Home Niet-westerse filosofie Confucius – De Gesprekken
Niet-westerse filosofie

Confucius – De Gesprekken

‘Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die meer om deugd gaf dan om vrouwelijk schoon.’ De Gesprekken geeft een inleiding op de filosofie van Confucius.

Door Kristofer Schipper op 30 juni 2014

Confucius – De Gesprekken

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

ix: 1. De Meester sprak zelden over voordeel; vaker over het levenslot, en nog vaker over medemenselijkheid.

Ieder mens heeft zijn of haar eigen leven te leiden. Waarom discussiëren over wie er op materieel gebied beter aan toe is? Medemenselijkheid is een kwestie van ethiek. Het is in strijd met dit principe om je af te vragen wat voor voordeel medemenselijk zijn je zou kunnen opleveren.

Veel andere vertalingen zien hier een opsomming en menen dat het gaat om drie dingen, ‘voordeel, lot en medemenselijkheid’, waarover de Meester zelden zou hebben gesproken. Deze interpretatie lijkt niet juist. Confucius sprak inderdaad zelden op een positieve manier over ‘voordeel’ (li), aangezien hij dat onethisch en vulgair vond (zie bijvoorbeeld iv: 12).
Medemenselijkheid was daarentegen een van de belangrijkste onderdelen van zijn filosofie. Het is dus onlogisch dat hij daar ‘zelden’ over gesproken zou hebben.

Ook de syntaxis van de zin maakt het weinig aannemelijk dat het hier om een opsomming van drie dingen gaat die op één lijn gesteld worden. Wanneer er in De gesprekken sprake is van een opsomming, wordt over het algemeen simpelweg een aantal zelfstandige naamwoorden zonder verbindingswoord achter elkaar gezet (zie bijvoorbeeld vii: 21). Hier vinden we echter tweemaal een lidwoord (yu), dat niet alleen ‘en’ betekent, maar dat ook, met betrekking tot wat voorafgaat, een vergelijkende trap kan aanduiden (een van de grondbetekenissen van yu is ‘optillen’).

Er is ook geprobeerd om deze uitspraak te amenderen. Zo zou het karakter voor ‘zelden’ (han) een fout zijn voor een gelijkluidend karakter dat ‘dikwijls’ betekent. Maar ook dat is moeilijk vol te houden. Onze vertaling hier lijkt de enig mogelijke.

ix: 2. Een man uit de gemeenschap van Daxiang zei: ‘Groot is Confucius! Hij is erg geleerd, maar hij is nergens echt beroemd om.’
Toen dit de Meester ter ore kwam, zei hij tot zijn meest nabije leerlingen: ‘Wat zal ik oppakken? Wagenrennen? Boogschieten? Ik denk dat ik maar ga wagenrennen.’

De ‘gemeenschap’ (dang) is een soort buurtschap, georganiseerd rond het plaatselijke altaar van de Aarde (she). Een dergelijke gemeenschap was georganiseerd volgens de principes van gelijkheid van alle leden en wederzijdse bijstand. In de moderne tijd heeft dang de betekenis van ‘politieke partij’ gekregen.

De mensen uit de dorpsgemeenschap verwachtten natuurlijk dat een beroemdheid zoals Confucius een uitblinker zou zijn in een sport of in vechtkunst, en hadden geen idee van zijn ethische filosofie.
Confucius maakt er, in plaats van verontwaardigd te zijn, een grapje over.

ix: 3. De Meester zei: ‘Een kap van linnen: dat is wat het ritueel voorschrijft. Maar nu gebruikt men zwarte zijde omdat het goedkoper is. Ik sluit me aan bij wat iedereen doet.
Het ritueel schrijft ook voor dat men onder aan de trap van het altaar een buiging moet maken, terwijl men dat nu pas doet nadat men het altaar bestegen heeft. Dat is aanmatigend.
Hoewel ik me hierbij onderscheid van de massa, ga ik toch door met onder aan de trap een buiging te maken.’

Of de kap nu van linnen of van zijde is, is een zuivere formaliteit. Bij het bestijgen van het altaar gaat het om iets anders: vrome eerbied, van binnenuit.

ix: 4. De Meester vermeed de vier volgende dingen volkomen: wantrouwen, zelfverzekerdheid, halsstarrigheid en egoïsme.

