Home Levenskunst Tegenspoed omzetten in kracht
Levenskunst

Tegenspoed omzetten in kracht

Door Marco Kamphuis op 24 maart 2009

03-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

De zwaar gehandicapte filosoof Alexandre Jollien ziet zijn ziekte als een aansporing om te vechten voor geluk. Zijn nieuwste boek gaat over de waarde van acceptatie, zonder te vervallen in fatalisme. ‘Iedereen gaat tastend voorwaarts, incasseert tegenslagen, bouwt verder op zijn puinhopen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een filosoof die schrijft dat je van filosofie niet wijs en eigenlijk ook niet gelukkig wordt, ontwapent met zijn eerlijkheid. Alexandre Jollien schrijft het in La construction de soi (2006), bij uitstek een filosofieboek waar je echt wat aan hebt, zodat de auteur er meteen zijn eigen ongelijk mee aantoont. Wie zich niet laat afschrikken door de glazige titel die het in de vorig jaar verschenen vertaling meekreeg – Blijdschap als levenskunst – vindt hierin een puntig, persoonlijk geschreven filosofisch vertoog dat de lezer niets belooft en alles biedt.

Alexandre Jollien is een Zwitserse filosoof, die, nadat hij met een wijsgerig boekwerk op de achterbank is neergeploft, van de taxichauffeur te horen krijgt: ‘Ach, kun jij lezen?’ Hij houdt van fietsen rond het Meer van Genève – op zijn driewieler. Jollien kwam ter wereld met een handicap. Zijn motoriek en spraak zijn ernstig gestoord. Zijn verstand is messcherp. In Blijdschap als levenskunst laat hij weten dat het tegenwoordig goed met hem gaat, dat zijn handicap hem minder belemmert dan vroeger, en dat hij zoekt naar filosofische inzichten om zich open te stellen voor het aangename van het leven – een filosofie van ‘vredestijd’. Daar moet dus een oorlog aan voorafgegaan zijn, en dat klopt; die levensfase had Jollien al eerder beschreven in Le métier d’homme (2002). Ook dit boek is nu vertaald, zodat we in de gelegenheid zijn de ontwikkeling in Jolliens denken te volgen.

‘Het menselijk bestaan is een strijd, daar kan ik over meepraten’, valt te lezen in Mens van beroep. ‘Mijn gang is wiegelend, mijn stem stokt; tot in de allerkleinste gebaren lijken mijn bewegingen op die van een komische dirigent die geen maat kan houden.’ Zijn jeugd bracht Jollien in een internaat door, waar hij ten koste van dagelijkse, zware inspanning moest leren zijn spastische lichaam onder controle te krijgen. Dat betekende dat hij zijn ouders alleen in het weekeinde zag, een gemis dat hij sterker betreurde dan zijn fysieke beperking. In een ontroerende passage beschrijft hij hoe het zondagse samenzijn steeds weer werd verpest doordat hij, in afwachting van het moment van vertrek, zijn blik niet van de klok kon losmaken. Diepbedroefd stapt hij in de bus die de gehandicapte kinderen naar het internaat brengt. Hun lotsverbondenheid is in ieder geval een steun. ‘Blikken kruisen elkaar: deze stralende gezichten heten me welkom. Allemaal proberen ze het verdriet te bezweren, allemaal delen ze hetzelfde ongewone lot: de dwerg lacht al zijn tanden bloot, de stomme maakt enorme stampij. Alleen de lamme kijkt nog strak naar het puntje dat zijn familie is.’

Jolliens leven stond dus vanaf het begin in het teken van het gevecht. ‘De bekende en gevreesde berusting was taboe.’ Opvallend genoeg beschrijft hij de strijd tegen zijn handicap als een vrolijke boel, waarbij de kleinste vooruitgang uitbundig werd gevierd. Hij genoot ten volle van de noodzaak om te vechten. Hij zette zijn tegenspoed om in kracht. Later ontdekte hij bij Nietzsche hetzelfde verlangen zichzelf voortdurend te overstijgen. ‘Het lijkt een merkwaardige tegenspraak, maar een tekort kan zo een bron worden, een impuls voor de zoektocht naar geluk. Aangezien ik platzak ben, zet ik alles op alles om me uit mijn situatie te redden. De verwonding roept haar eigen genezing op.’

Hoewel zijn tegenspoed bovengemiddeld is, wil de auteur zijn ervaringen nadrukkelijk generaliseren. De condition humaine heeft een tragisch karakter, voor ieder van ons is het lijden onafwendbaar. Soms maakt het lijden ons wijzer – dat wil zeggen, niet het lijden zelf, maar de manier waarop we het te boven komen. Eigenlijk hebben we tegenover de absurditeit van het lijden geen andere keus dan er iets van te leren, want nutteloos lijden is het ergste wat er is. Hoe we onze tragiek moeten dragen, daarvoor bestaat geen gebruiksaanwijzing: ‘Iedereen gaat tastend voorwaarts, incasseert tegenslagen, bouwt verder op zijn puinhopen.’ Wel adviseert Jollien de kunst om op de been te blijven af te kijken van de zwaksten in de samenleving – de zwervers, de ‘gekken’, de chronisch zieken. Zij stellen zich met opmerkelijke veerkracht tegen hun ellende teweer. Wanneer hij een lezing in een instelling voor geestelijk gehandicapten moet houden, herinneren de vrolijkheid en de saamhorigheid daar hem aan het internaat van zijn jeugd, terwijl hij op zijn terugreis in de trein alleen norse gezichten ziet.
 

