Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

FM nr. 9/2020

De toekomst volgens denkers en zieners

Maurice Turnhout

Kun je naar de toekomst kijken zonder voorspellingen te doen? Een gesprek met filosofen Maarten Doorman, Petran Kockelkoren en Elize de Mul. ‘Een metafoor werkt als een zoeklicht, dat sommige zaken uitlicht en andere verduistert.’

Aan het begin van de coronatijd buitelden de voorspellingen meteen over elkaar heen. De ene nog radicaler dan de andere. Rutger Bregman voorzag een utopische toekomst, waarin solidariteit net zo besmettelijk blijkt als Covid-19. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben waarschuwde juist voor een dystopie: westerse democratieën gaan een fase in van permanente nood­toestand en repressie naar Chinees model.

Ook ik klik ze aan, de podcasts en interviews met filosofen, historici, sociologen en economen die de toekomst duiden. Ook ik ben geneigd tot doomscrolling – een van de neo­logismen die de coronatijd heeft opgeleverd.

Bas Heijne verwonderde zich in NRC Handelsblad over de voorspelbaarheid van de voorspellers: ‘Ik heb nog niemand voorbij zien komen die ontzet moest vaststellen dat de pandemie zijn wereldbeeld totaal omver heeft gegooid, dat het virus al zijn gedachten en idealen een dreun heeft gegeven.’ Invloedrijke denkers lijken in deze crisis allemaal hun stokpaardjes bevestigd te zien, zowel de optimisten als de pessimisten. Natuurlijk deed ook de Israëlische historicus Yuval Noah Harari (Sapiens, Homo Deus) een duit in het zakje om het ‘nieuwe normaal’ van na de coronapandemie te voorspellen. Zoals we van Harari gewend zijn, was dat in eerste instantie geen opbeurend verhaal. In een essay in de Financial Times waarschuwde hij voor biometrische surveillance, een techniek waarmee overheden de handel en wandel van geïnfecteerde mensen kunnen monitoren. Mensen ruilen hun privacy graag in voor veiligheid, en daarmee komt de totalitaire toekomst een stap dichterbij. Krijgt pessimist Harari gelijk door het debat over de invoering van traceer-apps?

‘Om je op de toekomst te oriënteren beschik je alleen over het verleden’

Beïnvloed door prognoses over klimaat­verandering sloegen veel filosofen al eerder de toon van het orakel aan. ‘Het begint bij het zien van het probleem,’ sprak Peter Sloterdijk in de interviewbundel Filosofisch veldwerk (2018). ‘Bij boodschappers die het zien en het formuleren. Alles wat gebeurt, komt voort uit de roepende. (…) De crisis roept, de gelovige volgt — of volgt niet.’ En in zijn boek Wat gebeurde er in de twintigste eeuw? (2018) voorspelde Sloterdijk dat de eenentwintigste eeuw een veldslag zou worden tussen idealisten en materialisten, tussen mensen die willen rantsoeneren en mensen die de oververhitte planeet tot de laatste druppel olie willen uitknijpen. Genocide lijkt onvermijdelijk, duidde Sloterdijk.

Maar hoeveel waarheid bevatten de schokkende voorspellingen van denkers en zieners? Prikkelt een voorspelling tot een andere manier van handelen, of veroorzaakt deze juist meer apathie?

Open toekomst

Filosoof en dichter Maarten Doorman verzucht: ‘Als de coronatijd één ding helder maakt, is het wel met hoeveel onzekerheid je te maken hebt bij het spreken over de toekomst, en hoe lastig het is om met die onzekerheid om te gaan. Hoe is het mogelijk dat we in de huidige situatie verzeild zijn geraakt, gezien de stand van de wetenschap en alles waar we nu toe in staat zijn? Dat is dus wel degelijk mogelijk. Het is de kunst om je niet door die onzekerheid van de sokken te laten blazen.’

De kristallen bol lijkt een probaat middel om onzekerheid te bezweren. Maar volgens Doorman is de manier waarop wij in de afgelopen drie eeuwen naar de toekomst zijn gaan kijken ook de oorzaak van veel onzekerheid.‘Volgens de Duitse filosoof en historicus Reinhart Koselleck leefden we vóór de Verlichting met een cyclisch tijdsbeeld en een christelijke eindtijdgedachte,’ vertelt Doorman. ‘In de tweede helft van de achttiende eeuw veranderde dat tijdsbesef ingrijpend. Vooruitgangsdenken kwam centraal te staan, met een open toekomst en een lineair tijdsbeeld. Zo’n open toekomst biedt mogelijkheden; ineens moeten we iets van de toekomst vinden en kunnen we er invloed op uitoefenen. Vandaar alle grote ideologieën die na de achttiende eeuw als paddenstoelen uit de grond schieten. Die open toekomst legt dus een zekere druk op ons, een zware verantwoordelijkheid.’

