‘Waar mijn wereld eindigt en die van hem begint, kan ik niet weten’
Simon Gusman (35) is filosoof en zorgt sinds 2011 voor de schildpad King. In zijn onderzoek houdt hij zich onder meer bezig met de vraag hoe we radicaal andere perspectieven kunnen opnemen in onze kennis.

‘Als mijn schildpad King naar de andere ruimte wil, loopt hij naar de deur en gaat hij ertegenaan tikken totdat de deur opengaat. Ik weet niet of hij daarmee naar mij signaleert “Hé, maak die deur open”, of dat hij simpelweg weet dat hij soms door de deur kan en dus blijft proberen tot het lukt. Hoe zijn wereld er precies uitziet en wat er in hem omgaat, weet ik niet. Wel weet ik dat hij een besef heeft van de ruimte.
King is inmiddels meer dan zestig jaar oud. Hij hoort al sinds de jaren zestig bij onze familie; hij is nog van mijn oma geweest. Als je mijn zoon meetelt, gaat King dus al vier generaties mee. Hij komt vaak naar me toe lopen om op mijn voet te zitten, en als ik mijn tas op de grond leg, probeert hij erin te klimmen. Hij is een nieuwsgierig wezen, helemaal niet schuw.
Of er een band is tussen ons? Schildpadden zijn koudbloedige wezens, dus dat hij op mijn voet komt zitten, komt waarschijnlijk doordat ik een warmtebron ben. Maar zeker weten kun je dat niet. Een schildpad belichaamt het schemergebied tussen waar ons inlevingsvermogen bij kan en waar niet. Enerzijds weet ik niet wat er in een schildpad omgaat, anderzijds zijn er hier in huis veel ervaringen die we samen beleven. Waar mijn wereld eindigt en die van King begint, kan ik niet weten. Er zijn rafelrandjes tussen onze werelden, diffuse gebieden waardoor je geen hard onderscheid kunt maken tussen de mensenwereld en de schildpaddenwereld.
Toch is er een fundamenteel verschil tussen wanneer een mens de kamer binnenloopt of een dier. Jouw reactie op een dier is anders dan op een mens. Je kunt bijvoorbeeld geen schaamte voelen bij een dier zoals bij een ander mens. Dieren kunnen wel naar je kijken, maar ze kunnen je niet betrappen.’
‘Als baasje ram je het geblaf eruit, terwijl dat voor de hond communiceren is’
Valerie Granberg (53) is filosoof en kunstenaar. Ze doet promotieonderzoek naar de betekenis van jaloezie en is samen met filosoof Frank Meester huisgenoot van de teckel Nous’che.

‘Soms heb ik last van plaatsvervangende schaamte als iemand op straat mijn teckel Nous’che aait: ze vindt dat heerlijk en lebbert mensen helemaal af. Een tijdje terug vroeg iemand op het station of hij Nous’che mocht aaien. Ik weet niet hoe we erop kwamen, maar terwijl hij haar aaide, zei ik: “Best raar eigenlijk dat we hondjes wel aaien, maar mensen niet.” “Zal ik jou ook even aaien,” vroeg hij. Ik stemde lachend toe, waarna hij me over mijn schouder aaide.
Honden worden op straat helemaal doodgeknuffeld. Blijkbaar hebben mensen een enorme behoefte aan fysiek contact. Het heeft iets tragisch dat we daar als mensen onderling zoveel moeite mee hebben. Misschien hebben we het afgeleerd; we hebben aanraking zo geseksualiseerd dat het een beladen onderwerp geworden is. Maar aanraking kan ook een vanzelfsprekend onderdeel van communicatie zijn.
Nous’che en ik hebben een taal die uniek is voor ons twee. Ik weet wat ze wil door hoe ze naar me kijkt – ik snap de blik van Nous’che en zij snapt misschien op een bepaalde manier mijn blik. Nous’che hoeft niet te blaffen om iets duidelijk te maken.
Ze blaft dus bijna niet, alleen in haar slaap. Ik heb haar goed opgevoed, dacht ik. Op een gegeven moment kreeg ik een buurvrouw met een grote hond die juist veel blafte. Zij zei dan altijd terug: ja, woef, woef. Ik vond dat irritant; voed je hond een beetje op. Plots vroeg ik me af wat ikzelf eigenlijk aan het doen was: ik zat mijn hond af te leren om te praten. Als baasjes rammen we dat geblaf eruit, terwijl dat voor hen communiceren is. Nogal wiedes dat Nous’che het nu in haar slaap doet. Als ik nu terugdenk aan die buurvrouw, besef ik dat zij met haar “woef, woef” de taal van de hond veel meer ruimte biedt.’
‘We proberen de wildheid van wolven te controleren’
Martin Drenthen (59) is milieufilosoof aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij onderzoekt de ethiek rondom de terugkeer van de wolf in Nederland en schreef daarover onder meer Hek (2020) en Natuur in mensenland (2018).

