt bestaat. Zelfs als je weet dat de vrije wil niet bestaat, ervaar je hem toch nog steeds. Net zoals je de zon als klein blijft waarnemen, terwijl je weet dat hij veel groter is.’