Home Niet-westerse filosofie Wat zegt de Koran?
Niet-westerse filosofie

Wat zegt de Koran?

Door Michel Eltchaninoff op 26 februari 2015

Cover van 03-2015
03-2015 Filosofie magazine Lees het magazine
Is een persoonlijke en vreedzame lezing van de Koran mogelijk? Of is er alleen een heilige tekst die aanzet tot onderwerping aan soms gewelddadige regels? Twee filosofen en korankenners, Rémi Brague en Abdennour Bidar, gaan in debat – met de Koran in de hand.

Ze zijn gekomen met de Koran in de hand. Die van Rémi Brague is dik en voorzien van een grote hoeveelheid gekleurde Post-its. Het is een tweetalige versie, wat het mogelijk maakt over de vertaalkeuzes te praten. Abdennour Bidar, die moeiteloos Arabisch leest, heeft een Franse versie meegenomen, want hij vindt het belangrijk dat er over de Koran gepraat mag worden op basis van een vertaling. Als hij op een bepaald moment in de versie van Rémi Brague leest, windt hij zich op over de aantekening van de Al-Azhar Universiteit in Caïro: ‘Interpretatie van de unieke Koran.’

Abdennour Bidar verzet zich tegen deze gijzeling van de tekst door een in zijn ogen verstarde religieuze traditie. Als ‘existentialistisch’ moslim hangt hij een islam aan zonder onderwerping, spiritueel en vrij ten aanzien van geboden en normen. Het is een onderscheid tussen twee vormen van islam die zijn opponent niet echt overtuigt: volgens hem is er slechts een gradueel verschil tussen islam en islamisme. Gedurende drie uur, en met de tekst in de hand, becommentariëren Brague, de specialist van de klassieke Oudheid en de Middeleeuwen, en Bidar, de filosoof, kenner van het islamitisch denken en voorstander van hervorming van de islam, verschillende verzen uit het voor moslims heilige boek.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Dood de polytheïsten overal waar je ze ziet’
Soera 9, vers 5

Abdennour Bidar: ‘Bij een confrontatie met een in potentie gevaarlijk vers als dit voel je dat een degelijke spirituele opvoeding noodzakelijk is. Een kind dat zo’n opvoeding heeft genoten, zal begrijpen dat er in de Koran verzen staan die geenszins kunnen dienen als rechtvaardiging van geweld en dat ze zich elk gebruik van deze verzen voor dat doel moeten ontzeggen. Maar om dat te doen, moeten we bepaalde mythes die aan de basis liggen van de islam onder de loep nemen, waaronder het heilige karakter van de Koran. Omdat dit vooralsnog niet gebeurt, geven de meeste moslims als verklaring dat dit vers in een speciale context is geformuleerd, wat ze “de omstandigheden of redenen van de openbaring” noemen. Wat geldig was in de context van het Arabisch schiereiland in de zevende eeuw zou niet dezelfde betekenis hebben in de wereld van nu. Dus heeft het geen zin om je over deze verzen druk te maken! Maar deze rechtvaardiging komt voort uit een drogreden, of sterker: een ontkenning. Ze erkent op de eerste plaats dat God in een bepaalde context toestemming zou hebben gegeven om te doden. Ten tweede: wat gebeurt er als de historische context verandert? Als we opnieuw in oorlog waren, zou het legitiem zijn om te doden! De islamisten beweren overigens dat ze in oorlog zijn. Dus het argument van de context, hoe vredelievend dat ook kan lijken, blijft bijzonder ambivalent en ontoereikend.’
 
Rémi Brague: ‘U hebt de vinger gelegd op hét grote probleem van de islam. Wat is een tekst die als auteur God heeft? Een tekst die het goddelijk woord is in de volle betekenis van dit begrip. Waarvan de Profeet de klerk is, die slechts de tekst neerschrijft die hem is gedicteerd, zonder wat dan ook toe te voegen of te schrappen. De interpretatie van een tekst waarvan de auteur eeuwig en alwetend is, die boven alle mogelijke contexten uitsteekt en deze zonder twijfel allemaal heeft ingecalculeerd, kan niet dezelfde zijn als die van een tekst waarvan de auteur een mens is, tijdelijk, met een beperkte kennis, bepaald door een context, een beschaving en een manier van kijken. We moeten dus toegeven dat dit vers, gedicteerd door God zelf, niet anders dan letterlijk moet worden genomen. We kunnen tegenwerpen dat in andere religies ook oproepen tot moord te vinden zijn. Het Boek Jozua in de Bijbel, bijvoorbeeld, is een verhaal met veel gruwelijkheden. De Joden redden zich eruit door het over te slaan: er is geen enkel rabbinaal commentaar over te vinden. Wat het christendom betreft, dat maakt van alles een allegorie: het gaat om de strijd tegen onze eigen zonden, tegen de heiden in onszelf, en niet om het afslachten van mensen van vlees en bloed.’
 
