Home Aandacht Fladderend, terloops of bewust
Aandacht

Fladderend, terloops of bewust

Door Emma Krone en Ilana Buijssen op 21 april 2020

Fladderend, terloops of bewust
Cover van 05-2020
05-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Focus! Maar hoe? De ene aandacht is de andere niet. Zes geconcentreerde perspectieven uit de filosofie.

Aandachtig dromen

Locke’s gedachtestroom

Zoals er verschillende manieren van zwemmen zijn, zo zijn er ook manieren van denken. Ook al noemen we borstcrawl en vlinderslag allebei zwemmen, het effect is telkens anders. De Engelse filosoof John Locke (1632-1704) wijst ook op die verschillen in het denken. Het ene denken is het andere niet. We kunnen analyseren, beschouwen, en zelfs dromen is volgens Locke een denktechniek. Zo ook aandacht. ‘Wanneer we onze gedachtestroom opmerken, en als het ware registreren in het geheugen,’ schrijft Locke in zijn Essay Concerning Human Understanding, ‘hebben we te maken met aandacht.’ En zoals zwemmen niet zonder water kan, zo wordt onze aandacht gedreven door voorbijkomende gedachten.

Authentieke aandacht

Rousseau over een vrije opvoeding

Een gebrek aan concentratie wordt niet zelden geweten aan een gebrek aan discipline. Opvoeding en onderwijs worden daarom vaak gezien als een disciplinerende oefening. Met geconcentreerd sommen maken en rijtjes leren kweken we de juiste aandacht. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) verzet zich tegen deze opvatting. Aandacht kun je niet opleggen, maar moet uit het kind zelf komen. In zijn boek Emile, of over de opvoeding (1762) beschrijft Rousseau hoe de jongen Emile midden in de natuur opgroeit – afgesloten van maatschappelijke invloeden. Op eigen houtje kan Emile de wereld ontdekken en daarmee ook zichzelf. Rousseau maakt aan de hand van het verhaal duidelijk dat het kind op deze manier zijn ‘kindertijd’ wordt gegund. En dat het door ‘zijn spel, zijn plezier’ vanzelf leert zijn aandacht op de juiste manier te verdelen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ik heb aandacht, dus ik ben

Descartes’ meditatieve inzicht

Een van de beroemdste inzichten uit de geschiedenis van de filosofie was er niet geweest zonder meditatieve aandacht. ‘Ik beschouw mijzelf alsof ik geen handen heb, geen ogen, geen vlees, geen bloed, geen enkel zintuig, maar dat ik ten onrechte meen dat ik dit alles heb.’ In de Meditaties (1641) ging René Descartes (1556-1650) zo geconcentreerd door met zijn ontkenningen dat er uiteindelijk niets anders overbleef dan de heldere zekerheid van het ‘ik ben’. Zijn meditaties stelden hem in staat zijn onverdeelde aandacht te vestigen op alle ideeën die in hem opkwamen. En alleen wanneer een idee hem dan helder en duidelijk (‘claire et distincte’) toescheen, wist hij dat hij er niet omheen kon. Want ‘zolang we met aandacht de waarheid helder waarnemen, kunnen we er niet aan twijfelen’.


Beeld: Olf de Bruin

Out of focus

Framptons filmosofie

Als we naar de film gaan zijn we meer dan passief toeschouwer, beweert filmfilosoof Daniel Frampton in zijn manifest Philmosophy (2006). ‘De filosofische filmganger nadert de film met zijn eigen persoonlijkheid’, maar ook de film heeft zijn eigen ‘filmgeest’. De twee ontmoeten elkaar in het kijken en dat zorgt voor een zintuiglijke aandacht die Frampton ‘filmosofie’ noemt. Bewapend met onze eigen concepten en ervaringen proberen we aandachtig beeld, geluid en betekenis samen te brengen tot een passend geheel. Zo twijfelen we over motieven van karakters, voelen we de sfeer van een scène binnendringen en schrikken we bij elke onverwachte wending. In plaats van dat een film slechts ‘vertelt’ of ‘laat zien’ komt de aandacht in de filmzaal van twee kanten.

Bureaucratische aandacht

Lefèbvre over de vrijheid van ritmische verandering

Zonder dat we het doorhebben wordt onze aandacht gestuurd door het ritme van alledag, de disciplines van ons werk en de afspraken en gewoontes uit het onderwijs. Het mechanische en lineaire karakter van deze aandacht heeft de neiging bureaucratisch te worden: gericht op een doel sturen we onszelf van het kastje naar de muur. Volgens de marxistische filosoof Henri Lefèbvre (1901–1991) kunnen we onze opmerkzaamheid vergroten als we ons ook op andere ritmes richten. Zoals de organische ritmes van seizoenen en etmalen, van ademhaling, hartslag en bloedsomloop, die cyclisch voortschrijden. ‘Herhalingen leiden altijd tot verschillen en verschillen openen mogelijkheden om dingen anders te laten zijn,’ schrijft Lefèbvre. Als we zo kijken leren we zowel het geroezemoes van de stad als niet-menselijke ritmes zoals de eindeloze traagheid van een steen te waarderen.

Onverschillige aandacht

Simmels mentale leven in de stad

Anders dan op het platteland worden we in de stad geconfronteerd met verkeersdrukte, en eisen etalages, reclames en andere media de aandacht op. Onze zintuigen raken oververzadigd en onze concentratie verstrooid en van korte duur. Volgens Georg Simmel (1858-1918) verandert dit de ervaring van de stedeling.

Hoewel het mentale leven in de stad wordt gekenmerkt door vrijheid en individualiteit, neemt de stedeling tegelijkertijd een ‘blasé houding’ aan en reageert gereserveerd op de ander. Simmel legt uit: ‘In de metropool ontstaat een onvermogen om met de juiste energie op nieuwe sensaties te reageren.’ Achter een sluier van onverschilligheid beschermen we onze gefragmenteerde aandacht.