Home Taal Waar is de rek dan uit?
Taal

Waar is de rek dan uit?

Door Bert Keizer op 30 april 2021

Waar is de rek dan uit?
Cover van 05-2021
05-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Je hoort het overal: de pandemie belast onze mentale gezondheid. Maar hoe dan precies? Bert Keizer buigt zich over twaalf veelgebruikte woorden voor het psychische coronaleed en vraagt zich af: waarom zijn ze zo vaag?

Beeld Zeloot

Over geestelijke aandoeningen praten we in metaforen die we allang niet meer als een metafoor ervaren. Metafoor? In een metafoor wordt iets als iets anders beschreven. Een vriendin beschrijft de bloemist bij haar op de hoek als ‘het hijgend hert’ – de man is wat nerveus – en een wat saai koppel uit onze vriendenkring als ‘het schoorsteen­stelletje’. Een metafoor is een onverwachte wending in het gebruik van taal.

We gaan ervan uit dat taal in het begin bestond uit eenvoudige kreten, vragen, aanwijzingen – ‘Kijk uit – hou vast – geef hier – kom gauw – blijf af’ – terwijl we bezig waren met jagen, plukken, vlechten of vechten. En ergens in dat verre verleden ontstond de metafoor. Ik doel op de dag waarop iemand van een fysieke taak overstak naar een geestelijke. De dag waarop iemand niet alleen een vracht hout, maar ook een geestelijke toestand als ‘zwaar’ beschreef. Bijna al ons geestelijke idioom komt uit ons stoffelijk idioom. Dat wil zeggen, we praten over geestestoestanden alsof het aardappels, tafels, stoelen, wolken, planten enzovoort zijn. Woorden als zwaar – licht – donker – somber – soepel – stram – hard – zacht – week – vaag – hoog – laag – diep et cetera zijn allemaal ontleend aan stoffelijke toestanden en worden via de salto van een metafoor meegenomen naar het geestelijke domein.


Met de toevoeging van tactiele modaliteiten (ik bedoel woorden uit het tastgevoel) is het geestelijk kleurenpalet bijna compleet: hard – scherp – zacht – schurend – slap et cetera. Nog wat smaak en reuk erbij: zoet – bitter – zuur – zout – pittig – laf – vies – lekker – scherp (weer een ‘scherp’), en we kunnen onze binnenwereld uitstekend beschrijven. We doen dat al zo lang dat niemand meer fronst als je zegt: ‘Het zit wel heel diep in jou, hè, die afkeer van de Volkskrant.’ Waarin ‘diep’ en ‘afkeer’ allang versleten zijn van metafoor tot idioom.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Deze ooit louter stoffelijke woorden verliezen één aspect in de oversteek naar het geestelijke, en dat is een kwantitatieve nauwkeurigheid. Neem deze: ‘De fiets onder het zeil achter de deur naast de wc weegt zeven kilo.’ Nou weet je precies hoe zwaar hij is en waar hij staat. Maar in het geestelijke ligt alles veel losser gerangschikt: ‘Onder mijn achting voor Archibald zit mijn genegenheid voor Gerda, die veel kleiner is dan mijn liefde voor Henk.’ Wie nu vraagt ‘Hoe ver zit die genegenheid onder die achting?’, die verwacht niet iets te horen als ‘een meter of drie’, maar meer iets als: ‘dieper dan ik dacht.’

En wat Henk betreft, dit kan wel als antwoord: ‘Ik hou meer van Henk dan van Archibald en Gerda bij mekaar.’ Deze intrinsieke onnauwkeurigheid verklaart het verschil tussen somatische en psychiatrische diagnostiek, waarbij de psychiatrie ten onrechte wordt beschuldigd van vaagheid, die echter niet valt af te schudden. Maar dit terzijde.

Gewapend met deze inzichten over de aard van geestelijke beschrijvingen kijken we naar wat we zoal roepen rond het coronalijden:

De rek is eruit
Deze komt van elastiek, zoals dat in onderbroeken zit. Dat blijft niet altijd elastisch. Na te lang gebruik wordt het slap, of knapt het zelfs, en dan zakt je broek af, of je rok, of je panty.