A.B: ‘Het mensbeeld dat voortkomt uit de mythe dat de Koran door God is gedicteerd aan een ongeletterde profeet is in aanleg wanstaltig. Met een tekst die uit de mond van een mens komt, maar die absoluut niets te maken zou hebben met het innerlijk van deze mens wordt menselijkheid als bewustzijn, rede en spirituele inspiratie ontkend. Als de Profeet slechts een passieve vergaarbak is in de relatie die hij met deze god onderhoudt, wat kunnen we dan zeggen over de relatie tussen de mens en het goddelijke? De islam is gaandeweg de opvatting gaan aannemen van een zodanig door de mens onkenbare goddelijkheid dat elke relatie daarmee onmogelijk wordt. Dan blijft er voor de mens niets anders over dan onderwerping, in de vorm van deemoed. De gevolgen hiervan voor de geschiedenis van de islam zijn enorm. Een werkelijke spirituele vrijheid wordt onmogelijk. Ik neem het daarom op voor een islam zonder onderwerping.’
 
R.B.: ‘Volgens Al-Juwayni, leermeester van de grote Al-Ghazali, is het doel van de geboden in de Koran om ‘onderwerping’ [ta’abbud] van de mens aan God te bewerkstelligen. Deze manier van redeneren verschilt veel van die in andere religies. Er is, bijvoorbeeld, een Bijbelpassage die verhaalt over hoe God de dieren aan Adam voorstelt en wil weten welke namen hij ze gaat geven. We zien hier een situatie waarin God iets leert van de mens. In de Koran is het daarentegen God die de namen onderwijst. Het perspectief op hetzelfde verhaal is volledig omgekeerd.’

‘Wie één mens doodt, doodt de hele mensheid’
Soera 5, vers 32

A.B.: ‘Ik citeer dit vers als verweer tegen degenen die moord rechtvaardigen met een beroep op de Koran. Maar tegenover een fanaticus heeft het weinig nut. Ik hanteer namelijk een manier van redeneren die niet de zijne is: ik gebruik de Koran tegen zichzelf. Dat heeft voor hem geen betekenis, want de Koran is geheel en al het woord van God. Hij kan niet begrijpen dat een dergelijk vers hem zal verbieden een vers te volgen dat het tegendeel beweert. De interpretatie van de Koran roept sinds eeuwen vragen op. De tekst bevat contradicties. Die heeft niet de gebruikelijke structuur van een vertelling. De oplossing zou zijn te aanvaarden dat de Koran niet helemaal het woord van God is, maar een tekst die ook door mensen is gemaakt. Maar degenen die dit durfden zijn stelselmatig van ketterij beschuldigd.’
 
R.B.: ‘Dit vers heeft twee beperkingen, waardoor het niet geschikt is om het eerdere vers waar we over spraken “uit te schakelen”. Ten eerste omdat het een uitzondering toelaat. Het zegt: “Wie een mens doodt die niet zelf heeft gedood, of die niet zelf een gewelddadigheid op de aarde heeft begaan [fasãd], wordt beschouwd alsof hij alle mensen heeft gedood.” De regel geldt dus alleen voor onschuldigen, niet voor bijvoorbeeld degenen die een andere God eren, of het nu Jezus, zijn moeder of wie dan ook is. Het vervolg van dit vers luidt: “Zo zal de vergelding zijn van degenen die de strijd voeren tegen God en Zijn Profeet, en degenen die geweld uitoefenen op de aarde: ze zullen gedood of gekruisigd worden, of hun rechterhand of hun linkerbeen zal afgehakt worden, of ze zullen uit het land worden verdreven” [vers 33]. Heel goed om dit vers te citeren, maar je moet het wel helemaal citeren.
Ten tweede is in de lezing van de Koran de zogenoemde theorie van de abrogatie leidend. Volgens deze regel zetten de latere verzen eerdere verzen tussen haken, zonder de normatieve inhoud daarvan helemaal te schrappen. Het probleem is dat alle ‘lieve’ verzen door het vers dat we eerder becommentarieerd hebben ingetrokken zijn. Er zijn mensen die beweren dat de soera’s die als eerste zijn opgeschreven voorgaan en universele en tijdloze geldigheid bezitten, zoals de Soedanese politicus en islamitisch theoloog Mahmoed Mohamed Taha; hij is veroordeeld voor afvalligheid en werd in Soedan in 1985 geëxecuteerd door ophanging. Je kunt deze theorie beter niet verdedigen…’