Sinds de Verlichting zijn we verleden en toekomst volgens Koselleck als asymmetrisch gaan ervaren, zegt Doorman. ‘Het verleden wordt een reservoir vol herinneringen, terwijl de toekomst de vorm krijgt van een Erwartungshorizont, een horizon waar we op af koersen.’

Koselleck vertelde hoe Sovjetleider Chroesjtsjov tijdens een partijcongres het socialisme aan de horizon zag gloren. Een toehoorder vroeg Chroesjtsjov wat een horizon nu precies was. Dat moest de kameraad maar thuis opzoeken. In de Socialistische Encyclopedie vond hij als definitie: ‘Een schijnbare lijn die de hemel van de aarde scheidt en die zich verwijdert naarmate men hem nadert.’

Doorman: ‘Zo’n almaar verschuivend toekomstperspectief typeert nog steeds het tijdsbesef van onze samenleving. In positieve zin – als het een utopische vorm aanneemt – maar ook in negatieve zin.’

Denkers als Harari, Sloterdijk en Donna Haraway (die met haar Cyber Manifesto (1985) een versmelting voorziet van mens en machine) wijzen alleen naar Kosellecks horizon. Kunnen we nog wel op een andere manier naar de toekomst kijken?

Doorman: ‘Om je op de toekomst te oriënteren heb je in feite alleen de lessen van het verleden tot je beschikking. Het nadeel is dat mensen vaak verkeerde hoop uit het verleden putten. Als we maar precies zo handelen als toen, komt het ook nu wel weer goed. Dat is te naïef, te cyclisch gedacht.’

Dataïsme

Harari waarschuwt in Homo Deus (2017) voor het dataïsme dat opdoemt aan de horizon: door middel van algoritmes wordt de mens steeds geraffineerder in kaart gebracht, en kan zijn gedrag tot in de finesses worden voorspeld.

Dat klinkt schokkend en nieuw, maar filosoof en cultureel antropoloog Petran Kockelkoren meent dat ook Harari de geschiedenis herhaalt: ‘Zijn moraliserende praatjes gaan erin als koek, vanwege hun herkenbaarheid. De grote techniekfilosofen van de twintigste eeuw – Heidegger, Mumford, Ellul, Gehlen – zijn allemaal bang voor standaardisering. Techniek als grote gelijkmaker, de mens als radertje in de machine. Eigenlijk is Harari’s angst voor het algoritme een reprise van dat verhaal.’

Bij Sloterdijk gebeurt iets vergelijkbaars, analyseert Kockelkoren. In Sferen (2005) beschrijft Sloterdijk de mens die zich met techniek steeds meer in ‘bubbels’ opsluit. ‘De prehistorische mens schiep een bubbel rond het kampvuur, waarbij de leeuwen en tijgers buiten de rand bleven. Die bubbel groeide uit tot een Ark van Noach, waarin alle soorten opgenomen werden. En uiteindelijk maakt de mens zich met die Ark los van de aarde, om bijvoorbeeld kolonies op Mars te stichten. In deze beweging ziet Sloterdijk een tendens van techniek om zich van de aarde te vervreemden.’

Toekomstdenkers zoals Harari en Sloterdijk stellen eerst een diagnose. ‘De koorts van de patiënt moet worden verklaard. Bij Harari is algoritmisering de kwaal. Die kwaal vraagt om een remedie. Een toekomstvisie werkt dan als spiegelbeeld van de diagnose. Wanneer je diagnosticeert dat mensen worden gelijkgeschakeld, moet je aan de wurggreep van de techniek proberen te ontsnappen – iets waarvan Harari tegelijkertijd zegt dat het onmogelijk is. Daarmee zet hij zichzelf dus volledig vast in de sciencefiction van zijn diagnose.’

‘ Een mens kan niet zonder hoop, maar hoop corrumpeert wel’

Een andere diagnose geeft ook een andere voorspelling, meent Kockelkoren. ‘Foucault begreep de dubbelzinnigheid van techniek beter dan Harari: je wordt als mens meer en meer afhankelijk van techniek, maar techniek stelt je ook in staat om jezelf te profileren. Je buigt mee met de krachten die je besturen om ze te kunnen beïnvloeden. Zo is er nu een generatie die zich leert uitdrukken met een laptop en een iPhone.’

Metaforen

‘Speculaties over de toekomst worden altijd doorspekt met wanhoop, met datgene waar je in het heden bang voor bent,’ observeert Maarten Doorman. ‘Zoals we weten is angst een slechte raadgever. Maar dat kan hoop net zo goed zijn. Als je ergens op hoopt, verwissel je de verwachting dat iets gebeurt met de waarschijnlijkheid dat het gebeurt, zei Schopenhauer. Een mens kan niet zonder hoop, dat begrijp ik, maar hoop corrumpeert wel je gedachten.’