Spottende blikken

Na het verlaten van het internaat viel het Jollien zwaar dat hij in de maatschappij als een randfiguur werd gezien. Hij schrijft echter zonder wrok over de spottende blikken die hij dagelijks moet ondergaan, over het feit dat hij altijd zielig wordt gevonden en dat de ober in een restaurant aan zijn vrouw vraagt wat híj wil eten. Zou hij zich wapenen met boosheid of onverschilligheid, dan zou hij zichzelf ook beroven ‘van een liefdevolle glimlach, van uitgestoken handen’. Hij kiest dus voor een open, kwetsbare houding, al zal hij nooit aan spot en vooroordelen gewend raken.
In het slothoofdstuk vat de auteur zijn instelling samen. We moeten onze wil levend houden en elke dag vechten tegen onze moeilijkheden. Maar tegelijkertijd moeten we vrolijk zijn en genieten van het leven. Lachen en vechten! Behartenswaardige woorden, maar toch zou je van een grootmeester van het lijden meer verlangen. Je zou met name willen dat hij je voor dat onvermijdelijke gevecht een wapen in de hand zou geven. Toegegeven: zijn advies naar de zwaksten te kijken helpt wel. Wij lezers kijken dan in de eerste plaats naar de auteur, vergeleken bij wie wij allemaal geluksvogels zijn, en wiens strijdlust en goede humeur een stralend voorbeeld zijn. Mens van beroep geeft de burger moed, maar meer door wie Jollien is dan door wat hij schrijft.

Vier jaar later is dat anders. In Blijdschap als levenskunst is geen invalide filosoof aan het woord, maar een filosoof. Jolliens inzichten zijn veel concreter geworden. De strijd heeft hem verder gebracht dan hij ooit had durven dromen: hij is getrouwd, heeft twee kinderen, oogst lof als schrijver. Maar hij kan er niet van genieten. Hij is gewend aan tegenslag. Hij beseft dat hij afstand moet doen van ‘de strijdlogica, die je voorbereidt op geluk zonder dat je het ooit beleeft’. In zijn zoektocht naar geluk richt hij zich tot vrouwe Filosofie en tot zes beroemde denkers. Een van hen is Epicurus, die verkondigde dat we het geluk verspelen wanneer we ons altijd verbeelden dat het zich elders bevindt. We doen er verstandiger aan hier en nu te genieten. Bovendien zitten onze torenhoge verwachtingen ons in de weg: ‘Door onze verlangens in te perken en meer op de realiteit af te stemmen, genieten we het meest.’

Met Schopenhauer gaat Jollien in discussie: hij erkent dat zijn wil een dwang is die een eindeloze spanning teweegbrengt, maar gelooft niet in de opheffing ervan. De wil bestaat, daar ontkomen we gewoon niet aan – trouwens, aan zijn sterke wil heeft Jollien dingen te danken die hij absoluut niet zou willen missen. Beter dan elk verlangen uit te bannen, kunnen we er kritisch naar kijken: welke verlangens zijn niet meer dan grillige begeerten die ons van onszelf vervreemden en slechts tot ontevredenheid leiden, en welke verlangens dragen bij tot zelfontplooiing?

Dankzij Spinoza beseft Jollien dat veel ellende voortkomt uit onze gewoonte onszelf met ideaalbeelden te vergelijken. Haarscherp zien we al onze onvolkomenheden, we krijgen een hekel aan onszelf. Het is beter als we onszelf accepteren zoals we zijn, met al onze gebreken – om die vervolgens niet te koesteren, maar zo mogelijk te verhelpen met kleine stappen tegelijk, zonder zelfhaat te voelen als we falen.
Een van de beste hoofdstukken is een brief aan Erasmus, waarin Jollien verslag doet van zijn ontmoetingen met vrouwe Angst. Hij behandelt de technieken die stoïcijnen en sceptici in de Oudheid ontwikkelden om angst het hoofd te bieden – vaak spitsvondig, soms bruikbaar –, maar het meest opvallend is zijn aanbeveling níét tegen de angst te vechten. Laat de angst maar als een storm over je heen komen, dan overleef je hem wel; maar je verpest je leven als je voortdurend de lucht peilt.

In samenspraak met de filosofen komt Jollien tot een nieuwe levenshouding. Mens van beroep en Blijdschap als levenskunst laten zo in versnelde en verhevigde vorm de ontwikkeling zien die zich in het leven van de meeste mensen aftekent: van de wil om zelf ons lot te sturen naar acceptatie van de tragiek van het bestaan. Zonder zijn vroegere strijdvaardigheid te betreuren stelt Jollien vast dat hij de wereld nu niet langer als een gevecht wil beleven. Gemoedsrust kun je niet veroveren. In fatalisme is hij echter nog niet vervallen: ‘Natuurlijk moet je instemmen met de werkelijkheid, maar niet te snel.’