‘Bestrijd degenen die niet in God en de laatste dag geloven, en niet voor onwettig houden wat Allah en zijn Profeet onwettig hebben verklaard, degenen die onder de mensen van het Boek niet de ware religie belijden moeten allemaal bestreden worden totdat ze hoofdgeld betalen terwijl ze onderdanig zijn’
Soera 9, vers 29

R.B.: ‘Vanuit het gezichtspunt van de westerse onderzoeker bevat dit vers meerdere grote moeilijkheden. Want verbazingwekkend is het om Joden en christenen, die de ‘mensen van het boek’ worden genoemd, te verwijten noch in God, noch in het laatste oordeel te geloven. Dat heeft bepaalde korandeskundigen ertoe aangezet om hier een inlassing in te zien, ook omdat de passage een ritmische breuk bevat. Maar als je dit vers leest vanuit het gezichtspunt van een islamitisch rechtsgeleerde, dan moeten we het letterlijk nemen. Want volgens de abrogatietheorie die ik net noemde, is dit vers aan de Profeet ‘gegeven’ toen hij al uit Mekka was verdreven en zich in Medina bevond. Het vervangt dus alle andere soms inschikkelijker soera’s die eraan voorafgaan. Bovendien komt alleen in dit vers het woord ‘hoofdgeld’ voor en het bevel om deze extra belasting op te leggen aan de ‘mensen van het boek’.’
 
A.B: ‘Wat me behalve de zin ‘dat God ze vernietigt’ schokt in deze passage is dat die een wedstrijd in heiligheid invoert. Men gaat uit van de bewering dat de islam noodzakelijkerwijs superieur is aan wat eraan voorafgaand geopenbaard is: Jodendom, christendom of zelfs het hindoeïsme. Dit vers maakt van de Koran de autoriteit die een openbaring komt herstellen die door de twee andere religies van het Boek zijn vervalst en die tegelijkertijd deze openbaring voltooit. Deze competitie zet te veel aan tot twist en is dodelijk.’

‘Hak de handen af van de dief en de dievegge: dat zal een vergelding zijn voor wat ze hebben misdaan en een straf van God. God is machtig en rechtvaardig’
Soera 5, vers 38

 
R.B.: ‘De Koran bevat weinig direct uitgevaardigde wetten, behalve die over de erfenis en enkele strafwetten zoals deze. Het probleem is steeds dat deze wet door God gedicteerd is. Dat is niet het geval in bijvoorbeeld het christendom, dat niet beweert dat het recht direct afhankelijk is van God. In de Evangeliën vind je wat ik noem de overlevingskit van de mensheid, gemeenschappelijk in alle culturen: niet doden, niet stelen. Er is geen christelijke zedenleer in strikte zin. Het christendom zegt niets over de manier waarop je je moet kleden, wat je moet eten, of regels voor persoonlijke hygiëne, in tegenstelling tot het Jodendom en de islam – die in de heilige tekst zelf toevoegt dat je de hand van dieven moet afhakken.’
 