‘Het laatste uur voor zonsondergang ga ik vaak in het bos wandelen. Soms komt er dan een groep reeën langs. Als je blik kruist met die van zo’n dier, heb je even contact met een andere wereld. Dat is iets magisch. Maar als ik zou horen dat de boswachter ze speciaal voor mij heeft losgelaten, zou die ervaring zijn betekenis verliezen. Een zinservaring kan alleen plaatsvinden in een situatie waarover je geen absolute controle hebt. De reeën zijn oncontroleerbaar; het is een gift dat ze zich laten zien.
Onze omgang met de wolf Bram, die begin december 2025 werd doodgeschoten, laat zien dat we wildheid proberen te controleren. We willen dat wolven zich gedragen door ze te leren van schapen af te blijven, door elektrische hekken te plaatsen of de wolven te zenderen. Die focus op controle ondermijnt ons vermogen om om te gaan met het oncontroleerbare.
Je ziet in ons natuurbeleid een sterke scheiding tussen cultuur en natuur. Natuur zien we als een plek die je bezoekt, waarna je weer naar huis gaat. Natuur is een afgesloten gebied en we verwachten dat wilde dieren ook netjes daarbinnen blijven. Als die scheiding niet helder genoeg is, plaatsen we hekken en wildroosters. Een wild dier als de wolf zet die scheiding op scherp. Een wolf is zo mobiel, legt zulke grote afstanden af, dat die zich nooit aan de grenzen van een Nederlands natuurgebied zal houden. Wolven lopen gewoon door het landschap, net als wij. De wolf sticht zoveel onrust omdat hij ons wereldbeeld onder druk zet. De wolf is een indringer die de menselijke orde bedreigt.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie, mens en natuur? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Of ik zelf weleens een wolf ben tegengekomen? Ik heb een week in Yellowstone gezeten, daar heb ik veel wolven gezien. Maar ik heb vooral gefascineerd zitten kijken naar al die mensen die met dure kijkers langs de kant van de weg staan.’
‘Als het aankomt op dood of ziekte zijn we allemaal even kwetsbaar’
Eva Meijer (46) is filosoof, schrijver en singer-songwriter. Meijer heeft samengeleefd met paarden, katten, honden, cavia’s, konijnen en stadsduiven, en zorgde een aantal jaar voor muizen. Daarover schreef die het boek Muizenleven (2025). Meijers katten kwamen in huis nadat de muizen waren overleden.

‘Voor de muizen zorgen is een van de belangrijkste dingen die ik in mijn leven heb gedaan. Ik besloot een paar jaar terug om laboratoriummuizen te adopteren en ze een goede oude dag te geven. Ik ontdekte al gauw dat muizen eigenlijk helemaal geen muizen zijn. In onze samenleving zien we muizen als plaagdieren, simpele beestjes die je kunt gebruiken in laboratoria. Dat beeld vertekent wat voor wezens het echt zijn, namelijk dieren met persoonlijkheden, projecten en vriendschappen. Zo hielden Bram en Wezel, twee hechte vrienden, erg van nesten bouwen – veel meer dan de andere muizen.
De muizen ontwikkelden ook rituelen voor het omgaan met de dood. Eerst begroeten ze de overleden muis. Muizen begroeten elkaar de hele dag door: soms geven ze elkaar een kusje op de mond, soms gaan ze even staart in staart zitten. Als er een dode muis was, liepen ze naar die muis toe en probeerden contact te maken. Daarna gingen ze de dode muis wassen en uiteindelijk sleepten ze de muis naar een hoek van het muizenhuis en begonnen ze diegene te begraven met nestmateriaal en papiertjes, als een soort sarcofaag.
Muizen worden twee, hooguit tweeëneenhalf jaar oud. Ze leerden me inzien hoezeer de dood deel uitmaakt van het leven. Als het aankomt op dood of ziekte zijn we allemaal even kwetsbaar. Al het leven is eigenlijk muizenleven. Zowel mijn vader als mijn hond Olli zijn overleden in de periode dat ik voor de muizen zorgde. Samenleven met de muizen hielp mij toen. Als iemand ziek is en misschien doodgaat, roept dat veel vragen op over hoe je het best bij iemand kan zijn. Bij de muizen zag ik dat het eigenlijk draait om samenzijn en aandachtig blijven naar de ander en wat diegene nodig heeft. De muizen leerden me beter zorgen.’

