Ik gaf mijn nichtje een dagboek cadeau, zo’n echte met een slot. Al schrijft ze er geen letter in, ik gun iedereen – zeker tieners, zeker meisjes – een papieren ‘kamer voor jezelf’, waarin geheimen mogen wonen. Dat je iets kunt delen met jezelf en niemand anders, en dat het dan toch bestaat, spreekt immers niet meer vanzelf. En stel je voor, sommige dagboeken worden gepubliceerd als literaire of filosofische meesterwerken!
Even ervoor had ik mijn eigen tienerdagboeken doorgebladerd. Wie de middelbareschooltijd idealiseert, lijdt aan wonderlijke wanen. De bladzijden vielen haast uit elkaar van woede en hevige (immer onbeantwoorde) verliefdheid, met voortijlende pen in het papier gedrukt.
Vreemd genoeg bleek dat waar ik nu aan terugdenk als allerbelangrijkst nauwelijks gedocumenteerd. Echte geheimen en life-changing moments werden hooguit zakelijk benoemd met een inleidend ‘o ja’. Trivialiteiten ontbraken ook – als ze opdoken, bijvoorbeeld in de drie maanden dat ik poogde dagelijks te schrijven, leek het leven meteen een stuk aangenamer. Een dagboek kan een gesprek met jezelf zijn, maar het mijne was eerder de transcriptie van een realityshow. Alleen het drama werd behouden.
Heel soms klonk er een stem in door die ik herkende. Het leek wel de mijne. Maar publiceren? Dat nooit. Snel terug achter slot en grendel.

