Dit jaar schreef Edward van de Vendel, veelbekroond kinderboekenschrijver, het kinderboek voor de Maand van de Filosofie. Ik ben grappig maar nu even niet gaat over Ebbe, bijna twaalf, die bij zijn moeder woont. Bij hen thuis wonen ook Aurika en Mikolas, een moeder en zoon uit Oekraïne. ‘Ik herken iets in Aurika,’ zegt Ebbes moeder aan het begin van het verhaal, ‘en ik weet zeker dat jij iets in Mikolas zult herkennen.’
Eerst was het niet erg dat het huis gehorig is, maar niemand verwachtte dat de oorlog zo lang zou duren. ‘Nu duurt hij al een paar jaar, en nu woont die keiharde stilte dus overal: mama en Aurika praten niet meer met elkaar.’
Het boek heeft de vorm van een opstel dat Ebbe schrijft voor school. Hij wil de ruzie in huis oplossen. Van zijn juf heeft hij geleerd dat je bij ruzie moet ademhalen en luisteren. Hij bedenkt dat hij de moeders samen om tafel moet zien te krijgen, maar dat blijkt nog niet zo makkelijk. Door Mikolas begrijpt Ebbe dat het voor Aurika ‘als een soort van betalen voelt’ als zijn moeder haar van alles vraagt over de oorlog. En waarom Aurika de lelijke groene bank die beneden stond heeft verkocht, want alles beneden was toch voor hen?
Het thema van de Maand van de Filosofie, ‘Ken onszelve’, is in dit boek niet heel expliciet aanwezig. Impliciet wel, door de spiegeling tussen de twee moeders en de twee zoons, en de herkenning én vervreemding die dat oplevert.
Ik vond het mooi en ontroerend, maar ik ben niet de doelgroep. Daarom heb ik het gecheckt bij mijn dertienjarige zoon. Hij vond het boek ‘wel prima’, maar de vorm van het opstel van Ebbe overdreven en niet grappig. Dat snap ik wel. Het is moeilijk om de humor van een tiener goed in te schatten. Het inleven in de situatie van Ebbe vind ik daarentegen goed gelukt. Daar hebben tieners alleen niet altijd een boodschap aan – als ze überhaupt al een boek willen lezen.
Ik ben grappig maar nu even niet
Edward van de Vendel
Querido
104 blz.
€ 12,50