A.B.: ‘Een letterlijke lezing van dit vers hangt samen met de keuze voor een letterlijke interpretatie ervan. Ze is zelf een interpretatie. De keuze heeft te maken met de status die je het toekent. Mohammed Iqbal (1873-1938) stelt daarentegen: ‘De Koran is geen wetboek.’ Het probleem is dat men in de loop van de geschiedenis dit vers heeft opgevat als een model grondwettelijk artikel over diefstal. Dit type letterlijke interpretaties kwam in de achttiende eeuw opnieuw op met het wahabisme. In Saudi-Arabië onthoofdt men zelfs vrouwen die worden beschuldigd van overspel! Maar we moeten ook de diversiteit van de islamitische wereld noemen. Zo zou toepassing van dit vers in veel islamitische landen als grotesk worden ervaren. Maar er zijn ook landen waar je je lichamelijke integriteit of zelfs je leven riskeert door diefstal of door je kritisch uit te laten over de religie. De fundamentele vraag die dit vers oproept is hoe en of in de islam de religie wordt begrensd. Is het doel een totalitair systeem, dat wereldse wetten maakt, of alleen een spirituele ethiek? Het is afgrijselijk dat tegenwoordig valse hervormers, zoals Tariq Ramadan, woorden gebruiken die lijken te passen bij de moderniteit – zoals vrijheid van geweten, verantwoordelijkheid, kritische analyse, radicale hervorming –, maar die blijven beweren dat de tekst onschendbaar en onaantastbaar is.’

‘Er is geen dwang in de religie!’
Soera 2, vers 256

A.B.: ‘Er is niettemin dit vers! In essentie is de Koran theologisch protestant en politiek katholiek, zoals de Algerijnse denker Mohammet Arkoun zei, auteur van Pour une critique de la raison islamique (1984). In de tekst zelf is er geen enkele dwang, maar er zijn kerken gebouwd die, uit politiek oogpunt, onophoudelijk bezig waren dwang uit te oefenen. De islam zelf is niet zo vrij als de eigen tekst. De waarde die men aan een bepaalde hoeveelheid verzen heeft willen geven en deze fundamentele proclamatie, die ons zou hebben toegestaan iets anders te doen, zijn overduidelijk met elkaar in tegenspraak.’
 
R.B.: ‘Ik denk helemaal niet dat in dit vers de vrijheid wordt bezongen. Voor een goed begrip moet je het vervolg lezen: ‘De rechte weg onderscheidt zich van de dwaling.’ Het vers betekent dat men in de ware religie geen enkele dwang ervaart. Maar het wil niet zeggen dat mensen niet in de richting van die goede religie mogen worden gedreven. Er is hier geen enkel verbod om de ander te dwingen.’
 
A.B.: ‘Jawel, want de woorden ‘er is geen dwang in religie’ verplichten om na te denken over wat religie is. Ze kunnen aanzetten tot een kritische benadering van een gevestigde religie, die de vorm aanneemt van een geheel van regels, vaste gebruiken en morele normen. Er schuilt een groot kritisch potentieel in dit vers! Het doet een beroep op de spirituele verantwoordelijkheid van iedereen om zijn eigen spirituele weg te gaan.’

‘O profeet! Zeg tegen je vrouwen, je dochters en de vrouwen van gelovigen zich te bedekken met hun sluiers, want het is voor hen het beste middel om zich kenbaar te maken en niet te worden lastiggevallen’
Soera 33, vers 59

A.B.: ‘Als ik dit vers lees, zie ik daar geen bevel in om een hoofddoek te dragen, maar een eenvoudige raad aan vrouwen om zich zedig te kleden, en wat dat inhoudt is sterk afhankelijk van de tijd en de cultuur. Alleen fundamentalisten vinden dat een goede moslima een sluier moet dragen, of zelfs een niqaab. Ze maken absoluut wat relatief is.’
 
R.B.: ‘Iedereen redt zich hieruit door te zeggen: ‘Interpreteer.’ Het probleem is dat men niet dezelfde betekenis aan het zelfde woord geeft. In het geval van een niet-goddelijke tekst kan het juridische principe van billijkheid worden toegepast. Als een strikt toegepaste tekst van een wet leidt tot ongerijmdheden, kun je je afvragen wat de intentie van de wetgever was. Hij zou niet gewild hebben dat de toepassing van zijn wet leidt tot onrechtvaardigheden. Dan moet je dus teruggaan naar de intentie. Dus dat apostel Paulus vrouwen gelast zou hebben niet naar buiten te gaan met onbedekte haren is in zijn tijd louter een oproep tot zedigheid. Maar als de auteur God is, verandert dat alles. Dan kun je dit vers niet meer slechts zien als een oproep tot zedigheid. Als God praat moet Hij weten wat Hij zegt; Hij is immers alwetend en eeuwig. Hij heeft tot in de eeuwigheid alle mogelijke contexten voorzien. Bovendien maakt deze passage deel uit van de meer twijfelachtige verzen. Het vers is zeer duidelijk en om die reden is het probleem van de hoofddoek in Frankrijk zo groot. God zegt zwart op wit: ‘Draag een sluier.’ Het gaat dus niet over de interpretatie van de intentie, maar alleen van die woorden. Wat willen die zeggen? Een doorzichtige of donkere sluier. Lang of kort. We zien het hele gamma, van de kanten sluier van de voormalige minister-president van Pakistan Benazir Butta tot aan de wandelende gevangenis van Afghaanse vrouwen.’