Filosoof en schrijver Elize de Mul denkt liever voorbij de categorieën van hoop en wanhoop. Zij analyseert de toekomstbeelden van Harari en Sloterdijk als metaforen. ‘Zonder metaforen wordt de wereld zo complex en verwarrend dat we het overzicht verliezen en verlamd raken,’ zegt De Mul. ‘Utopische en dystopische metaforen laten mogelijke richtingen zien en bepalen mede daardoor hoe we het goede leven definiëren, en wat we zouden moeten doen om tot dat goede leven te komen.’

Het is wel van belang welk soort metaforen we gebruiken, waarschuwt De Mul. ‘Volgens linguïsten George Lakoff en Mark Johnson zijn metaforen geen onschuldige ornamenten; ze vormen ook de wijze waarop we de wereld begrijpen. Daarmee geven metaforen ons handelen op een bepaalde manier richting. Een metafoor werkt dus als een soort zoeklicht, waarmee bepaalde zaken worden uitgelicht en andere worden verduisterd.’Het taalgebruik rond de coronacrisis wordt bijvoorbeeld door een oorlogsmetafoor gekenmerkt, zegt De Mul. ‘We moeten de strijd aanbinden met een onzichtbare vijand, de medici zijn frontsoldaten, vaccins zijn hun wapens. Dat schept een beeld van wij tegen het, wij tegen de natuur. Maar de corona­pandemie is verknoopt met globalisering, klimaatverandering en de bio-industrie; onze houding en gedrag zijn hierin belangrijke factoren. Een oorlogsmetafoor doet dus geen recht aan die complexiteit. Als wijzelf de vijand zijn, hoe moet je dan handelen?’ Ziedaar het probleem van wat De Mul de ‘reductionistische metafoor’ noemt, een type metafoor waar ook Harari in grossiert. ‘Surveillance-apps vereisen onze waakzaamheid, en het is relevant om daarop te wijzen. Maar het is wel gevaarlijk om je uitsluitend op dit soort typeringen te concentreren. Het aantrekkelijke van een reductionistische metafoor is de eenvoud. Er is één valkuil, één vijand – in dit geval de onderdrukkende overheid. Als we die aanpakken komt alles goed. Enerzijds is dat logisch, want het voelt veilig als we weten wie de vijand is, dát er een vijand is. Maar om te vatten wat er echt aan de hand is hebben we een ander soort metaforen nodig.’

Spaceship Earth

De Mul werpt Spaceship Earth als voorbeeld op, een metafoor van de utopist Buckminster Fuller, die ook door Sloterdijk wordt gebruikt. ‘Het lastige van metaforen is dat ze altijd weer mede-metaforen oproepen die moeten worden ingevuld,’ erkent De Mul. ‘In het geval van Spaceship Earth: wie maakte dat ruimteschip dan, waar vaart het naartoe, wie is de stuurman? Het is aanlokkelijk om te zeggen dat de mens die stuurman is. Maar dan verliezen we weer uit het oog dat we ook deel uitmaken van het schip, van de aarde. Metaforen die de complexiteit omarmen dwingen ons om in te zien dat niet alles zo beheersbaar is. Daarom zijn zulke metaforen ook beduidend minder populair.’

Geen Ark dus, geen ruimteschip. Toch blijft de open toekomst zeuren. Zoveel onzekerheid vraagt om een vorm van bezwering. Voorspellingen kunnen ons aanzetten tot kritisch denken, maar dat betekent nog niet dat we ze kritiekloos hoeven over te nemen. Elke voorspelling bevat immers ingebakken aannames over wie sapiens is en hoe die zich tot de wereld verhoudt.

Als een alternatieve en betere metafoor noemt De Mul de Gaia-hypothese van James Lovelock: het idee dat we één organisme vormen met alle levende en niet-levende dingen op aarde. ‘Die metafoor werd aanvankelijk weggelachen omdat het zo new age klinkt. Lovelocks hypothese benadert de realiteit echter beter dan de reductionistische metaforen en wordt inmiddels breed gedeeld door klimaat­wetenschappers. Complexe metaforen bieden inzicht in een complex geheel en helpen ons onze eigen rollen en relaties te herdefiniëren. Misschien is het een bittere pil om de illusie van controle op te geven, maar het betekent niet dat we passief hoeven te blijven. We moeten juist handelen in het besef van de complexiteit van Gaia. Een berustend handelen, ergens in het midden tussen hoop en wanhoop.’

Beeld: Mikko Kuiper