Home Dieren Slaven en andere dieren
Dieren

Slaven en andere dieren

Door Erno Eskens op 10 december 2012

01-2002 Filosofie magazine Lees het magazine
Bij zijn benoeming tot ambassadeur van de Stichting Varkens in Nood hield de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur een pleidooi voor het opstellen van een Universele Verklaring van de Rechten van het Dier. Hij legde het plan op 15 december in het Amsterdamse Paradiso voor aan de Australische ethicus Peter Singer, godfather van de dierenbeweging. Een gesprek over absolute en relatieve dierenrechten, over de mogelijkheid van een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten en over de noodzaak van een interventiemacht om de bonobo te redden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten?
Cliteur: Ik vind dat we moeten kijken of rechten die staan vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ook voor bepaalde niet-menselijke dieren gelden. Dieren horen bepaalde rechten te hebben en het recht om niet gemarteld te worden is daarvan een voorbeeld. Het is voor niet menselijke dieren zelfs eerder absoluut en universeel dan voor mensen. Bij mensen heb je nog van die moeilijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer een terrorist ergens een bom heeft verstopt in een school. Als hij niet wil zeggen waar de bom ligt, dan heb je een moeilijke afweging te maken: martelen of niet. Maar bij dieren heb je dit soort situaties niet. Ook het recht op bewegingsvrijheid dat je in de Verklaring van de Rechten van de Mens vindt, zou voor alle dieren moeten gelden. Ik denk dat het goed is om een Universele Verklaring van de Dierenrechten op te stellen waarin we deze rechten vastleggen. Op termijn kunnen we ook een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten installeren.

Singer: In grote lijnen onderschrijf ik dit idee. Maar Cliteur loopt misschien iets te hard van stapel. Zijn ideaal staat te ver af van de praktijk en zou wel eens niet haalbaar kunnen blijken. Discriminatie op soort – speciësisme – is nog alomtegenwoordig. Alleen het woord ‘dier’ al. We reserveren die term doorgaans voor octopussen, varkens en apen, maar als het om mensen gaat, spreken we meestal niet over dieren. We doen alsof het verschil tussen ons en een chimpansee groter is dan het verschil tussen een chimpansee en een octopus. Maar iedereen die iets van biologie begrijpt, weet dat dit volstrekt absurd is. Als je het DNA vergelijkt, dan staan wij dichter bij de chimpansee dan de chimpansee bij de gorilla. We weten bovendien dat de primaten veel karakteristieken hebben die wij ook hebben: ze kunnen argumenteren, zijn zelfbewust en ze spreken zelfs een van onze talen, namelijk gebarentaal. Ik denk al met al dat het verstandig is om de kloof tussen mens en dier te overbruggen. Daarom hebben Paola Cavalieri en ik in 1993 een declaratie opgesteld met daarin de rechten van primaten. Maar ik wil eigenlijk nog verder gaan. Het verbod op martelen zou bijvoorbeeld een universeel recht voor alle dieren moeten zijn.

Cliteur: Goed, maar dan is de volgende vraag: hoe regelen we dit? Ik stel voor dat we om te beginnen een openbare aanklager aanstellen die voor de rechten van de dieren opkomt door misstanden voor de rechter te brengen.

Singer: Zo'n openbare aanklager is een goed idee. Het vervolgen van mensen die misdaden begaan tegen dieren, wordt nu in de meeste landen overgelaten aan de politie of aan een non-gouvernementele organisaties zoals dierenbewegingen. Dit werkt niet goed. Politieagenten vinden dierenmishandeling van ondergeschikt belang. Ze zullen hooguit de grofste gevallen in behandeling nemen. De rest negeren ze gewoon. En als je de vervolging overlaat aan dierenbewegingen of andere niet-gouvernementele organisaties, dan zie je dat zij vaak te weinig geld hebben om te kunnen procederen. Daarom is een openbare aanklager, iemand die door de overheid wordt aangesteld, een goed voorstel.


Zou het zinvol zijn om, zoals Cliteur schetst, een apart gerechtshof te vormen voor dierenrechten, wellicht zelfs op het niveau van de Verenigde Naties?
Singer: Ik denk niet dat we zo'n apart gerechtshof nodig hebben. Dierenrechten zouden ook behartigd kunnen worden door rechtbanken die nu waken over de rechten van kinderen en andere onmondigen.

