Home Rijk & arm: reportages uit The City en de Banlieue

Rijk & arm: reportages uit The City en de Banlieue

Door Patrick van IJzendoorn en Marijn Kruk op 26 maart 2015

Cover van 04-2015
04-2015 Filosofie magazine Lees het magazine
De Londense City is de habitat van de superrijken, in de Franse banlieue leven de bewoners in armoede, afgesloten van de wereld. Twee filosofische reportages.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Rijk: gouden eieren van de City
Geen stad in de wereld waar de inkomens-verschillen groter zijn dan in Londen. Patrick van IJzendoorn doet verslag vanuit de City, het oude zakenhart van de Britse hoofdstad.
 

Stukjes afgebrokkeld beton liggen tussen de distels in de tuinen, een currygeur ontsnapt uit de openstaande keukenramen en zwerfvuil hoopt zich op bij de gemeenschappelijke ingang. De lift ruikt naar pis en autoverkeer raast dag en nacht langs. De Robin Hood Gardens hebben betere dagen gekend, net na hun oplevering in de jaren zestig. Nu doen de twee betonflats in de Oost-Londense wijk Poplar vooral dienst als contrapunt voor de ostentatieve rijkdom die de wolkenkrabbers van de zakenwijk Canary Wharf, op steenworp afstand, uitstralen.
 
Het is typisch Londen, de metropool waar rijk en arm, anders dan in Parijs, met zijn eindeloze banlieues, pal naast elkaar wonen. Dat kan leiden tot ongemakkelijke situaties. Neem bijvoorbeeld de nieuwe woontorens aan de rafelranden van de City, het oude zakenhart van de Britse hoofdstad. Die zijn aan de achterzijde uitgerust met zogenoemde armendeuren, bestemd voor de sociale huurders die er dankzij de gratie Gods en de Woningwet ook mogen wonen. De Masters of the Universe komen wel door de voordeur binnen, om vervolgens de expreslift te nemen naar de penthouses.
 

Oom Dagobert

Geen stad in de wereld waar de inkomensverschillen groter zijn dan in Londen. De rijkste 10 procent verdient hier 273 keer zoveel als de armste 10 procent. Dat heeft enerzijds te maken met de toevloed van oligarchen, oliesjeiks en Oom Dagoberts uit aller landen, zij die de villa’s in wijken als Mayfair en Belgravia zien als spaarvarkens. Het grote geld wordt ondertussen verdiend in de City, alsmede in haar ‘Amerikaanse dependance’ Canary Wharf in het oude dokkengebied, en niet te vergeten bij de hedgefondsen in Piccadilly, anoniem verscholen tussen de herenclubs en warenhuizen.
 
De City, ook wel de Vierkante Mijl genoemd, is een merkwaardig stukje Londen. Er wonen nog geen zevenduizend mensen, maar doordeweeks stijgt het bevolkingsaantal tot 300.000. En masse komen de derivatenhandelaren, beursanalisten en fondsbeheerders ’s morgens toegestroomd, om in de late avond plaats te maken voor de schoonmakers die per bus arriveren. Ze leggen het Gouden Ei van de Britse economie. Dit middeleeuwse stukje Londen is de plek waar liefst een kwart van het binnenlands nationaal product wordt verdiend. De taal die hier wordt gesproken, is die van geld.
 

Simulacrum

De banken en handelshuizen vormen er een simulacrum, zoals de Franse filosoof Jean Baudrillard dat beschreef. Daarmee bedoelde Baudrillard dat de mens het contact met de echte wereld kan verliezen, doordat hij een beeld van de wereld creëert. Veel producten, zoals derivaten, zijn zo complex dat bijna niemand meer begrijpt hoe ze precies werken en waar ze naar verwijzen. Wetteloosheid regeert hier, het gewoonterecht van de brutaalste. Handelaren sjoemelen met rentestanden, bankiers smeren je er rotzooiproducten aan en het motregent bonussen, die soms in de miljoenen lopen. De bonus heeft allang geen relatie meer met de geleverde prestatie.
 