Vertrouwen in het goede in de mensen, maar toch op je hoede blijven. Je aanpassen aan de omstandigheden, of die nu gunstig zijn of niet. Niet alleen aan jezelf denken, maar anderen voor laten gaan (rang).

ix: 5. Toen de Meester in Kuang in gevaar verkeerde, zei hij: ‘Koning Wen is al lang gestorven, maar is zijn cultuur niet hier, bij ons, bewaard gebleven? Als de Hemel deze cultuur teniet had willen doen, dan hadden wij, latere stervelingen, nooit deze cultuur bezeten. En als de Hemel deze cultuur van ons nu nog niet teniet wil doen, wat heb ik dan te vrezen van deze lieden van Kuang?’

Deze episode in het leven van de Meester speelt zich af in een grensplaats tussen de twee staten Wey en Chen. Daar wordt hij voor iemand anders aangezien, en wel voor een gevaarlijke bandiet, genaamd Yang Huo. De krijgers van Kuang omsingelen Confucius en zijn leerlingen, en willen hen doden.

Confucius ziet zichzelf belast met de taak het ethos van de koningen van weleer te bewaren en over te dragen. Hij noemt hier speciaal koning Wen, de eerste vorst van de Zhou-dynastie, wiens autoriteit zich over het hele toenmalige China uitstrekte, en die dus gezien kan worden als degene die, dankzij het mandaat van de Hemel, het legitieme bestuur van de Zhou-dynastie had gesticht. Dit is wat Confucius hier ‘deze cultuur van ons’ (siwen) noemt, en wat sindsdien een geijkte uitdrukking is geworden voor de grote traditie van het confucianisme.

Het gevaarlijke incident loopt met een sisser af.  

ix: 6. De grote landvoogd vroeg aan Zigong: ‘Is die goede Meester van je eigenlijk wel een heilige? Hoe komt het dan dat hij over zoveel [doodgewone] vaardigheden beschikt?’
‘De Hemel heeft hem zeker tot een heilig mens gemaakt. Dat hij beschikt over vele vaardigheden is een bijkomstigheid,’ antwoordde Zigong.
Toen de Meester dit vernam, zei hij: ‘Kent de grote landvoogd mij dan? Toen ik jong was, was ik arm en daarom ben ik bekwaam in vele onbeduidende zaken.
Het is de vraag of een hoogstaand mens wel zoveel vaardigheden nodig heeft. Misschien wel niet.’

In dit hoofdstuk komt Confucius regelmatig terug op het feit dat hij geen bijzonder mens is. Hij verdient het niet een hoogstaand, en nog minder een heilig mens genoemd te worden. Alles wat hij is, heeft hijzelf bereikt door zijn eigen wil om te leren.

In zijn jeugd heeft hij veel gewoon werk moeten doen, en daardoor veelsoortige vakkennis opgedaan die voor mensen uit hogere kringen zeker niet nodig is. Confucius is nederig.

De ‘grote landvoogd’ is niet verder bekend.

ix: 7. Lao zei: ‘De Meester vertelde ons: “Ik had geen positie. Daarom leerde ik de vrije disciplines.”’

Dit sluit aan bij de vorige uitspraak. Deze ‘Lao’ is verder onbekend; men veronderstelt dat hij een leerling moet zijn geweest.

ix: 8. De Meester zei: ‘Bezit ik veel kennis? Ik heb niet veel kennis.
Eens kwam een man uit het volk mij een vraag stellen en toen wist ik hem geen enkel antwoord te geven. Daarop onderzocht ik de zaak grondig, totdat ik deze volledig had begrepen.’

Een illustratie van wat in de voorafgaande passages is gezegd. Letterlijk zegt de Meester om zijn staat van onwetendheid te beschrijven toen hij antwoord op de vraag van de man uit het volk moest geven: ‘Het was alsof ik volkomen leeg was.’

Dit zou ook kunnen slaan op de geestesgesteldheid van Confucius, die zich eerst ‘helemaal leeg maakt’ om zich daarna beter te kunnen concentreren op het vraagstuk.

ix: 9. De Meester zei: ‘Er is geen feniks gekomen. De [Gele] Rivier heeft geen diagram gebracht. Ach! Dit is het einde voor mij!’