Cliteur: Er wordt op dit moment gesproken over een Internationaal Gerechtshof voor Oorlogsmisdaden. De volgende stap in de menselijke evolutie is een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten. Zo' apart hof is nodig, want dierenrecht is een zaak van specialisten. En ik denk trouwens ook dat het strategisch van belang is om een internationaal hof te installeren. Daar gaat een grote uitstraling van uit.

Singer: Ik vind het idee sympathiek, maar de nationale wetgeving is volgens mij nog onvoldoende ontwikkeld om de komst van zo'n internationaal gerechtshof te ondersteunen. Als je kijkt naar andere internationale gerechtshoven, bijvoorbeeld dat nieuwe gerechtshof dat zich bezig gaat houden met oorlogsmisdaden, dan zie je dat er in de afzonderlijke landen al wetten bestaan waarin is gedefinieerd wat een misdaad tegen de mensheid is. Wat Milosevic mogelijkerwijs heeft gedaan, is strafbaar in allerlei landen. Daarom steunen die al die landen een internationaal tribunaal. Maar als het gaat om dierenrechten, dan ontbreekt de nationale wetgeving vaak.

Cliteur: Een internationaal gerechtshof kan er juist voor zorgen dat de nationale wetgeving snel verbetert. Dat hebben we ook gezien met de internationale verankering van de mensenrechten. Kijk maar naar de situatie hier in Nederland: de Nederlandse grondwet kende wel grondrechten, maar die waren (en zijn) niet direct afdwingbaar. Sinds de invoering van Europese wetgeving zijn mensenrechten wel afdwingbaar. En de Europese wetgeving is het rechtstreekse gevolg van het feit dat in 1948 een idealistische Universele Verklaring van de Rechten van de Mensen werd uitgevaardigd door de Verenigde Naties. Zo zie je dat het soms handig is om te beginnen op een internationaal niveau.

Singer: Natuurlijk zou ik het ook prachtig vinden als er zo'n officiële Universele Verklaring van de Rechten van het Dier komt. Maar zeg nou eerlijk, zou jij troepen willen sturen naar landen die dierenrechten schenden?

Cliteur: Ik zou het zeker niet uitsluiten. Het is denkbaar. Er is een goede parallel te trekken met humanitaire interventies. In het geval van genocide voelen de Verenigde Naties of sterke staten als de Verenigde Staten zich gedwongen om in te grijpen. Misschien is zoiets ook toepasbaar bij speciëcide. Als er een land is waar een soort wordt uitgemoord¼  misschien moet je er dan met een interventiemacht iets aan doen.

Singer: In meerdere West-Afrikaanse landen worden de primaten systematisch uitgemoord. Vooral gorilla’s en bonobo’s worden in hun voortbestaan bedreigd door de lokale bevolking die de apen opeet. In die situatie zou ik me wel iets kunnen voorstellen bij een interventiemacht. Als het Westen zo’n interventiemacht zou sturen naar zo’n gebied, dan zou het ook wat werkgelegenheid kunnen verschaffen aan de plaatselijke bevolking. Die mensen kunnen patrouilles vormen tegen de stropers, zoals dat ook in andere parken in Afrika gebeurt. Dus zo’n interventiemacht zou ik zeker steunen. Vooral ook omdat de regeringen van de West-Afrikaanse het afschieten van apen wel strafbaar hebben gesteld, maar er niets aan doen om de wetten ook uit te voeren.
 
Of we nu kiezen voor een internationaal gerechtshof met interventiemacht, een Europees gerechtshof of een openbare aanklager, in alle gevallen moet er iets op papier komen. We hebben behoefte aan een codex. Welke rechten moeten we sowieso vastleggen? Een verbod op marteling van dieren is genoemd, maar wat zou er nog meer in moeten staan?

Singer: Ik ben het met Cliteur eens dat ook het recht op bewegingsvrijheid gegarandeerd moet worden. Het is van belang dat elk dier binnen bepaalde grenzen vrijelijk kan bewegen. De meeste dieren die onder toezicht van mensen staan, hebben niet eens een minimale bewegingsvrijheid. Ze kunnen niet naar buiten, zien zelden of nooit een weiland, en staan vaak in veel te kleine kooien of stallen.
 
