Home Mens en techniek Ad Verbrugge: ‘Echt leven is verbonden zijn met de wereld’
Mens en techniek

Ad Verbrugge: ‘Echt leven is verbonden zijn met de wereld’

Ad Verbrugge neemt Anton de Wit mee in een meanderend verhaal over de Nintendo Wii van zijn kinderen, de virtualisering van ons bestaan en de noodzaak van een ‘lijfelijke verbinding met iets of iemand’.

Door Anton de Wit op 22 maart 2011

Ad Verbrugge filosoof beeld Kick Smeets
Cover van 03-2011
03-2011 Filosofie magazine Lees het magazine

Ad Verbrugge heeft een Nintendo Wii gekocht. Voor zijn kinderen, hoor, voor kerst. Zijn zoon is er het dolst op, zoals zovele jongens. Maar, zo geeft de filosoof toe: hij vindt het zelf ook best een leuk apparaat. Zo nu en dan – ‘Dat soort dingen moet je een beetje beperken, vind ik’ – kun je Verbrugge senior en junior dus gezamenlijk door hun huiskamer in Leiden zien springen als ze een potje tennis spelen.

Want de Wii – voor de digibeten onder ons – is een spelcomputer waarvoor je je fysiek moet inspannen. Je speelt de spelletjes niet louter met wat knopjes of een joystick, maar de bediening registreert jouw daadwerkelijke beweging, die dan naar het beeldscherm vertaald wordt. Het is dus net alsof je echt staat te tennissen.

‘Nee, dat is precies mijn punt’, protesteert Verbrugge. Het is juist niet zo dat je je gedraagt alsof je echt staat te tennissen. ‘Ik voel het gravel van de tennisbaan niet onder mijn zolen, ik adem de buitenlucht niet in. Ik maak wel een beweging, maar die beweging heeft een louter symbolische betekenis: mijn lijfelijke inspanning resulteert niet in een echte beweging; ik voel de weerstand van de bal niet wanneer ik sla. En degene tegen wie ik sta te tennissen zie ik op het scherm tegenover me staan, maar in werkelijkheid staat hij gewoon naast me in de huiskamer. Ik ben aan het wii’en en dat is wat anders dan doen alsof.’

Hij wil maar zeggen – en het is een punt dat een belangrijke plaats zal innemen in zijn nieuwe boek, Staat van verwarring: moderne techniek als zodanig neigt naar virtualisering. Voor alle duidelijkheid: hij wil allerminst beweren dat ‘virtueel’ synoniem is aan ‘onecht’, het tegenovergestelde van ‘echt’. Ook gaat het er dus niet om dat je doet ‘alsof’ op zo’n manier dat mensen en dingen lijken op de tastbare werkelijkheid. Het ligt complexer: ‘Wanneer iemand aan het gamen is, denkt hij geen moment dat die game-wereld echt is. Net zomin als een kind dat soldaatje speelt denkt dat hij echt in een oorlog vecht. Wat in beide gevallen wél echt is, is het spel zelf: ze zijn echt aan het spelen.’

Het verschil dat kinderspel en het computerspel schuilt in de lijfelijke ervaring. ‘Een kind dat soldaatje speelt kan nog echt een kluit tegen zijn kop gesmeten krijgen. De gamer die een oorlogsspelletje speelt, hoe realistisch het ook lijkt, voelt niets van de granaat die naar hem toe geworpen wordt; hij voelt niet de lijfelijke pijn en moeite.’ Iets wordt volgens Verbrugge ‘virtueel’ wanneer er geen rechtstreeks verband meer is tussen de lichamelijke handeling en de wereld. Daarbij ontstaat er ‘afstandelijk contact op afstand’. Moderne techniek en bij uitstek ICT-techniek ‘ontlijft’ ons en transformeert de aard van het contact met mensen en dingen, aldus Verbrugge.

Primitieve ploeg

De vraag is: is dat een probleem? Techniek is immers zo oud als de mensheid, of in ieder geval zo oud als onze beschaving. Ook de primitiefste ploeg ‘ontlijfde’ ons al in zekere zin, omdat we niet meer met onze blote handen de aarde hoefden om te woelen. Verbrugge: ‘Natuurlijk. Je zult mij ook niet horen zeggen dat techniek demonisch is of zo. Ik zeg ook niet dat het per se een probleem is. Ik constateer alleen dat onze werkelijkheidservaring erdoor verandert.’

‘En wat dat betreft is er wel degelijk een wezenlijk verschil tussen oude techniek en moderne techniek. Neem nu een zeilboot en een motorboot. Beide zijn technologische hulpmiddelen. Maar een zeilboot is ingebed in mijn lijfwereld. Je voelt de wind in de zeilen, je voelt de kou en nattigheid op je huid. De natuurkrachten vertalen zich direct in de beweging. Bij de motorboot is dat niet het geval. Je neemt kolen of olie mee die de boot in beweging zetten. Zodoende maak je je los van de natuurwereld die je onmiddellijk omgeeft. In moderne techniek is een deel van de beweging autonoom geworden.’

