Home Aandacht trekt ons de wereld in

Aandacht trekt ons de wereld in

Door Jolanda Breur op 29 september 2016

Cover van 10-2016
10-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

In de moderne economie kunnen we onze aandacht niet meer langdurig richten op dat wat we belangrijk vinden, meent de Amerikaanse filosoof Matthew B. Crawford. In zijn strijdbare boek pleit hij voor gemeenschappelijke aandachtsruimtes.

Het tafelblad aan de vliegtuigstoel vóór je dat je zojuist naar je toe trok, confronteert je met een schreeuwerige smartphonereclame. Wanneer je na aankomst op de luchthaven je hand op de roltrapleuning legt, zie je dat deze volledig beplakt is met de repeterende boodschap van een financier. Bij aankomst in je hotel blijkt je sleutelkaart bedrukt met een aanprijzing van een naburig restaurant. Toen de Amerikaanse filosoof Matthew B. Crawford ook nog werd getrakteerd op advertenties via het schermpje van een pinautomaat, was voor hem de maat vol. Hij concludeerde dat we in een aandachts- in plaats van een informatie-economie zijn beland en schreef er een boek over. Want met de aandachtseconomie kwam de aandachtscrisis. We klagen over een gefragmenteerd geestelijk leven, voortdurende afleiding en een kortere aandachtsboog. De media publiceren volop over deze ongemakken – voor Crawford een teken dat we met een cultureel probleem van doen hebben. Daaraan is volgens hem niet enkel de voortschrijdende technologie debet. Blijkbaar kunnen we onze aandacht niet langdurig richten op dat wat we belangrijk achten. Of, vermoedt hij, weten we niet meer wat van waarde is.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Keuzearchitecten

Toen de westerse mens zich een halve eeuw geleden bevrijdde uit zijn religieuze en traditionele keurslijf, raakte hij als individu uiteindelijk geïsoleerd in een mist van keuzes. Het dagelijks leven is tegenwoordig minder gestructureerd en onze aandacht beperkt. Vaak onbewust wordt die laatste gestuurd door de omgeving. En daar maken ‘keuzearchitecten’ volgens Crawford handig gebruik van. Hij refereert aan de positie van artikelen in supermarktschappen. Het resultaat van onderhandelingen met leveranciers die azen op de meest zichtbare plekken. Een veiling van menselijke aandacht, onze kostbare ‘hulpbron’ om te overleven. Hij verbaast zich erover dat we geen claim op deze bron leggen en haar niet beschermen tegen schendingen vanuit de omgeving. Zijn voorstel: introduceer het concept van een gemeenschappelijke aandachtsruimte en maak er afspraken over.

Hoe schrijnend de handel in aandacht kan uitpakken, toont Crawford met voorbeelden uit de gokindustrie. Producenten van fruitautomaten doen er alles aan om spelers aan hun machines gekluisterd te houden. Zo creëren ze een langere ervaring voor de gebruiker en uiteraard meer winst voor de uitbater en zichzelf. Regelmatig plassen gokverslaafden aan fruitautomaten in casino’s in hun broek. Omdat zij gevoelsmatig één zijn geworden met de machine, nemen ze niet meer de moeite om naar het toilet te lopen. De bloei van de gokindustrie sluit aan bij het idee van geavanceerde economieën als ‘ervaringsproducenten’, zo betoogt de filosoof. Ook de game-industrie is er een voorbeeld van.
 

Netflix

Crawford beschrijft gokverslaving, omdat dit fenomeen duidelijk maakt hoe ‘keuzearchitecten’ de aandacht van de consument vasthouden. En omdat de gokindustrieel zich bedient van een cruciaal argument. Want is de vrijheid om iets te doen of laten, binnen bepaalde grenzen, niet heilig in de westerse samenleving? We moeten toch ook zelf weten of we de hele avond onderuitgezakt voor de tv naar Netflix kijken? De vraag is of we dat altijd echt willen. Crawford betwijfelt het. Daarvoor gaat hij enkele eeuwen terug in de tijd, naar de basis van ons zelfbeeld. Het autonome zelf, zo betoogt hij, is het product van een politiek bevrijdingsproject van verlichtingsdenkers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Zij namen de positie van de heerser als vertegenwoordiger van God en de daaruit volgende willekeurige machtsuitoefening onder vuur. Volgens de Engelse filosoof John Locke was ooit de ‘natuurlijke staat’ van de mens er een van vrijheid in handelen en denken. Locke riep burgers op conventionele gewoonten en meningen te verwerpen.

