Home Opvoeding Deze filosoof leert ons ‘loskloppend’ denken
Opvoeding

Deze filosoof leert ons ‘loskloppend’ denken

Door Marc van Dijk op 21 augustus 2017

Deze filosoof leert ons ‘loskloppend’ denken
Cover van 09-2017
09-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Filosoof Awee Prins heeft een kinderboek geschreven. Hij noemt het een oefening in ‘los denken’, waar kinderen in uitblinken. Volwassenen kunnen daar een voorbeeld aan nemen. 

Welke debuterende kinderboekenschrijver mag direct samenwerken met Thé Tjong-Khing, een internationaal gelauwerd illustrator? Het overkwam filosoof Awee Prins, die eigenlijk nooit de ambitie had om zich in dit genre te begeven. Hoe het zover kwam? Prins: ‘Het zijn verhalen die ik ooit verteld heb aan onze kinderen. Ik vond veel kinderboeken saai en moralistisch, dus ik dacht: ik bedenk zelf wat. Dat lukte de ene keer beter dan de andere. Als het goed ging, schreef ik die verhalen op en legde ze in een map. Nadat mijn vrouw overleden was, nu tweeënhalf jaar geleden, bladerde ik wat door die map en kwam de gedachte bij me op om ze te publiceren, ook als een eerbetoon aan haar. Ze was een geweldige moeder en een onvergetelijke vrouw.’

In zijn woonkamer hangen stralende foto’s van haar, de meeste dicht bij waar Prins aan zijn schrijftafel zit. ‘Volgens het vorige aandoeningenboek, DSM-IV, mocht je twee maanden rouwen. Volgens DSM-5 is het nog maar twee weken. Volstrekt krankzinnig. Een kunstenaar met wie ik een project over rouw deed, zei: mijn rouw kent geen fases, geen stappen, geen plan, alleen maar duizend sprongen in het niets.’

Loskloppend denken

Het kinderboek gaat niet over rouw. Allerminst. Het zijn speelse, vrolijke verhalen waarin alles mogelijk is en waarin evengoed veel misgaat. Is er iets filosofisch aan het resultaat? In elk geval niet in de vorm van een moraal. Hoewel, de kersverse kinderboekenschrijver heeft wél een duidelijke opvatting over wat volwassenen van het boek zouden kunnen leren. ‘Deze verhalen zijn oefeningen in los denken. Voor jong en oud, maar kinderen kunnen dat van nature. Volwassenen kunnen het ook, maar die zijn het meestal verleerd. Hun denken moet juist worden losgeklopt. 

Volwassenen denken bijvoorbeeld dat ze kritisch kunnen denken, maar dat kan helemaal niet. Want als jij echt kritisch bent, zou jouw positie ook voortdurend ter discussie moeten staan. Kritiek, analyse, ironie, scepticisme, relativisme – het zijn allemaal vergeefse, arrogante posities. Loskloppend denken is voor volwassenen een manier om iets te bereiken wat ze als kind nog konden. Ik bedoel dit niet nostalgisch. Denk eerder aan een hond die uit het water komt en flink zijn kop schudt, waardoor hij even wat ruimer in zijn vel komt te zitten.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Filosofen zijn toch in principe wel bereid om ‘los’ te denken?
‘Plato zei: filosofie begint met verwondering. Aristoteles zei hetzelfde, en noemde het “de lust van de gewaarwording”. Maar wat deden ze vervolgens allebei? Ze bedolven de verwondering onder een machinerie van systematisch denken. Plato herleidde alles tot ideeën, Aristoteles perste alles in categorieën.’

En een kind houdt het bij verwondering?
‘Ik wil niet sentimenteel doen over de kracht van de kinderlijke verwondering. Het gaat ook om onmachtige verbazing, en om niet-begrijpen, maar bij dat alles steeds en voor alles om inter-esse, werkelijk en onbevangen tussen de dingen zijn. Wereldopenheid. Bij kinderen zijn mogelijkheidszin, werkelijkheidszin en onmogelijkheidszin nog niet gescheiden. Dingen kunnen waar zijn en tegelijkertijd niet waar. Dat sluit eigenlijk beter bij de werkelijkheid aan dan welk filosofisch systeem dan ook. Dát is los denken.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Martin Dijkstra

Kinderen vragen ook vaak om duidelijkheid.
‘Klopt, en ze kunnen ook heel conservatief zijn. Maar niet in de laatste plaats doordat volwassenen voortdurend binaire systemen van goed en kwaad, waar en onwaar, juist en onjuist aan ze proberen op te dringen. Als ik filosofielessen geef aan kinderen, vertel ik ze dat tellen eigenlijk niet kan. Dan leg ik vier appeltjes neer. Vier appeltjes, het lijkt zo eenvoudig. Maar de ene appel is heel groot, de andere is klein. De volgende is een beetje rot en de laatste is niet van mij. Zijn het nu nog steeds vier appels? Er zijn ontelbare manieren waarop vier appels níét vier appels zijn. De meeste kinderen snappen dit meteen. Een enkeling gaat huilen. Ik ben de les daarom steeds subtieler gaan verwoorden. Het gaat mij er natuurlijk ook niet om dat tellen nutteloos of waardeloos zou zijn. Het gaat erom dat ze leren begrijpen dat tellen “handig’” is, maar ook een vorm van “koud denken”, terwijl je ook “warm” kunt denken: elk afzonderlijk ding recht doen.’