Een kreet van wanhoop. De verschijning van een wondervogel (feng) brengt geluk en kondigt een nieuw tijdperk van voorspoed aan. Het diagram uit de Gele Rivier is het beroemde ‘magische vierkant’ dat oervader Fuxi ontdekte op de rug van een mythisch dier — half paard, half draak — dat opsteeg uit de golven van de Gele Rivier. Volgens een andere versie. bestond het diagram uit de acht trigrammen van de Chinese orakelkunde. Ook dit wonder was het voorteken van een tijd van vrede en geluk.
Confucius had gehoopt dat een dergelijk tijdperk eens zou mogen terugkeren in Lu, zijn eigen land.

ix: 10. Wanneer de Meester iemand zag die in de rouw was, die voor een plechtig ritueel gekleed was of die blind was, stond hij op zodra hij hem zag, ook al was die persoon jonger dan hijzelf.
Als hij op de weg zo iemand voorbij moest, versnelde hij altijd zijn pas.

Dit zijn allemaal uitingen van respect.
Opstaan geldt ook bij ons als een vorm van beleefdheid.
Vlug, en vooral met kleine pasjes lopen (eigenlijk dribbelen) is een typisch Chinese manier om eerbied te tonen. Vergelijk x: 3 en x: 4.
Confucius deed al deze dingen spontaan, vanuit een sterk gevoel van medeleven.

ix: 11. Yan Yuan zuchtte klaaglijk en zei: ‘Hoe meer ik ernaar opzie, hoe hoger het wordt.
Hoe dieper ik erin doordring, hoe ondoordringbaarder het wordt.
Ik zie het voor me en plotseling zit het achter me.
Mijn goede Meester leidt me, stap voor stap, op voortreffelijke wijze. Hij vergroot mijn kennis door de geschriften, hij disciplineert me door het ritueel.
Ik zou het willen opgeven, maar kan het niet.
En als ik al het talent waarover ik beschik heb uitgeput, dan blijft er nog altijd iets zo ontzaglijk hoogs over dat, hoe graag ik het ook zou willen volgen, de middelen mij daartoe ontbreken.’

De diepgang van de filosofie van de Weg van Confucius is zo groot dat zelfs zijn beste leerling die niet kan peilen. Na de klassieke boeken en het ritueel grondig geleerd te hebben, blijft er ‘iets ontzaglijk hoogs’ over dat ongrijpbaar schijnt te blijven.
Hier wordt zeer duidelijk gezinspeeld op een mystieke dimensie van de leer van Confucius, die Yan Hui zou hebben ontdekt en zich eigen wilde maken. Dit strookt met het beeld van Yan Hui dat voorkomt in De innerlijke geschriften, het oudste gedeelte van de Zhuangzi. In een beroemde passage leert Confucius Yan Hui ‘de vasten van het hart’. In een andere is het Yan Hui zelf die de Meester vertelt over zijn manier van mediteren door ‘te zitten en alles vergeten’ (6: xi).

Zoals te verwachten zijn er in later tijden ook commentatoren gekomen die deze interpretatie weerleggen en weigeren aan te nemen dat de leer van Confucius ook een mystieke kant had. Volgens hen was alles wat hij onderrichtte heel eenvoudig te volgen. Pas op de lange duur werd het volharden in de studie, voor iemand die een hoogstaand mens wil worden, een zware taak; zo zwaar dat zelfs Yan Hui er wanhopig onder werd.

ix: 12. Toen de Meester eens ernstig ziek was, liet Zilu de leerlingen doen alsof ze lakeien waren.
Nadat hij zich wat beter voelde, zei de Meester: ‘Deze maskerade van jou, You [Zilu], heeft lang genoeg geduurd. Door mensen te laten doen alsof ze mijn lakeien zijn terwijl ik er geen bezit, wie zou ik daarmee om de tuin kunnen leiden? De Hemel?
Daarbij komt dat ik, in plaats van in de armen van lakeien te sterven, liever in de armen van jullie, mijn leerlingen, zou willen sterven!
En zelfs al mag ik geen aanspraak maken op een grootse begrafenis, betekent dat dan dat ik aan de kant van de weg zal doodgaan?’

Een filosofische school heette een ‘familie’ (jia). Dat kwam niet alleen vanwege de geestverwantschap, maar ook omdat een school een sociale en economische eenheid was.