We noteren het recht om niet gemarteld te worden en het recht op voldoende bewegingsruimte. Kunnen we daaraan toevoegen dat ieder dier een recht op leven heeft, tenzij het gedood moet worden uit zelfverdediging?
Singer: De eerder genoemde rechten – niet gemarteld worden en bewegingsvrijheid – kun je misschien geaccepteerd krijgen op een Europees of internationaal niveau, omdat de tijd daar nu rijp voor is. Men krijgt door dat de intensieve veehouderij niet deugt. Maar als je een algeheel verbod op het doden van dieren voorstelt – iets wat heel mooi zou zijn en wat ik persoonlijk wel zou steunen – dan praat je in feite over het afschaffen van de totale vleesindustrie. Dat is politiek gezien niet haalbaar.
Bovendien is een recht op leven niet altijd vanzelfsprekend. We kennen een hoop grensgevallen bij mensen, zoals abortus waarin het leven van een mens wordt beëindigd. Ik zou zeggen dat wanneer dit vroeg in de zwangerschap wordt gedaan, er nog geen sprake is van een voelend wezen. En ik wil het recht op leven vooralsnog alleen voorbehouden aan voelende wezens met een zeker zelfbewustzijn. Anders beland je namelijk ook in geharrewar over de vraag of je gevangenisstraf verdient als je een mug doodslaat. Of je daar nu mee eens bent of niet, je moet hoe dan ook toegeven dat het doden van een wezen dat wel gevoel kent en zelfbewustzijn heeft, veel erger is.

Cliteur: Het recht op leven is inderdaad niet absoluut. Het staat trouwens ook niet in de Nederlandse grondwet; het geldt dus ook niet absoluut voor mensen.
 
Moeten we niet een onderscheid maken tussen de absolute rechten – het recht om niet gemarteld worden en het recht op bewegingsvrijheid -, en de relatieve rechten, zoals het recht op leven. Dat relatieve recht geldt alleen onder bepaalde condities en is dus niet in een codex te vatten.
Cliteur: Op termijn zou je die zaken ook wettelijk moeten regelen. Er moet bijvoorbeeld een wet zijn die een zekere mate van privacy voor dieren regelt en die ze het recht geeft op een goede verzorging. Maar ik denk niet dat je deze rechten in een declaratie moet zetten, omdat je de declaratie uitholt door er dingen in te zetten die niet elk land kan uitvoeren. 
Singer: Dieren in de dierentuin die last hebben van toeschouwers, moeten zeker beschermd worden. En je kunt je inderdaad ook afvragen of de verzorgingsstaat voor dieren zou moeten gelden. Dieren hebben groot belang bij een goede dierenarts. Maar zo'n relatief recht op goede verzorging hangt altijd op de beschikbaarheid van middelen. En zoiets kun je niet vastleggen in een wet. Ik denk daarom dat we pragmatisch moeten blijven en voorlopig alleen de eerder genoemde afweerrechten, die absoluut gelden, in een declaratie moeten zetten.
 

Maar als het om de mens gaat, dan zie je dat die positieve rechten wel genoemd worden in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarin wordt melding gemaakt van het recht op eten en het recht op een dak boven je hoofd. Sommige landen kunnen deze rechten niet garanderen vanwege geldgebrek, maar ze blijven wel degelijk basisrechten van iedere wereldburger.
Cliteur: Sommige van deze rechten hadden eigenlijk nooit op papier gezet moeten worden. We moeten niet nog een keer dezelfde fout maken.
Singer: Inderdaad, het blijft merkwaardig om rechten op te stellen als je weet dat er landen zijn die er onmogelijk aan kunnen voldoen. Je kunt ze hooguit noemen als zaken waar landen naar zouden moeten streven.
 
Regimes die mensenrechten schenden verdedigen zich door deze rechten te typeren als een 'typisch westerse uitvinding'. Zal dit met de dierenrechten ook gebeuren?
Cliteur: Het feit dat bepaalde rechten in een zekere cultuur worden uitgedacht, wil niet zeggen dat ze geen universele betekenis hebben. De wet van de zwaartekracht werd geformuleerd in Engeland, maar daarmee is het nog geen Engelse wet. Die wet geldt hier ook.
Singer: Bovendien moet je constateren dat dierenwelzijn in meer culturen belangrijk wordt gevonden. In de boeddhistische traditie speelt het zelfs een grotere rol dan hier in de christelijke traditie.
 