‘Uw heer zegt tegen de engelen: Ik ga een stedenhouder op aarde instellen’
Soera 2, vers 30

A.B.: ‘In een prachtige recitatie wordt verteld dat God, die net de man heeft gemaakt, hem presenteert aan de engelen en deze laatste opdraagt zich aan de voeten van Adam te werpen. De engelen weigeren, want ze zijn gemaakt van licht en doen geen kwaad, terwijl Adam gemaakt is van klei en ‘kwaad zal doen’. God trekt zich eerst terug in Zijn ondoordringbare wijsheid en zegt vervolgens over Adam: ‘Ik stel hem aan als mijn opvolger op aarde.’ ‘Kalief’ is de term die daarvoor gebruikt wordt. Normaal gesproken begrijpt men dit vers als een bevestiging van God als werkelijke bron van autoriteit. De mens, die op de tweede plaats wordt gehouden, zal slechts zijn stedenhouder op aarde zijn. Maar als we bedenken dat de stam van kalief kaliefa is, wat wil zeggen ‘volgen op’, begrijpen we dat de mens de werkelijke opvolger van God is. De mens, meer dan Gods stedenhouder op aarde, is Zijn erfgenaam! Zo wordt hij geroepen om een positie in te nemen die gelijk is aan die van God. Dat is ongehoord voor de orthodoxie. Ik vraag dit, als kritisch filosoof, gelovige die zijn spirituele leven wil voeden, die zich ervan bewust is dat een bepaald aantal betekenissen gestold of verborgen zijn, om de heilige tekst volledig te herlezen, en daarbij uit te gaan van het heden.’
 
R.B.: ‘De oorsprong van de term betekent inderdaad opvolgen, namelijk een gebied innemen dat door een andere stam is achtergelaten. Maar op geen enkele plek in de Koran verschijnt dit idee van de mens de kalief zou zijn van God. De mens moet de engelen opvolgen, niet God – vandaar het verzet van de engelen die geen zin hebben om de macht te verliezen.’
 
A.B.: ‘Een van redenen om te denken dat het hier gaat om het opvolgen van God is dat deze tekst een theologische revolutie bevat en een omkering van waarden voor het islamitisch denken. Want in deze buitengewone scène van soera 2, krijgen de engelen het bevel om zich aan de voeten van de mens te werpen, en niet meer voor God, wat betekent dat het hier om een ritueel van de overdracht van de macht gaat! Helaas bestaat de traditie van de uitleg van de Koran uit een trouwe en vrome herhaling van een gemystificeerde oorsprong. Hervorming wordt dan gezien als een terugkeer naar die pure oorsprong.’
 
R.B.: ‘Deze opvatting van hervorming als een terugkeer naar de oorsprong, dat we bijvoorbeeld in het wahabisme aantreffen, reproduceert op kleine schaal de wijze waarop de islam zichzelf beschouwt; als de laatste religie die de cyclus openbaringen voltooit, maar tegelijk ook als de eerste religie, die teruggaat tot de eerste relatie van de mens met God. De islam zou dus tegelijk de eerste als de laatste zijn, oorspronkelijk en niet te overschrijden.’
 
A.B.: ‘Een hadith, een uitspraak die wordt toegeschreven aan de Profeet, raadt aan: ´Lees de Koran alsof die net aan je is geopenbaard.´ Dit is een uitnodiging aan de gelovige om zich los te maken van alles wat is opgebouwd op basis van de tekst, van interpretaties en voorstellingen om de spirituele verantwoordelijkheid te nemen van een eigen inwijding in de Koran. Hier zien we het gebruik van het beeld van een terugkeer naar de oorsprong die wel vruchtbaar is, want het is een oorsprong in het heden van elke interpretatie!’