Confucius had aan het einde van zijn leven geen mannelijke nazaten. Zijn zoon was enige jaren daarvoor gestorven. Zijn leerlingen waren dus zijn enige ‘familie’ geworden. Het idee dat hij blij zou zijn als hij door als lakeien (misschien eigenlijk slaven) verklede leerlingen bediend zou worden, teneinde hem daarmee de indruk te geven dat hij aan het einde van zijn leven toch nog een aanzienlijke status had bereikt, ging dus niet op.

Confucius zegt dat hij hoopt in de armen van zijn geliefde leerlingen te mogen sterven. Dat zal inderdaad gebeuren. Het zijn dan ook de leerlingen die de rouwrituelen uitvoeren die eigenlijk de nabestaanden van de Meester zouden hebben moeten doen.

ix: 13. Zigong zei: ‘Hier heb ik een mooi stuk jade. Zal ik het in een doos doen om het te bewaren, of zou ik liever naar een goede prijs zoeken om het te verkopen?’
De Meester zei: ‘Verkoop het! Verkoop het! Ik zit ook op iemand te wachten die me een goede prijs geeft!’

Een kostbaar stuk jade wordt zorgvuldig weggeborgen om niet de hebzucht van hen die het zien op te wekken, want dat kan nare gevolgen hebben. Zo ook het kostbare talent van Confucius: hij loopt er niet mee te koop, probeert geen gegadigden te vinden, hoezeer hij ook mag lijden onder de miskenning door de machtigen van zijn tijd. Geduldig wachten tot er een koper komt, dat is het enige wat erop zit.

ix: 14. De Meester wilde bij de negen stammen van het Yi-volk gaan wonen.
Iemand zei: ‘Ze zijn onbeschaafd. Hoe moet dat?’
‘Als een hoogstaand mens onder hen zou gaan wonen, wat zou er dan nog van die onbeschaafdheid overblijven?’ zei de Meester.

De Yi waren de autochtone bewoners van de oostkust van China. Zij waren primitief, maar onbedorven. De Meester was er zeker van dat zijn beschavende invloed zich overal zou doen gelden, zelfs bij deze ongeletterde inboorlingen.

ix: 15. De Meester zei: ‘Nadat ik van Wey naar Lu was teruggekeerd, werd de muziek gerectificeerd en werd aan de hofzangen en de offerhymnen hun juiste plaats gegeven.’

De hofzangen (ya) en de offerhymnen (song) zijn niet alleen de namen van twee soorten van liederen, maar ook de titels van twee secties van De oden. Men beschouwt deze uitspraak graag als een bewijs dat Confucius zelf de huidige versie van De oden (Shijing) zou hebben samengesteld. Maar hier gaat het over de muziek die zou zijn herzien nadat Confucius in andere landen de daar bestaande tradities had bestudeerd.

De oden als collectie bestond waarschijnlijk al voor Confucius’ tijd. Er is geen reden om aan te nemen dat hijzelf een hand zou hebben gehad in de redactie.

ix: 16. De Meester zei: ‘Buitenshuis heb ik [altijd] de hertog en zijn ministers gediend, binnenshuis mijn ouders en broers.
Als er een begrafenis is, kan ik niet anders dan mijn uiterste best doen.
Ik drink nooit te veel wijn.
Wat kan me verweten worden?’

De strekking is hier waarschijnlijk dat terwijl Confucius zijn best doet om een onberispelijk leven te leiden, zij die kwaad over hem spreken bij lange na niet zo deugdzaam zijn.

ix: 17. Eens stond de Meester op de oever van een grote rivier en zei: ‘O! Zo stroomt het [leven]! Dag en nacht, zonder ophouden.’

Het oneindig stromen van de rivier zou een metafoor zijn voor de immer voortgaande studie om zich het ethos van de koningen van weleer eigen te maken. Maar deze interpretatie is niet alleen afgezaagd: ze vertelt ook niet waarom de Meester zo onder de indruk is.

Een meer aannemelijke interpretatie is misschien te vinden in hoofdstuk 17 ‘Herfstvloed’ van de Zhuangzi. Daar wordt de waterstroom van de Gele Rivier vergeleken met het vlietende menselijk leven, voordat het verdwijnt in de eindeloze oceaan van de Tao.

ix: 18. De Meester zei: ‘Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die meer om deugd gaf dan om vrouwelijk schoon.’