Er klaar mee zijn
De belofte van de leiding was: als jullie klaar zijn met het opruimen van de schuur, gaan we iets leuks doen. We vinden dat we klaar zijn met de schuur, maar we mogen nog steeds niks leuks gaan doen en er
klinkt verbetenheid in de manier waarop we zeggen: ‘We zijn er klaar mee!’

Huidhonger
Geestelijke nood als fysieke behoefte. Een perfecte vergeestelijkte stofmetafoor. Ik zie drie verdiepingen: ‘honger’ gaat meestal uit naar voedsel – nu naar aanraking. ‘Huid’ is letterlijk nodig voor aanraking. En ‘huid’ is hier ook een beeld van de ander die je graag weer eens zou omhelzen, al zou je daarbij niet eens huid voelen.

Het zwaar hebben
Hebben we het over gehad. Een zak aardappels en het coronabeleid, ze hebben allebei hun zwaarte. Overigens hoor ik hier een pseudokwantitatieve correctie door ouderen: de oorlog was veel zwaarder.
(Nee, niet de Golfoorlog.)

Een wissel op ons trekken
Hier een oversteek in een heel andere richting: het bankwezen. Geestelijk welzijn wordt nu beschouwd als geld op de bank, waar al die beperkende maatregelen een greep in dreigen te doen.

Grote impact
Geestelijke ramp als een bominslag. Komt van het Latijnse impingere, impactum = ‘inslaan, aanslaan tegen, stoten, werpen op, aanlopen tegen’. Maar niemand maalt om die Latijnse wortels, het is gewoon een lelijk anglicisme voor: enorme gevolgen.

Geen licht aan het einde van de tunnel zien
Dit is wel de saaiste metafoor voor ‘het niet meer zien zitten’. Geestelijke ruimte als een tunnel zonder einde. Een soort één-op-éénmetafoor. Weinig acrobatiek hier.

Moe/Moedeloos
Geen metafoor. Dit zijn woorden die eerst en vooral een geestelijke toestand beschrijven, net als ‘pijn’. Dit soort woorden wordt weer wel meegenomen de andere kant op, van geest naar stof: ‘metaalmoeheid.’

Uitzichtloos
Weer een vlaag tunnel in dit beeld. Tevens staan we hier aan de rand van een ongelooflijk uitgebreide Keukenhof vol metaforen waarin geestelijke bezigheden worden verbonden met het zien van licht. Woorden als inzicht, verblind, visioen, visie, beeldspraak, stralen, schijnen, vertekend, betekenen, schaduwkant – ja, ik hou op.

Door het ijs zakken
Ook hier weer een visueel spektakel voor geestelijk onderuitgaan. Waarschijnlijk erg Hollands. Ik hoorde de ouderdom eens beschreven als: ‘We schaatsen nog, maar het dooit al.’ Hoewel… Hollands? Ik las vorige week een Frans gedichtje over schaatsen:

De winter leidt ze over dun kristal
daaronder bevindt zich het diepste dal
zo dun is het oppervlak van onze dagen
glij voort gij sterveling, vergeet dit knagen.

Uit 1782. Batavieren schaatsten al, toch? En in de ijstijden zie ik de Neanderthalers ook wel een bot onderbinden. Maar al waren die tot een metafoor in staat, het ijs was toen te dik; daar zakte je nooit door.

Ja sorry, we dwalen af.

Opgebrand
Geestelijke activiteit als levend licht, want dat is vuur: bewegend, dus levend licht. In dit beeld zie je het gestorven licht, de uitgedoofde geest en de narigheid die achterblijft: verkoolde resten.

Een verengelste variant is de burn-out, de eigentijdse vorm van opgebrand-zijn. In een recent artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde lees ik dat er geen duidelijke definitie is, geen betrouwbaar diagnostisch interview en geen bewezen effectieve behandeling. Zijn we hier voorbij de vergeeflijke vaagheid van psychiatrie? Hebben we het nog eens over.

Eenzaam
Bewaard tot het laatst. Niks beeldspraak hier. De ergste, denk ik.