Uiteindelijk klapt de luchtbel in 2008. Lehman Brothers gaat failliet en andere banken lijken te volgen, totdat de politici besluiten dat ze ‘te groot zijn om om te vallen’ en met vele miljarden aan belastinggeld worden gered. Topmannen met passende namen als Fred Goodwin, Rich Ricci en Bob Diamond werden de gezichten van de hebzucht. De Vierkante Mijl wordt een melaatsenkolonie. Deze grootste financiële crisis sinds mensenheugenis maakt immers enorme bezuinigingen noodzakelijk.
Gewone City-werkers begonnen op feestjes te liegen over hun betrekking.
Ten tijde van de Londense zomerrellen in 2011 trekt commentator Peter Oborne de vergelijking tussen de plunderaars die delen van de stad in lichterlaaie zetten en de roekeloze bonusbankiers. ‘Laten we in gedachten houden’, schrijft de conservatief in The Daily Telegraph, ‘dat veel van de jongeren in de binnenstad nooit fatsoenlijke waarden hebben meegekregen. Al wat ze weten is barbarisme. Onze politici en bankiers, in scherp contrast, zijn doorgaans naar de beste scholen en universiteiten geweest en hebben veel kansen in hun leven gekregen.’
Oborne wijst erop dat de graaicultuur zich niet beperkt tot de Vierkante Mijl, maar overal in de Britse maatschappij opduikt, van de politiek tot het politiekorps, van de advocatuur tot de anglicaanse kerk. De financiële dienstverlening is er het symbool van geworden, simpelweg omdat het hier gaat om thatcherisme op steroïden. ‘Dienstverlening’ is in dit opzicht trouwens een misleidende term. Het verlenen van diensten heeft allang plaatsgemaakt voor zelfverrijking, waarbij de klant het kind van de rekening is. Rekening houden met een ander is vervangen door een rekening sturen naar een ander.
 

Goede bankiers

Het is niet altijd zo geweest, zo leert de BBC-documentaire When Bankers Were Good. Journalist Ian Hislop bestudeert daarin het ethisch besef van de victoriaanse bankiers en hoe zij zich pleegden in te zetten voor de publieke zaak. Het idee van de bankier als patriciër, compleet met bolhoed en sigaar, leefde lang voort in de twintigste eeuw, maar kwam tot een abrupt einde tijdens de meritocratische revolutie onder Margaret Thatcher, wier handtas naast een lippenstift en een leesbril ook The Road to Serfdom pleegde te bevatten, Friedrich Hayeks klassieker, de bijbel van de neoliberalen.
 
In 1986 vindt de Big Bang plaats, de liberalisering van de financiële markten. Greed is voortaan good, na Wall Street ook in Londen. Het is de verwachting van Thatcher, opgegroeid binnen een Rotary-familie, dat de nieuwe vrijheid gepaard zal gaan met verantwoordelijkheidsbesef. Op oude leeftijd spreekt ze tegenover vrienden haar teleurstelling uit. Wat de topbankiers vooral gehaat maakt is dat ze zich nooit hebben verantwoord en dat de rest van de maatschappij, die toch wel bleek te bestaan, de scherven mocht oprapen.
 
Het voorgaande legt meteen een spanning bloot binnen de Conservatieve Partij, bij de kinderen van Thatcher. Het laissez-faire-kapitalisme van Hayek en van de Russisch-Amerikaanse filosoof Ayn Rand staat immers haaks op het conservatieve gedachtegoed, waarin waarden als gemeenschapszin en naastenliefde belangrijke pijlers vormen. Voor Rand, bijvoorbeeld, is egoïsme de motor van vooruitgang – zonder ondernemers die hun wil doordrukken, en zich weinig gelegen laten liggen aan anderen, stort de samenleving in. De tweestrijd tussen gemeenschapszin en egoïsme is fraai zichtbaar bij Stephen Green, een voormalige dominee die bij HSBC was opgeklommen tot topman. Hij was geen Goodwin of Diamond. Green gaf zijn bonussen weg aan goede doelen in Cambodja, droeg goedkope pakken en nam het liefst de bus.
 