In Het leven van Confucius door Sima Qian (zie p. 377) wordt deze uitspraak in de mond gelegd van de Meester, die ermee uiting geeft aan zijn frustratie ten opzichte van de hertog van Wey. Deze ging namelijk liever uit rijden met zijn geliefde Nanzi dan naar de wijze raad van de filosoof te luisteren. Maar dat is misschien alleen maar een latere reconstructie.

Voor het confucianisme zijn zowel de liefde voor vrouwelijk schoon alsook het verlangen naar de deugd natuurlijke impulsen. Jammer alleen dat de eerste impuls vaak sterker is dan de tweede. Deze uitspraak wordt nog eens herhaald in xv: 13

ix: 19. De Meester zei: ‘Stel dat ik een heuvel maak: als ik ophoud op het moment dat er nog één korf aarde op moet, dan maak ik het niet af.
En stel nu dat ik een gat ga vullen: ook al heb ik er nog maar één korf aarde in geleegd, mits ik maar doorga met dat te doen, boek ik vooruitgang.’

Een vergelijking, waarschijnlijk bedoeld voor de leerlingen. Een goed begin is het halve werk, maar alleen de aanhouder wint. Of iets dergelijks.

ix: 20. De Meester zei: ‘De enige die nooit moe werd als ik tegen hem praatte, was Yan Hui, nietwaar?’

De beste leerling geeft het goede voorbeeld voor de anderen, die misschien wel eens moe werden van wat de Meester hun allemaal zei. Maar misschien — zo kan men deze uitspraak namelijk ook opvatten — was het Confucius zelf die nooit moe werd met hem te praten, want Yan Hui was het altijd overal mee eens en zei nooit iets terug. Zie ook ii: 9.

ix: 21. De Meester zei van Yan Hui: ‘Helaas! Ik zag hem alleen maar vooruitgaan, zonder te beseffen dat hij eens zou ophouden!’

Of: ‘Wat jammer toch! Ik zag hoe hij vooruitging, maar ik mocht niet aanschouwen wat hij uiteindelijk zou bereiken.’ Dit hoort bij de volgende uitspraak.

ix: 22. De Meester zei: ‘Knoppen die niet gaan bloeien, dat komt voor. En helaas! Bloesems die geen vrucht voortbrengen, ook dat komt voor!’

De ‘bloemen in de knop gebroken’ (Kloos) slaan op de hierboven genoemde Yan Hui. De bloesems die geen vrucht voortbrengen zijn een ander geval. Daarover gaat de volgende uitspraak.

ix: 23. De Meester zei: ‘Voor de jonge generatie moeten we respect hebben. Wie weet of zij die nu opkomen ons niet zullen voorbijstreven? Maar als mensen op veertig- of vijftigjarige leeftijd nog geen enkel aanzien hebben verworven, dan zijn ze het niet waard dat we ontzag voor hen hebben.’

Dit is een betekenisvolle uitspraak: de senioren verdienen geen ontzag als zij niets bereikt hebben in het leven. Jongeren zijn een ander geval: als beheerders van de toekomst behoren ze met respect te worden behandeld. Dit gaat in tegen veel tradities in paternalistische samenlevingen.

ix: 24. De Meester zei: ‘Terechtwijzingen, kun je nalaten die te gehoorzamen? Maar waar het om gaat is je te beteren!
Lovende woorden, kunnen die nalaten je blij te maken? Maar hun eigenlijke bedoeling, daar gaat het om!
Mensen die blij zijn, maar niet verder kijken, of die de regels navolgen zonder zich te beteren: ik weet niet wat ik met hen moet aanvangen!’

Bij terechtwijzingen moet je vooruitzien en zorgen dat die niet meer nodig zijn.

Bij lof moet je omkijken en zien met welke bedoelingen je geprezen wordt. Het oppervlakkig volgen van de regels of het klakkeloos aannemen van lof is uit den boze.

Dat de termen die hier gebruikt worden voor ‘terechtwijzingen’ (fayu zhi yan) en ‘lovende woorden’ (xuanyu zhi yan) eigenlijk de titels zouden zijn van oude boeken, zoals dat soms wordt aangenomen, is onwaarschijnlijk. Er zijn geen werken bekend uit de Oudheid die zo heten.

ix: 25. De Meester zei: ‘Wees voor alles trouw en eerlijk, geef je niet af met onwaardige lieden. Heb je een fout gemaakt, wees dan niet bang je te beteren.’

