Home Politiek ‘Erasmus was altijd op zoek naar geld en opdrachtgevers’
Politiek

‘Erasmus was altijd op zoek naar geld en opdrachtgevers’

Door Femke van Hout op 31 maart 2021

‘Erasmus was altijd op zoek naar geld en opdrachtgevers’

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Ronald van Raak (1969) wordt hoogleraar ‘Erasmiaanse waarden’, een nieuwe leerstoel aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). Van Raak is filosoof, historicus en politicus. Sinds 2006 zit hij in de Tweede Kamer voor de SP. Daar zwaait hij nu af. Hij publiceerde verschillende boeken, waaronder vorig jaar Denken op de dijken, over de geschiedenis van de Nederlandse wijsbegeerte.

Waarom een leerstoel ‘Erasmiaanse waarden’?
‘Op de EUR wordt er, net als op andere universiteiten, kritisch nagedacht over de positie van de universiteit in de maatschappij. Dat is nodig omdat het vertrouwen in de wetenschap afneemt. Je hoort steeds vaker dat wetenschap ook maar een mening is. Ook wordt de onafhankelijkheid van de universiteit bedreigd; de politiek en commercie oefenen te vaak druk uit op onderzoekers. En tot slot is er de kwestie van academische vrijheid. Op de universiteit leren studenten nadenken over hun vooroordelen. Daarvoor is het van belang dat ze geconfronteerd worden met mensen met andere opvattingen. Maar de terechte vraag die hierbij gesteld kan worden is: is er ook een grens aan de academische vrijheid?’

Bij die vraag moet ik gelijk denken aan Paul Cliteur: volgens collega’s had hij de grenzen van academische vrijheid overschreden omdat hij geen afstand nam van antisemitisme binnen Forum voor Democratie. Gaat u zich met dit soort kwesties bezighouden?
‘Nou, ik kan en wil geen richtlijnen geven voor specifieke kwesties. De vraag naar de grenzen van de academische vrijheid zullen universiteiten zélf moeten beantwoorden.’

Wat gaat u dan doen?
‘Ik wil de discussie hierover vooral aanzwengelen, door te onderzoeken wat filosofen ons kunnen leren over de plek van de universiteit in de maatschappij. En de Erasmus Universiteit heeft dan de luxe om ook vooral terug te grijpen op een van de grootste Europese denkers: Desiderius Erasmus.’

Is het vooral goede marketing voor de Erasmus Universiteit om waarden als academische vrijheid ‘Erasmiaans’ te noemen? Of heeft Erasmus ook inhoudelijk iets toe te voegen?
‘We kunnen van veel filosofen leren, maar de figuur Erasmus is buitengewoon interessant omdat hij een balans moest vinden tussen financiële zekerheid en het handhaven van zijn autonomie. Erasmus is zijn leven lang op zoek geweest naar geld en opdrachtgevers, maar liet zich tegelijkertijd nooit voor iemands karretje spannen. Hij bleef altijd beducht voor zijn onafhankelijkheid en vrijheid. Daarnaast is Erasmus historisch interessant; hij leefde in een tijd waarin de academische vrijheid zich aan het verankeren was. Er was veel spanning tussen academici en de kerk, die zich maar wat graag met de wetenschap bemoeide. Zo raakte Erasmus in allerlei moeilijke discussies verwikkeld met Lutheranen en de Paus. Voor onze huidige problemen geeft Erasmus ons natuurlijk geen kant en klare oplossing, maar hij laat ons wel zien hoe moeilijk het was – en helaas nog steeds is – om onafhankelijk te blijven als onderzoeker.’

Op welke manier wordt de onafhankelijkheid van de universiteiten vandaag de dag bedreigd?
‘Ik ben twintig jaar actief geweest in de politiek. Daar heb ik gezien dat er vrij ongegeneerd druk wordt uitgeoefend op beleidsonderzoekers. Opdrachtgevers hebben vaak niet de bedoeling dat er een kritische analyse uit een onderzoek komt en voeren daarom druk uit op de vraagstelling, de methode, de publicatie. Denk maar aan het schandaal in 2019, toen bleek dat ambtenaren van het ministerie van Justitie en Veiligheid regelmatig het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) beïnvloedden.

Het is als onderzoeker erg moeilijk je tegen zulke inmenging te weren, vooral omdat je ook moet concurreren met commerciële onderzoeksbureaus. De universiteit moet duidelijk blijven maken waarin ze zich onderscheidt van deze commerciële bureaus: haar onafhankelijkheid. Zonder die onafhankelijkheid verdwijnt de toegevoegde waarde van de universiteit.’

Maar ligt de oplossing voor zulke integriteitskwesties niet eerder op politiek niveau? Ik heb soms het idee dat onderzoekers hun waarden prima op een rijtje hebben, maar dat de geld- en tijdsdruk gewoon te hoog is om ernaar te handelen.
‘Het klopt dat de meeste individuele onderzoekers heel duidelijke ideeën hebben over academische vrijheid en integriteit. Maar het is onmogelijk deze waarden in je eentje te handhaven. Omdat je met andere onderzoekers moet concurreren, of omdat je hoogleraar belang heeft bij een bepaalde uitkomst. Daarom moet het formuleren en handhaven van academische waarden een gedeelde verantwoordelijkheid worden van academische gemeenschappen. Dan kun je ook samen eisen gaan stellen aan opdrachtgevers.’

Hoe gaat u als individuele hoogleraar universiteiten stimuleren deze verantwoordelijkheid te nemen?
‘Als politicus heb ik gemerkt dat bijna iedereen, ongeacht zijn politieke affiliatie, gelooft in de werking van de markt. Hierdoor wordt de politiek geregeerd door kortetermijndenken. Dit gebeurt ook op de universiteit.

Filosofie kan helpen te beseffen dat er ook andere perspectieven mogelijk zijn. Als je je tanden in het werk van één filosoof zet, ontdek je dat zo’n filosofie een interne logica heeft. Als je dan weer een andere filosoof bestudeert, ontdek je een andere logica. Ze zijn allebei logisch, en tóch met elkaar in strijd. Zo leer je dat problemen die we vandaag de dag tegenkomen niet maar één dogmatische oplossing kennen.’

Zorgt uw politieke affiliatie met de SP er niet voor dat uw eigen academische onafhankelijkheid ter discussie zal worden gesteld?
Iedereen die gespecialiseerd is in politieke kwesties heeft bepaalde politieke voorkeuren, daar kom je niet omheen. Maar op de universiteit ben ik academicus, geen politicus, en ga ik me bezighouden met het grotere plaatje.’