Na zijn bankiersbestaan wordt hij staatssecretaris voor Handel en zet hij zijn gedachten op papier. In Good Value: Reflections on Money, Morality and an Uncertain World en Serving God? Serving Mammon? werkt hij de premisse uit dat het de morele taak van een bankier is om een oogje te houden op de publieke zaak. Jarenlang blijkt hij te hebben geworsteld met zijn functie als topbankier (zijn kantoor keek uit op de genoemde Robin Hood Gardens) en zijn bestaan als belijdend christen, een eenvoudige man die zich veel zorgen maakt over zaken als armoede.
 
Des te groter is thans de desillusie dat uitgerekend deze bank, ondanks het morele leiderschap van Green, zich regelmatig bezondigd blijkt te hebben aan wanpraktijken zoals witwasserij, klantenbedrog en hulp bij belastingontwijking. Het kost Green, die voor de Conservatieven in het Hogerhuis zit, uiteindelijk zijn rol in een adviesraad voor de City. Saillant detail: twee jaar terug kwam de dominee Paul Flowers in opspraak, nadat hij had gefaald – en coke had gesnoven – als voorzitter van de raad van toezicht bij de Co-op, een sociaal betrokken bank die in de problemen verkeert.

Kerktorens

Wie er oude foto’s van de Vierkante Mijl bij pakt, ziet meteen het grote aantal kerktorens. Ze staan er nog steeds – onder meer die van de Nederlandse kerk Austin Friars –, maar ze vallen in het niet bij de wolkenkrabbers, ontworpen door ‘starchitecten’. God heeft niet alleen Jorwerd verlaten, maar ook de City. Er is geen sprake van een ethisch reveil. De veranderingen na de crisis zijn allemaal legalistisch van aard. Meer regeltjes om te ontduiken, meer richtlijnen om te buigen. Auditoren en compliance-officers zijn niet aan te slepen. Sneller dan ooit wordt er met geld geschoven.
 
Voor de rest geldt: Keep calm and carry on, net zoals in 1666, toen de panden na de Great Fire meteen weer werden opgebouwd en de ambitieuze nieuwbouwplannen van Christopher Wren in de prullenbak verdwenen. Anno 2015 zijn de bonussen weer op het oude niveau terug of ze zijn gecompenseerd door hogere salarissen. Bij de première van The Wolf of Wall Street liepen tientallen City-werkers verkleed als Gordon Gekko’s door de straten, met bretels, sigaretten en walkietalkies van baksteenformaat. Er liggen plannen om ‘winst maken’ op te nemen in het schoolcurriculum.
 
Bij de buitenwereld heerst pessimisme, bijvoorbeeld bij Joris Luyendijk, die jarenlang gesprekken heeft gevoerd met anonieme bankiers, quants en andere leden van de financiële broederschap. Hij is, zo leert zijn pas verschenen boek, tot de conclusie gekomen dat de vraag niet zozeer is of er een nieuwe crisis komt, maar wanneer. Grote financiële instellingen weten bovendien dat ze, als puntje bij paaltje komt, zullen worden gered. Dit morele risico geeft aan waar de macht ligt. Waar in de jaren zeventig de Britse vakbonden onaantastbaar waren, zijn het nu de City-bonzen.
 
Britse politici doen evenwel van alles om de financiële kolonie, de verschaffer van inkomen en werkgelegenheid, te beschermen tegen continentale aanvallen, zoals de Robin Hood Tax en het bonussenplafond. Het zakelijke hart is nu eenmaal een noodzakelijk kwaad. De bijnaam van hét iconische gebouw is wat dat opzicht treffend: de Erotische Augurk, verleidelijk maar een beetje zuur. Iets verderop is recent de ‘Walkietalkie’ verrezen. Deze toren was zo ontworpen dat de ramen dienst bleken te doen als vergrootglas en zodoende het straatleven verschroeiden. Hoe symbolisch!
 

Arm: gevangen in de Banlieu

De Franse voorsteden zijn steeds meer in zichzelf gekeerd, afgesloten van wereld. ‘Bewoners ontwikkelen een eigen universum met een eigen taal, gewoontes en gebruiken.’