Daar lijkt toch een soort waardeoordeel in door te klinken.
‘Welnee. Rekenen is beslist belangrijk. Maar wij hebben de berekening tot de maat van onze omgang met de dingen gemaakt. Wij zijn allemaal de taal van de landmeter gaan spreken en we willen dat kinderen daar ook zo snel mogelijk in meegaan. Terwijl een landschap zoveel meer is dan wat de landmeter kan meten. Kinderen begrijpen dat heel goed. Ik kwam laatst een jongen tegen die zei: “Meneer Prins, ik heb als kind ooit een filosofieles van u gehad en ik ben nooit vergeten wat u destijds zei over tellen. Ik studeer nu econometrie en ik denk dat ik door die les een betere econometrist wordt. Omdat ik weet dat je altijd alleen maar het telbare telt.’

Kinderachtig

Prins is geen opvoedingsdeskundige, geen pedagoog, en hij wil ook geen moralist zijn, maar hij vindt het wel eeuwig zonde dat volwassenen het ‘losse denken’ van kinderen zo snel mogelijk lijken te willen transformeren in onze manier van denken. Alsof ze het leven dan beter aan zullen kunnen. Terwijl het tegendeel volgens Prins het geval is: juist het losse denken sluit aan bij de broosheid van de mens. 

Prins: ‘Kinderen ervaren hun eigen broosheid nog aan den lijve. Ze ervaren voortdurend heel intens de onbegrijpelijkheid en de onbeheersbaarheid van het leven. En als we eerlijk zijn ís het leven ook zeer verwarrend. Er zijn geen trucs of technieken om dat ongedaan te maken. Kinderen zouden moeten blijven leren om broos, zoekend en kwetsbaar in het leven te staan. Precies zoals ze zijn, eigenlijk. Maar met onze opvoedtechnieken staan we te trappelen om hen in autonome, rationele individuen te veranderen. Mensen die overal een oordeel over hebben zonder nog ergens onbevangen naar te kijken.’ 

Wat is er mis met rationeel denken?
‘Niets. Net zomin als met tellen of rekenen. Maar het zijn vormen van beperkend denken. De unieke kwaliteit van kinderen is dat ze nog zonder veel moeite gemengd kunnen denken, dus niet-onderscheiden, niet “discreet”. Sinterklaas kan bestaan en niet meer bestaan, tegelijkertijd. Dat sluit aan bij een levenservaring die wij allemaal kennen: elke gedachte is een gemengde gedachte, elk gevoel een gemengd gevoel. Zoals de Duitse dichter Friedrich Hölderlin schrijft in de beroemde slotzin van “Der Rhein”: “’s Nachts, wanneer alles vermengd is, beseffen we dit: oeroude verwarring.” Natuurlijk moeten kinderen allerlei vaardigheden leren en logisch leren denken. Maar we zouden ze ook veel meer moeten laten zijn. Er hoeft minder gesnoeid of gestuurd te worden dan vaak gedacht wordt.’

Hoe moet een kind dan ooit volwassen worden?
‘Er bestaat voor de mens geen volwassenheid. Wie is er nou volwassen? Ik zou willen pleiten voor een “integrale antropologie”, waarbij alles wat ons als kind kenmerkt ook blijft doorklinken en meewerken in ons latere leven. Het is heel gek dat wij op een gegeven moment bepaalde dingen “kinderachtig” gaan vinden, dat er dingen zijn die we blijkbaar achter ons moeten laten. Dingen onbegrijpelijk blíjven vinden, onredelijke gedachten of angsten hebben. Maar het is vreemd genoeg niet kinderachtig om ook op latere leeftijd getroost te willen worden, of gekoesterd. Freud maakte van onze kinderachtigheden ten onrechte een probleem; hij las overal trauma’s in, of perversiteiten. Dat is helemaal niet nodig. Mensen zijn en blijven kinderachtig. Gelukkig maar. Het woord “kinderachtig” moet een nieuwe betekenis krijgen, zonder negatieve en pejoratieve bijklank: alles draait erom verbonden te blijven met de belevingsdimensie van kinderen.’