Met de uitvinding van de elektriciteit ging de virtualisering nog een stapje verder, stelt Verbrugge. Want die maakte het mogelijk dat de mens zich ook losmaakte van ruimte en tijd. ‘Neem de telefoon. Die maakt dat ik op afstand hoor en mijn stem op afstand op iemand inwerkt. Je neemt de telefoon op – maar waar vindt het gesprek plaats? Het opent een nieuwe ruimte die mij losmaakt van mijn lijfelijke binding aan de plaats, de lijfwereld. Je merkt ook meteen wat voor invloed dat heeft. Iedereen kent die taferelen wel: je voert een heel levendig telefoongesprek, maar ligt intussen wel onderuitgezakt op je bed. Waarbij je denkt: gelukkig ziet degene aan de andere kant van de lijn me nu niet. Je bent dus in feite maar gedeeltelijk aanwezig in het gesprek. Met je gedachten ben je er wel bij, maar met je lijf niet.’

Beeldscherm

Het is niet per se een schijnwerkelijkheid die de moderne techniek zo creëert: het gesprek dat je voert aan de telefoon is immers een ‘echt’ gesprek. Maar de moderne techniek trekt volgens Verbrugge wel een scherm op binnen onze werkelijkheid. Ze creëert mede deze afstand tussen ons en onze omgeving. ‘Het duidelijkst zie je dat in het beeldscherm van de televisie of van de computer. Ook dat scherm opent een nieuwe ruimte – een virtuele, maar toch ook heel echte ruimte. Die ruimte dringt zich zelfs heel nadrukkelijk aan je op. Zet maar eens een tv aan in een kamer met mensen, en alle blikken zullen erop gericht zijn. Maar ook het scherm vraagt slechts een gedeeltelijke aanwezigheid, doordat het enkel op de afstandelijke zintuigen inwerkt – mijn ogen en oren. En het zorgt daarom ook voor afscherming. Zoals in de motorboot waarin ik de wind niet meer voel. Ik kan naar een gruwelijke film kijken, maar zodra ik op de uitknop druk is die weg. Ik kan op mijn pc informatie op mij toe laten komen, ik kan filmpjes kijken op YouTube, ik kan gaan chatten, maar steeds heb ik de mogelijkheid om iets aan en uit te zetten. Het scherm biedt dus letterlijk bescherming.’

Niet alleen de buitenwereld wordt afgeschermd door de presentatie via de personal computer, ook onszelf schermen we af als we ons presenteren via de computer, betoogt Verbrugge. ‘We hebben onze weblogs, zetten onze filmpjes op YouTube, delen al onze oprispingen via Twitter, we zetten onze vakantiefoto’s op Facebook. Maar tonen wij onszelf daar zoals we écht zijn? Dat hoeft natuurlijk helemaal niet. We kunnen bovendien steeds meer in deze ontlijfde ruimte worden opgezogen, precies omdat die voortdurend ook op ons inwerkt. We staan bloot aan de indrukken die het scherm ons biedt en tegelijk menen we ons daarmee te beschermen. Zo kunnen we gericht raken op de indruk die wijzelf beschermd op mensen maken. Ik hoorde laatst van iemand dat hij een vriend tegenkwam met wie hij ook bevriend was op Facebook. Daar wekte deze vriend een vrolijke indruk en was hij met allerlei dingen bezig, maar wat bleek? Zijn vriendin had het zes weken eerder uitgemaakt. Daar had hij tegen zijn vrienden helemaal niets over gezegd op Facebook, maar hij had ook geen ander contact gezocht. Hij had zich daarvoor letterlijk afgeschermd. Dat zijn dingen die bij lijfelijk contact vaak moeilijker te verbergen zijn.’

‘Door deze nieuwe media is de oervraag van de filosofie weer relevant geworden. Namelijk: wat is echt? En wat is pseudos – bedrieglijk, onecht, imaginair? Internet en Facebook maken die vragen op een nieuwe manier zeer actueel. We willen allemaal een indruk wekken. Alsof wij allemaal zo’n tof leven hebben en op een heleboel leuke feesten zijn – kijk maar naar de foto’s. Die foto’s zijn echt en je bent echt op dat feest en al die leuke dingen geweest. Toch wek je met dergelijke foto’s altijd een partiële indruk van je leven, dat soms zelfs op gespannen voet staat met het leven dat je echt leidt. Dat wordt in de hand gewerkt door het feit dat je Facebook-vrienden hetzelfde doen. Daardoor komt er een eigenaardige druk op je leven te liggen, zo van: wat doe ík eigenlijk? Wat heb ik een saai leven. Dus zelf ga je je ook op een andere manier gedragen. O ja, ik ben nu bij dit concert, even een foto maken voor op Facebook. Indruk en lijfwereld gaan interfereren. Je bent in de lijfwereld al bezig met de indruk die je gaat wekken op Facebook. Om indruk te wekken moet je er natuurlijk wel echt zijn geweest – dus lijfelijk. Maar in die lijfelijke aanwezigheid kijkt het derde oog al mee: het oog van je virtuele vrienden, het oog van de indruk die je er wellicht mee gaat wekken. De nieuwe druk waaronder mensen leven, is dat ze een “indrukwekkend leven” moeten hebben. Ons bestaan wordt “impressionistisch”.’