Zijn er argumenten voor dierenrechten te vinden die zo logisch zijn dat ze alle culturele barrières kunnen overstijgen?
Singer: Ik denk dat je wel kunt aantonen dat het onlogisch is om mens en dier volgens verschillende standaarden te beoordelen. Ik zou zeggen: we zijn allemaal dieren, al zijn niet alle dieren gelijk aan elkaar.
 
Als u moet kiezen tussen het redden van het leven van een zieke kip of het redden van een ziek mens, dan kiest u dus voor die mens?
Singer: De algemene regel is dat je moet kijken naar het dier dat het meeste lijdt, tenzij er sprake is van een levensbedreigende ziekte. In dat laatste geval kun je rekening houden met het feit dat de mens een toekomstverwachting heeft en zelfbewust is en dus meer te verliezen heeft dan de kip. Dus bij levensbedreiging zou ik voor de mens kiezen, niet omdat hij of zij een lid is van je eigen soort, maar omdat er meer op het spel staat. Maar bij pijn of lijden moet je geen onderscheid maken tussen de ene en de andere soort.

Cliteur: Maar stel nu eens dat er een lijdende machine zou bestaan, een machine zonder bewustzijn, zonder besef van verleden of toekomst. Het is geen persoon en het kan eigenlijk maar één ding: lijden. Zou die machine belangen hebben die gerespecteerd moeten worden? Ik heb daar mijn twijfels bij. Maar Peter Singer moet zo'n machine wel rechten toekennen, want hij is utilitarist – hij vindt dat moraal draait om het verminderen van leed en het vergroten van het geluk. Om die reden is hij zo gecharmeerd van die beroemde passage waarin Jeremy Bentham zegt dat het niet uitmaakt of dieren kunnen redeneren of praten, maar dat het erom gaat of ze kunnen lijden. Ik wil natuurlijk ook het lijden verminderen, maar ik vind dat dieren ook beschermd moeten worden als hun leed niet aantoonbaar is. Neem de vraag of de dieren in de dierentuin lijden onder de overvloedige aandacht. Dat hoef je in mijn optiek ook niet te weten om ze te beschermen tegen te veel pottenkijkers. Je kunt ze een recht op privacy geven op basis van het feit dat ze ‘personen’ zijn – zelfbewuste wezens. Dat sommige personen het recht op privacy wordt onthouden omdat ze geen mens zijn, is een vorm van discriminatie.



Singer: Als de dieren niet aantoonbaar lijden onder het bezoek, dan zie ik ook geen reden om ze het recht op privacy te geven. Als je je alleen focust op de vraag of een dier een persoon is, dan zul je zien dat sommige dieren die lijden buiten de boot gaan vallen. Om die reden hebben we net geconstateerd dat het recht om niet gemarteld te worden voor alle voelende dieren geldt, dus ook voor dieren die je geen persoon zou kunnen noemen. De suffering machine moet je om die reden ook niet martelen. Ook al heeft het geen notie van verleden of toekomst en is het in die zin geen persoon, het blijft slecht dat die machine lijdt.
 
In Animal Liberation vergelijkt Singer de discriminatie op soort met de onderdrukking van slaven. Nu werden de slaven vrij op het moment dat zij geen eigendom meer mochten zijn. Zouden we deze bezitsverhouding ook moeten afschaffen bij voelende dieren met enig zelfbewustzijn?
Cliteur: Ik ben niet tegen iedere vorm van bezit, omdat dit de dieren soms betere bescherming biedt dan andere juridische verhoudingen.
Singer: Het idee dat dieren bezit zijn, lijkt mij net zo fout als het eerdere eigendom op slaven. Het zou beter zijn om mensen een vergunning te geven waarmee ze het recht hebben om dieren te verzorgen. Deze vergunning kan ook ingetrokken worden.
 