Dit is dezelfde uitspraak als i: 8.

ix: 26. De Meester zei: ‘Je kunt de drie legioenen ontdoen van hun opperbevelhebber, maar een gewone man afbrengen van zijn streven, dat is onmogelijk.’

De ‘drie legioenen’ waren de complete legermacht van Lu (zie vii: 11). Als een opperbevelhebber wordt vervangen, zullen de soldaten over het algemeen niet als één man protesteren en in staking gaan. De wil van de enkeling, mits sterk genoeg, kan nooit overwonnen worden.

Confucius zou zich hier hebben uitgesproken voor het respecteren van de rechten van het individu. Dit is niet onmogelijk, maar het is ook goed mogelijk dat hij de nadruk legt op de onverzettelijke wilskracht die nodig is om medemenselijk te worden.

ix: 27. De Meester zei: ‘Is dat niet echt iets voor Zilu? Zonder zich te generen staat hij daar in zijn oude gewatteerde jas tussen mensen in pelsmantels van vossen en marters.
 
“Zonder afgunst, zonder hebzucht: Hoe kan hij anders dan volmaakt zijn?”’

Daarna reciteerde Zilu onophoudelijk deze verzen. De Meester zei: ‘Wat hier staat, zou dat heus voldoende zijn om volmaakt te zijn?’

Als lof voor Zilu’s eenvoudige levensstijl citeert de Meester een vers uit een van de liederen van Het Boek der Oden (nr. 33). Zilu, heel tevreden met zichzelf, maakt daarop dit citaat tot zijn lijfspreuk. Hij begrijpt niet dat de Meester hem eigenlijk met enige ironie een kleine terechtwijzing geeft. Zilu is namelijk rijk genoeg om zich, als de gelegenheid daarom vraagt, correct te kleden.

ix: 28. De Meester zei: ‘Pas wanneer het weer echt koud wordt, valt je op dat de pijnbomen en de cipressen groen blijven.’

Dit is waarschijnlijk een oud spreekwoord. De strekking is hier dat pas als de omstandigheden moeilijk worden, men de ware aard van de mensen leert kennen.

ix: 29. De Meester zei: ‘De wijze begaat geen dwaling.
Wie medemenselijk is, heeft geen zorgen.
De heldhaftige kent geen vrees.’

Vervolg van de vorige uitspraak: drie kwaliteiten waaraan je werkelijk hoogstaande mensen kunt herkennen.
Eenzelfde uitspraak is te vinden in xiv: 28, waar de Meester eraan toevoegt dat hijzelf niet aan deze condities voldoet. De orde van de opsomming is enigszins anders: eerst komt de medemenselijkheid als zijnde de belangrijkste deugd, dan de wijsheid en als derde de moed. Dat is waarschijnlijk de juiste volgorde.

ix: 30. De Meester zei: ‘Ook al kun je samen leren, dan hoef je nog niet beslist samen naar de Weg te streven.
Ook al streef je samen naar de Weg, dan hoef je nog niet een soortgelijke positie te krijgen.
En heb je eenzelfde soort positie, dan hoef je het nog niet eens te zijn over de manier waarop het beleid moet worden gevoerd.’

Deze, voor De gesprekken vrij uitvoerige, uiteenzetting is een vergelijking met de opeenvolgende stadia in de carrière van een ‘gentleman’ (junzi): eerst de Klassieken bestuderen, dan de Weg zoeken, een positie verwerven en ten slotte autoriteit uitoefenen. Allen kunnen dit bereiken, maar niet iedereen is werkelijk deugdzaam.

ix: 31.
‘De ribes staat in bloei, De bloesems zwaaien heen en weer. Hoe kan ik niet naar jou verlangen? Maar je woning is zo ver weg!’

De Meester zei: ‘Hij verlangde niet echt naar haar! Anders zou haar woning voor hem heus niet te ver zijn geweest!’

Deze anekdote komt als de conclusie aan het einde van dit hoofdstuk waarin de kwestie van ‘waar een wil is, is een weg’ van verschillende kanten is besproken. Het hier geciteerde lied staat niet in De oden.

Confucius: De gesprekken. Gevolgd door Het leven van Confucius door Sima Qian (ca. 145-86 v. Chr.), vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2014, 428 blz., € 39,99.