Liever was David Daoud in het kantoortje gebleven van waaruit hij een zwik sociaal werkers aanstuurt. Na enig aandringen staat hij nu alsnog in La Croix-de-Vernailles, een probleemwijk in Étampes, een rustiek stadje zo’n zestig kilometer ten zuiden van Parijs. Wat onwennig kijkt hij naar de eerste etage van het vale gebouw waarin hij opgroeide. Daar bevindt zich het driekamerappartement waar hij tot zijn 26ste woonde. Zijn zus had een eigen slaapkamer. David deelde een kamer met zijn broer. Hun Bosnische moeder en Algerijnse vader sliepen in de woonkamer. De flat heeft iets weg van een blokkendoos. De ramen zijn piepklein.

‘Daar begint het al mee’, zegt jeugdwerker Franck, een gedrongen veertiger met een designbril. ‘Wat voor signaal geef je als overheid af wanneer je mensen in zulke hokken stopt?’ Wie het pad langs de heuvel volgt kruist een tiental identieke flats. ‘Het is vreemd om hier terug te zijn’, zegt David. Met zijn vrouw en hun twee kinderen woont hij alweer jaren in een koopwoning elders in de stad. Winkels zijn er in La Croix-de-Vernailles niet. Wie een brood wil kopen, moet drie kilometer lopen. ‘Maar het uitzicht is hier nog steeds prachtig.’ Hij wijst richting het middeleeuwse stadscentrum beneden ons. Daarachter strekken zich de velden en de bossen uit.
 
Naast hem begint Franck ongeduldig te schuifelen. ‘Het is tijd om te verkassen’, zegt hij. ‘We verstoren de handel.’ Anders dan David woont hij nog altijd in La Croix-de-Vernailles, een voorwaarde voor een vertrouwelijke omgang met de plaatselijke jeugd. Wanneer we even later het pad aflopen maakt hij een groetend hoofdgebaar richting twee jongens die in een portiek staan. Ze knikken terug, terwijl hun ogen ons blijven volgen tot we de hoek om zijn. ‘Die waren aan het dealen, wat denk je dan?’ zegt Franck even later. ‘Ze verkopen shit [cannabis]. Dáárvoor komt de bourgeoisjeugd uit het centrum wel naar boven.’ 
 

Charlie Hebdo

De Franse banlieues zijn doorgaans slecht in het nieuws. Ze worden geassocieerd met rellen, in brand gestoken auto’s en drugshandel. Tegenwoordig ook met moslimextremisme. Nadat eenmaal duidelijk was geworden dat Amedy Coulibaly, de jongeman die twee dagen na de moordpartij bij Charlie Hebdo vier mensen doodschoot in een koosjere supermarkt, uit de wijk La Grande Borne afkomstig was, spoedden journalisten zich naar de buitenwijken. Die reflex was begrijpelijk, de vooronderstelling (sociale uitsluiting leidt tot radicalisering) op z’n minst aanvechtbaar.
 
Zeker is dat de aanslagen de banlieue terug op de politieke agenda hebben gezet. Premier Valls maakte veel los toen hij, sprekend over de banlieues, het woord ‘apartheid’ in de mond nam. Van uitsluiting in juridische zin was volgens Valls uiteraard geen sprake, maar van een feitelijke uitsluiting des te meer. De banlieues vormen een smet op het blazoen van een republiek die zich meritocratisch wil voordoen. Het is wat haar van het ancien régime zou moeten onderscheiden: wie voor een dubbeltje geboren is kan een kwartje worden als hij ervoor werkt. Het schoolsysteem met zijn concoursen, classes préparatoires en grandes écoles is daar ook voor bedacht.
 
Die illusie van het kwartje werd decennia geleden al door socioloog en filosoof Pierre Bourdieu doorgeprikt. Dankzij het ‘culturele kapitaal’ dat ouders hun verschaften hadden kinderen uit bourgeoismilieus een onevenredig grotere kans om carrière te maken dan kinderen uit arbeidersmilieus. Met de ironische noot dat uitgerekend Bourdieu het als zoon van een spoorwegbeambte uit de provincie tot hoogleraar aan het Collège de France had weten te schoppen. De werkelijkheid is dat ongelijkheid in Frankrijk de afgelopen jaren opnieuw fors is toegenomen. Het INSEE, het Franse bureau voor de statistiek, berekende dat ruim 14 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Die armoede concentreert zich op het platteland en in de 751 als zodanig benoemde probleemwijken, de zogeheten quartiers prioritaires.
 