Droom

Het probleem met indrukken, zo gaat Verbrugge verder, is dat ze altijd vluchtig zijn. Ze dienen zich heel dwingend aan ons aan, maar we maken er niet echt deel van uit. ‘Je ziet dat heel goed in de wijze waarop we media als tv en internet gebruiken. We zappen. We klikken maar door. En aan het einde van de avond denk je: wat heb ik nou eigenlijk gedaan? Ik zie een sterke overeenkomst tussen dit soort activiteiten en de droom. Die zijn roesachtig. Een kenmerk van de droom is ook dat je er altijd in terechtkomt, dat dingen gebeuren zonder jouw lijfelijke inspanning, en ook dat de indrukken zeer fluïde zijn: de auto waarin ik zit blijkt plots een trein geworden, het landschap verandert, de mensen veranderen. Soms is dat heel beangstigend. Volgens mij is het geen toeval dat juist sinds de opkomst van de ICT het thema van de droom of de nachtmerrie weer belangrijk is geworden in onze cultuur – kijk naar films als The Matrix en Inception. Ook de computer heeft iets van die droomwerkelijkheid, van die aaneenschakeling van indrukken waar je maar moeilijk grip op kunt krijgen.’

Het grote risico is versnippering van onze aandacht, verlies van concentratie. ‘We verliezen het wezenlijke uit het oog. Wezen, dat is ook: je ophouden bij iets, ergens verblijven, bij iets zijn. Wanneer zeggen we dat iemand een wezenloze blik heeft? Wanneer hij nergens meer op gericht is, wanneer hij zijn aandacht niet meer op iets vestigt. Dat is precies het risico dat moderne technologie met zich meebrengt: omdat lijfelijke inspanning niet meer nodig is voor de aanwezigheid van mensen en dingen, dreigt juist ook geestelijke fragmentatie, verbrokkeling. Ik aard niet meer, ben rusteloos. Kijk naar het zappen, naar het copy-pasten van flarden tekst; ons vermogen tot concentratie neemt af, en daarmee de kwaliteit van levensuitingen. Je zou kunnen zeggen: als wij nergens meer “wezen” en als de werkelijkheid in de virtualisering van afstandelijke indrukken wezenloos wordt, dan gaat er ook iets stuk. We vervloeien ook zelf. Dat is wat je in de radicalisering van de roes van de drugsverslaafde ziet: hij depersonaliseert. Zo zijn er ook al computerjunks en televisiejunks. Je concentratie betreft niet meer je lijfelijke bestaan, maar slechts een partiële aanwezigheid; je raakt afgestompt en verwijderd van het volle leven.’

‘Dus vraag ik me af: heeft dat zogenoemde echte leven dan niet te maken met verbinding? Zoals wij het woord ergens ook gebruiken in de uitdrukking “in de echt treden”? Dat je niet de afstandelijke indruk laat overheersen, maar jezelf juist lijfelijk met iets of iemand verbindt, je committeert en er de volle aandacht aan schenkt. We hebben heden ten dage allemaal bewondering voor mensen die dat doen. Dat verklaart volgens mij ook de populariteit van een programma als Boer zoekt vrouw. Zo’n boer leeft onvoorwaardelijk voor zijn boerderij; hij is er lijfelijk aanwezig, staat ’s ochtends vroeg zijn stallen uit te mesten. Zo iemand noemen we daarom “echt”. En ik zeg heus niet dat we allemaal onze computers uit moeten doen en op het platteland moeten gaan leven. Nogmaals: techniek is niet per definitie slecht. Ik vind het ook leuk om af en toe YouTube-filmpjes te kijken, ik speel ook graag op de Wii met mijn zoon. Dat is het punt niet. Maar ik denk wel dat we in ons dusdanig gevirtualiseerde bestaan iets van het echte leven moeten proberen te bewaren, door bij dat alles aandacht en concentratie te cultiveren, ook in die virtuele omgeving zelf. De omgang met de moderne techniek vraagt om een nieuwe spirituele weerbaarheid.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.