‘Vermaan [de vrouwen] die u verdenkt van ontrouw; zet ze in een aparte kamer en sla ze’
Soera 4, vers 34

R.B.: ‘De basis van dit vers is het gezag over de vrouw dat de Koran aan de man toekent. De man is superieur. Ik heb minder bezwaren als men zou zeggen: dat waren de normen van die tijd. Het probleem is dat het God is die praat. Dat zet het beeld van de situatie vast en houdt vooruitgang tegen.’
 
A.B.: ‘Behalve dat geweld afschuwelijk is, is het probleem hier inderdaad dat de vrouw ondergeschikt wordt gemaakt en de man verondersteld wordt haar meester en voogd te zijn. We moeten meer doen dan interpreteren en het vers durven op te heffen. Het volstaat niet te zeggen dat de islam verenigbaar is met de moderniteit. Op dat gebied is nog veel te doen, en we móéten dat ook doen; we moeten dit pagina voor pagina aantonen.’

‘Strijd op de weg van God’
Soera 2, vers 244

R.B.: ‘Ik vertaal de term ‘jihad’ niet met ‘heilige oorlog’, maar met ‘militantisme’. In dat woord is het militaire aspect behouden, dat je niet helemaal kunt weglaten, zoals degenen doen die ‘jihad’ vertalen met ‘inspanning’. In de verhandelingen over het islamitisch recht gaat het hoofdstuk over de jihad over het delen van de buit, over wat er met gevangengenomen soldaten moet gebeuren. En degenen die een onderscheid willen maken tussen de grote jihad, de innerlijke jihad, en de kleine jihad, oorlog in strikte zin, baseren zich op een hadith die nergens in de zes canonieke verzamelingen te vinden is. De kans dat Mohammed dat gezegd zou hebben is nihil. De oudste getuigenis hiervan vinden we bij een mysticus in de negende eeuw. Het strekt de moslims die dit verschil noemen tot eer. Maar het betekent niet dat de kleine jihad wordt verworpen. De oorlog is niet verboden – verre van dat.’
 
A.B.: ‘Ik ben allergisch voor het onderscheid tussen grote en kleine jihad. Ik zie het spirituele leven niet als een oorlog, of je daar nu wel of niet het epitheton ‘heilig’ aan toevoegt. Het spirituele leven heeft er niets aan als er argwaan of zelfhaat aan te pas komen, of de overtuiging dat de ziel ziek is. Door het thema van de strijd tegen het ego, dat belangrijk is in het soefisme, ben ik dit gaan inzien. Achter de verleidelijke buitenkant gaat een strategie schuil van hechting en onderwerping aan de wil van de spirituele meester. In Self Islam (2006) vertel ik hoe mijn initiatie in het soefisme, dat ik had geïdealiseerd als het onaangetaste hart van de islam, tot een diepe teleurstelling leidde.’
 

Islam en islamisme

R.B.: ‘Er is een verschil tussen islam en islamisme. Maar dit is een gradueel verschil, niet wezenlijk. Wat moet de islam doen? Willen we goed met moslims kunnen samenleven, dan moeten zij een grote schoonmaak houden. Het is aan de moslims zelf om zich te beschermen tegen het islamisme. Maar de oproep aan de Fransen om zich te identificeren met Charlie Hebdo kon ik ook niet waarderen. Ik zou liever een protestmars gezien hebben waarin de Fransen riepen: ‘Ik ben Descartes’, of: ‘Ik ben Cézanne.’ Als we willen samenleven met de moslims die hier in Frankrijk wonen en ze helemaal willen opnemen in onze samenleving, hadden we ze een ander gezicht kunnen laten zien.’
 
A.B.: ‘Het islamisme is een mateloosheid. Maar de islam die door de overgrote meerderheid van de moslims wordt beleden zou bepaalde verzen moeten weigeren die oproepen tot oorlog. Wat moslims verhindert om de weg op te gaan van spirituele bevrijding is de angst dat demystificatie van de verhouding tot de Koran tot een ontheiliging van de tekst leidt. Maar door het terrorisme is de druk op de islamitische wereld groot. Binnen de islam moeten we fundamentele kwesties aan de orde stellen. Voor sommigen is de vrijheid van meningsuiting heilig. Voor anderen is hun tekst heilig. Maar als ze een samenleving willen vormen, dan moet alles boven tafel komen en zullen ze met elkaar moeten praten. Ik ben ervan overtuigd dat er, na de grote schoonmaak waarover Rémi Brague spreekt, iets overblijft: een islam die past bij de rijkdom en de vrijheid van een spiritueel leven.