Toen ik jaren geleden afreisde naar Duitsland om voor het eerst een officieel socratisch gesprek te voeren, had ik geen idee dat dit mijn leven drastisch zou veranderen. Het gesprek ging over de vraag: zijn er zinloze vragen? Een week lang braken we ons het hoofd over het verschil tussen zinvol en zinloos, en hoe denken en ervaring, betekenis en verwijzing, semantiek en pragmatiek zich tot elkaar verhouden. Kortom, een gordiaanse knoop van filosofische kwesties. Bij thuiskomst probeerde ik mijn vrouw uit te leggen wat ik die week had gedaan. Zij keek mij verbaasd aan. Of er zinloze vragen zijn? Nou, dat was er een!
Wat mij van die week het meest is bijgebleven is dat onze poging om een simpele vraag door zorgvuldige bespreking te verhelderen zulke grondige verwarring opriep dat ik zelf geen idee meer had wat ik nu eigenlijk vond. Meno vergelijkt, in de naar hem genoemde dialoog van Plato, Socrates met een sidderrog die je verlamt als je bij hem in de buurt komt. ‘Want ik ben in ziel en tong met stomheid geslagen, en ik heb geen idee wat voor antwoord ik je moet geven.’ Zo was het ook met mij.
Deze fascinerende verwarring is ook te vinden in de theorie van Leonard Nelson (1882-1927), de grondlegger van de neosocratische methode. In het spoor van onder meer Kant en Plato beweert hij dat de kunst van het filosoferen bestaat uit het onderzoeken van een grote vraag aan de hand van een klein voorbeeld waarin een ‘naïef oordeel’ ligt besloten: ‘Ik vind dit zinvol.’ Of juist: ‘Ik vind dit zinloos.’ Daarvan zoek je in het gesprek de vooronderstellingen en je toetst of die waar zijn. Door systematische ontleding van de begrippen die je gebruikt is het volgens Nelson mogelijk de onderliggende principes te vinden die als een ‘duistere kennis’ in ieders geest liggen opgeslagen.
Deze theorie vergrootte mijn fascinatie voor de verwarring nog meer. De ondoorgrondelijkheid van onze opvattingen, ons kennelijke gebrek aan zelfinzicht, de vreemde kronkels waarin je terecht komt als je systematisch nadenkt – ze hadden een biologerende werking op me. Wat kon die duistere kennis inhouden? En hoe kan kennis nu duister zijn? Toch is dat, gek genoeg, precies wat je ontdekt in een socratisch gesprek, bleek later keer op keer in de praktijk. Er licht een weten in je op waarvan je niet wist dat je het bezat.
De fascinatie voor de raadselachtigheid van een kwestie, en van jezelf, anderen en de wereld als geheel, heeft me sindsdien nooit meer verlaten. Dat is wat een socratisch gesprek teweegbrengt: het maakt de werkelijkheid raadselachtig en wonderlijk. Wat is de zin van zo’n gesprek? Het is een betoverende ervaring. Heeft zoiets zin?