Uitkering

In La Croix-de-Vernailles is ruim 30 procent van de huishoudens aangewezen op een uitkering. Het aantal schoolverlaters bedraagt bijna 70 procent. Aanvankelijk wilde David graag vooroordelen over de wijk wegnemen. In zijn kantoortje wees hij erop dat er niet alleen huurwoningen, maar óók koopwoningen stonden. Een medewerker bevestigde dat, maar stelde dat die werden gescheiden door een hek. Naar bleek hadden de kopers van de nog op te leveren paviljoens dat geëist toen ze doorkregen dat ze een huis in een probleemwijk hadden gekocht. Het hek zou tijdelijk zijn, maar staat er alweer jaren.
 
Het woord ‘banlieue’ roept associaties op met de voorsteden van Parijs, Toulouse of Marseille, opgetrokken uit gigantische  flatgebouwen en bevolkt door een immigrantenpopulatie uit de voormalige overzeese provincies en koloniën, met name Algerije en Senegal. Minder bekend is dat veel Franse provinciesteden hun eigen banlieuetje hebben. Bijkomend probleem is dat ze veel geïsoleerder liggen dan de banlieues rond de grote metropolen. De leefomstandigheden in een voorstad als Clichy-sous-Bois, ten noorden van Parijs, zijn abominabel. Maar de grote stadsagglomeratie biedt kansen. Bewoners, nieuwkomers veelal, stromen uiteindelijk toch door naar betere banen en leefbaarder wijken.
 
In de provincie ligt dat anders. Want waar moet je naartoe wanneer je je baan verliest? De regio biedt nauwelijks kansen om je economische positie te verbeteren. Neem Étampes. In de jaren zestig en zeventig werden daar gastarbeiders geïmporteerd die de opbloeiende auto-onderdelenindustrie van goedkope en ongeschoolde arbeidskrachten moesten voorzien. Ze werden ondergebracht in haastig opgetrokken nieuwbouw in de bossen ten westen van het 24.000 zielen tellende stadje. Vrouwen en kinderen kwamen in het kader van gezinshereniging over. Maar de de-industrialisatiegolf die Frankrijk vervolgens overspoelde eiste zijn tol. De fabrieken verdwenen; de immigranten bleven met lege handen achter.
 
De socioloog Didier Lapeyronnie, auteur van Ghetto urbain (2008), heeft beschreven hoe zo her en der in de provincie stadsgetto’s ontstonden. Kleine compacte wijken, op een paar kilometer van de stadskern, waar alle denkbare sociale, economische en culturele problemen samenkomen. De segregatie met de oorspronkelijke bevolking is er vrijwel compleet. Maar het getto is niet alleen fysiek, het is bovenal cultureel. ‘Bewoners ontwikkelen een eigen universum met een eigen taal, gewoontes en gebruiken’, zegt Lapeyronnie tijdens een vraaggesprek in zijn werkkamer aan de Sorbonne-universiteit in Parijs. ‘Dat biedt bescherming tegen een buitenwereld waardoor mensen zich buitengesloten voelen, maar vormt tegelijk een belemmering om de wereld tegemoet te treden.’
 
Daarom noemt de socioloog het getto zowel een cocon als een gevangenis. ‘Bewoners zijn tegelijkertijd trots op hun wijk én geven erop af. Ze verkeren in een penibele situatie waar ze uit willen, maar niet uit kunnen. Met elkaar doen ze dan of het juist heel mooi is waar ze wonen, terwijl ze individueel proberen om eruit te komen. De droom blijft een samenleving die elders is.’ ‘Ik zit hier goed, maar ik wil niet dat mijn kinderen hier eindigen’ is een opmerking die je volgens Lapeyronnie regelmatig hoort. ‘Sommigen lukt het te ontsnappen; de mensen wie dat niet lukt stellen zich doorlopend de vraag: “Komt het doordat ik in een kooi zit of ligt het aan mijn eigen gebrek aan capaciteiten?”’
 