‘Ik denk, dus ik besta,’ concludeerde filosoof Descartes eerder al. Hij vond de grondslag van kennis in het denken en baseerde daarop ook het bestaan van het ik. De geest bouwt vervolgens kennis op door te denken volgens bepaalde regels. Daarmee draait de waarheid niet meer om de inhoud van die kennis, maar om de manier waarop we ertoe komen. De schijnwerpers van aandacht richten zich zo op denkprocessen in ons hoofd in plaats van op de wereld om ons heen. Weten houdt geen rechtstreeks verband meer met die wereld. We construeren er een representatie van. En daarmee verloren we volgens Crawford het contact met onze omgeving. Want uit deze denkexercitie volgde ook dat zintuiglijke ervaringen gewantrouwd en minstens kritisch geanalyseerd moesten worden.

Het bevrijdingsproject van de Verlichting bracht veel, maar legde ook een loden last op de schouders van de westerling, meent Crawford. Vrijheid betekende dat we uitsluitend op onze eigen denkprocessen konden afgaan, wat leidde tot een radicale zelfverantwoordelijkheid. Dit individualisme had ooit als doel ons te bevrijden van gezag. Onder meer de gokindustrie schermt hiermee om kritiek en regulering voor te zijn, stelt de Amerikaanse filosoof. Persoonlijke voorkeuren ontspruiten aan iemands authentieke kern, en daaraan mag niet getornd worden. Maar onder het mom van autonomie en keuzevrijheid manipuleren deze commerciële partijen onze aandacht om winst te maximaliseren.
 

Topkoks

Is de mens dan niet autonoom? Toch wel, vindt Crawford, alleen op een andere manier dan we misschien verwachten. Aan de hand van ‘dissidente’ theorieën die denken en doen met elkaar verbinden, bouwt hij aan een ‘filosofische antropologie’. Hij put daarvoor op onderhoudende wijze uit verschillende wetenschappelijke disciplines. En uit de wereld van de ambachtslieden. Topkoks, orgelbouwers en vaardige monteurs weten als geen ander om te gaan met de weerbarstige objecten om ons heen. We begrijpen die objecten door ze aandacht te schenken en met ze in contact te treden. Niet enkel door op ze te reflecteren. Als we vervolgens het meesterschap in een vaardigheid ambiëren, dienen we eerst het leerlingschap te ondergaan, ook in de wetenschap. Hij citeert de econoom Karl Polanyi: ‘Wie leert van het voorbeeld van anderen, onderwerpt zich aan gezag. Je volgt de meester, omdat je zijn manier van werken vertrouwt, zelfs als je de effectiviteit ervan niet kunt analyseren of in detail verantwoorden.’ De radicale verlichtingsdenkers zouden zich omdraaien in hun graf.

Maar de wereld buiten ons hoofd is geen potentiële bedreiging van het zelf. We nemen de omgeving waar als een uitstalling aan mogelijkheden om te handelen. Wanneer we nieuwe vaardigheden onder de knie krijgen, zien we dus andere opties. Het handelende zelf vindt aansluiting in een wereld die het heeft begrepen en op creatieve wijze beheerst. 

Dat vormingsproces begint al in de wieg, waarmee Crawford wil zeggen dat waarnemingen in een ons aangereikte betekeniscontext staan. Twee houten stokjes herken je in een Chinees restaurant als eetstokjes, in een peuterspeelzaal wellicht als minidrumstokken. Wat we zien verwijst naar sociale normen en praktijken uit onze cultuur. 

En die gedeelde culturele ‘mal’ hebben we nodig om ons te onderscheiden van anderen, want iedereen zoekt naar erkenning als individu. Niet voor niets spreken topsporters tot de verbeelding van een breed publiek. Hun met aandacht verrichte handelingen en verfijnde afstemming op de objecten om hen heen doen vermoeden dat de menselijke mogelijkheden eindeloos zijn. Ze zetten de deur op een kier naar een spirituele dimensie, suggereert Crawford. Het universum lijkt een zekere welwillendheid te vertonen. Zo zorgen drijfvermogen en wind ervoor dat we kunnen surfen. Je hier dankbaar over verwonderen en alert zijn op mogelijkheden heeft iets erotisch voor de Amerikaanse filosoof. Schoonheid trekt de aandacht. En geeft zo alle reden om aan te haken bij die wereld buiten je hoofd.

Dit artikel gaat over Crawfords boek De wereld buiten je hoofd.