De Duitse filosoof Vittorio Hösle heeft een paar jaar geleden voorgesteld om vertegenwoordigers van toekomstige generaties een paar zetels in het parlement te geven. Zou zoiets ook voor dieren kunnen werken?
Singer: In theorie wel, want dieren zijn net als toekomstige generaties niet bij machte om zelf aan de bel te trekken. Maar je als je eenmaal begint met speciale zetels voor onmondigen, dan trek je wel een doos van Pandora open. De anti-abortusmensen zullen dan bijvoorbeeld zetels voor foetussen opeisen.
Cliteur: Parlementariërs zijn er voor het algemeen welzijn, stelde Edmund Burke. Het parlement moet geen arena worden van mensen die alleen specifieke belangen behartigen, dus ook niet die van dieren. Maar één ding is duidelijk: wij, de menselijke diersoort, zijn de morele politie. Wij hebben het vermogen om erover na te denken en ernaar te handelen. Uiteindelijk zal dat er ook een keer toe moeten leiden dat er nationale wetten en internationale verklaringen worden opgesteld waarmee dieren basale rechten krijgen. Het is zoals Jeremy Bentham zei: 'Eens komt de dag.'
 
De bijeenkomst in Paradiso werd georganiseerd door Varkens in nood en Filosofie Magazine, in samenwerking met uitgeverijen 't Spectrum en Boom. Van Peter Singer verscheen afgelopen maand Een ethisch leven bij 'T Spectrum. Uitgeverij Boom publiceerde Singers Darwin voor links en Cliteurs Darwin, dier en recht.

Peter Singer & speciësisme
In 1975 publiceerde Peter Singer Animal Liberation. Het boek, dat in tientallen talen verscheen, leverde een filosofische onderbouwing van de opkomende dierenbeweging. Dieren die pijn  voelen of plezier beleven, hebben belangen, redeneert Singer. Deze belangen moeten meegewogen worden in de beslissingen die wij als mens voor de dieren maken. Hieruit volgt dat het eten van varkens, kippen en koeien ongepast is, vindt Singer, omdat er voldoende ander voedsel beschikbaar is; voedsel dat zonder leed geproduceerd kan worden.
In Animal Liberation maakt Singer een vergelijking tussen de onderdrukking van dieren en de eerdere onderdrukking van slaven. De slaaf wordt gediscrimineerd op basis van zijn huidskleur, het dier wordt achtergesteld op grond van het feit dat hij tot een ander soort behoort. Het eerste heet racisme, het tweede noemt Singer 'speciësisme'. Singer vindt overigens niet dat alle dieren gelijk zijn en gelijk behandeld moeten worden. Hij stelt alleen voor om te zoeken naar zinvollere criteria voor ons gedrag jegens dieren, dan bot speciësisme. Hierbij wijst hij bijvoorbeeld op de vraag of het dier in kwestie pijn kan lijden en of het zich bewust is van zijn leven. Zodra een van deze dingen het geval is, hoort het bepaalde rechten te hebben.

 
Paul Cliteur & Varkens in nood
De Leidse filosoof Paul Cliteur werd op 15 december aangesteld als 'ambassadeur van de Stichting Varkens in nood'. Hij volgt Robert Long op in deze functie. Cliteur is met name bekend van zijn columns in dagbladen en in het tv-programma het Buitenhof. Cliteur is hoogleraar filosofie in Leiden en hij doceert ook in Delft. Hij is adviseur van de VVD. Afgelopen maand publiceerde hij Darwin, dier en recht, waarin hij aanhaakt bij het werk van Peter Singer, maar ook bij Arthur Schopenhauer. Cliteur wil de komende tijd werken aan een declaratie van dierenrechten en aan het bewerkstelligen van een internationaal gerechtshof voor dierenrechten.
 
Jeremy Bentham over dierenrechten
'De dag komt waarop ook de rest van de dierlijke schepselen die rechten verwerven die ze tot nu toe door tirannie zijn onthouden. De Fransen hebben al ontdekt dat het zwart van een huid geen reden is om een mens zonder pardon aan de wreedheid van de folteraar over te leveren. Eens zal erkend worden dat ook het aantal benen, de beharing van de huid of de lengte van het heiligbeen niet voldoende is om een wezen met gevoel aan een vergelijkbaar lot over te laten. Wat er is dan nog dat de “onoverkomelijke grens” kan markeren? Het vermogen van de rede, of misschien het spraakvermogen? Maar een volwassen paard of hond is een onvergelijkbaar rationeler en communicatiever dier dan een zuigeling van een dag, week of maand. En zelfs als dit niet het geval was, wat zou dat dan uitmaken? De vraag is niet “Kunnen ze redeneren?”, noch “Kunnen ze spreken?”, maar “Kunnen ze lijden?”.'
Jeremy Bentham in een voetnoot bij zijn An Introduction to the Principles of Morals and Legislation (1789).