Gelijkheidsideaal

Franck herkent daar wel iets in; David houdt zich op de vlakte. We lopen het voetpad langs de flats af en naderen een groep ouders die staan te wachten bij het schoolhek. ‘Niet die Turkse vrouwen aanspreken, hoor’, haast Franck me te zeggen. Waarom niet? Druist dat niet lijnrecht in tegen het gelijkheidsideaal dat hij als vertegenwoordiger van La République française behoort uit te dragen? Franck kijkt schuldbewust en mompelt iets over ‘codes’ waar hij niet omheen kan in de buurt. ‘Ik heb te maken met de praktijk’, zegt hij.
 
Later komt het gesprek op de Franse media en het wantrouwen dat daar in de banlieue tegen bestaat. ‘Die bevestigen alle vooroordelen’, zegt Franck. Een cameraploeg van de televisie kan hier niet zonder beveiliging op pad. Dat verbaast niet als je de redenering van Lapeyronnie volgt. Bewoners van de wijk koesteren zich in hun ‘cocon’, maar met een televisiecamera weten ze de blik van de buitenwereld op zich gericht. En die blik confronteert hen weer met de gevangenis die hun wijk óók is. De gevoelens van onmacht die daarmee gepaard gaan, vertalen zich gemakkelijk in agressie, met name bij jongeren. Volgens de socioloog moet je de banlieue-rellen die Frankrijk in het najaar van 2005 drie weken achtereen in hun greep hielden dan ook zien als een politieke daad, hoe onbeholpen die ook mag overkomen. Een daad van politiek afkomstig van een groep die alle vertrouwen in oplossingen vanuit de politiek verloren heeft.
 
Het is het type uitspraken waarmee je Alain Finkielkraut gemakkelijk tot razernij drijft. In een geruchtmakend interview noemde de filosoof rellen waarbij ook scholen en bibliotheken het moesten ontgelden een ‘antirepublikeinse pogrom’. Hij hekelde de wijdverbreide neiging het geweld te reduceren tot zijn sociaal-economische dimensie. ‘We willen dat het een sociaal-economisch probleem is’, zei hij toen ik hem recent opzocht in zijn appartement in het Parijse 6e arrondissement. ‘En daarom investeren we er veel geld in, om zo de kloof die hen van de rest van Frankrijk scheidt te overbruggen. Maar het haalt allemaal niets uit.’ Volgens Finkielkraut, auteur van het polemische Ongelukkige identiteit, is het probleem in de eerste plaats cultureel. Hij spreekt van ‘doorgeslagen occidentalisme’; niet de afkeer van het Westen, maar de behoefte aan immanentie ervan, vertaald naar de slogan ‘Geef me nieuwe Nikes of ik sla alles kapot’. 
 
Tegelijk wijst Lapeyronnie erop dat in de praktijk slechts een enkeling erin slaagt om uit het stadsgetto te ontsnappen. En dat is zorgelijk, want het betekent dat emancipatie (en integratie) niet langer een collectieve, maar een individuele aangelegenheid is geworden. Dat betekent vaak ook dat wie eruit ontsnapt zich van zijn vroegere wijk afkeert; de achterblijvers delen alleen in de negatieve ervaring van de mislukking. Volgens Lapeyronnie is het daarom belangrijk dat de aanwezige krachten zich mobiliseren. ‘De banlieues worden nergens vertegenwoordigd en hebben geen manier om zich te laten horen’, schrijft hij in het vorig jaar verschenen pamflet Refaire la cité. Met andere woorden, breng het probleem terug naar zijn essentie, en die is politiek. Herpolitiseer de banlieues, zelfs – of beter: juist – wanneer dat tot heftige aanvaringen zal leiden.
 
In de auto op weg terug naar het kantoortje van David zegt Franck dat hij soms het gevoel heeft dat hij ‘tussen twee stoelen zit’. ‘Op het gemeentehuis zeggen ze dat ik bij de wijk hoor, in de wijk dat ik in “het andere kamp” zit. Ach, weet je, het is niet dat men de republiek in de wijk niet zou erkennen of zo. Maar ze zijn daar een beetje moe geworden van alle goedbedoelde initiatieven en projecten die nergens op uitgedraaid zijn. Dan is het al snel: “Laat ons maar liever met rust.” Tot de volgende geweldsexplosie.’