Home Reis naar het hart van het denken

Reis naar het hart van het denken

Door Simone Bassie en Michel Dijkstra, Simone Bassie en Michel Dijkstra op 17 juli 2012

07-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Echt inzicht vind je niet op de faculteit wijsbegeerte, ervoer filosoof Jan Bor. In een essaybundel beschrijft hij zijn queeste naar een meer praktische, bescheiden wijsheid.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Traditioneel zoekt filosofie naar wijsheid. Wie echter een studie wijsbegeerte afrondt, ontvangt wel een bul, maar is daarmee nog niet wijs. Een merkwaardige gang van zaken, vindt Jan Bor: ‘Ik was filosofie gaan studeren om erachter te komen hoe het met de wijsheid zit. Maar behalve dat ik nog meer kennis opdeed en mijn verstand verder werd getraind, bracht het me in mijn zoektocht naar wijsheid alleen maar verder van huis. Mijn verlangen ernaar bleef onvervuld.’
In zijn nieuwe essay Wat is wijsheid? doet Bor verslag van zijn filosofische zoektocht. Dat hij voor dit boek rijkelijk uit eerder gepubliceerde teksten put, werkt niet storend, omdat zijn queeste nog niet is afgesloten. Door op zoek te gaan naar de wijsheid wordt zijn verwondering alleen maar groter – een geestesgesteldheid die hij steeds opnieuw probeert vorm te geven. In die zin lijkt Bor op bepaalde dichters zoals de negentiende-eeuwse symbolist Mallarmé, van wie je zou kunnen zeggen dat hij zijn hele leven aan één gedicht werkte. In dit werk trachtte de dichter bovendien het onuitsprekelijke of ‘het niets’ onder woorden te brengen. Deze mysterieuze term is voor de filosoof eveneens van groot belang, getuige zijn eerdere boek Op de grens van het denken.

‘Wie ben ik?’

Het uitgangspunt van Bors zoektocht naar wijsheid vormt de vraag ‘Wie ben ik?’. De filosoof probeert zijn licht op te steken bij Descartes en een lange reeks andere westerse denkers, maar hun eenzijdig rationele benadering kan hem niet bevredigen. Het ‘ik’ moet meer zijn dan het denken; wijsheid kan niet alleen bestaan uit kennis vergaren. Teleurgesteld reisde Bor eind jaren zeventig van de vorige eeuw naar Japan, waar hij zich een tijdje intensief met zenmeditatie bezighield.
Deze kennismaking met zen en de eruit voortvloeiende beoefening ervan onder een strenge, maar rechtvaardige Londense meesteres zette Bor op een nieuw filosofisch spoor. Hij ontdekt dat de vraag ‘Wie ben ik?’ principieel onbeantwoordbaar is, omdat je ten diepste een mysterie voor jezelf bent. Dit mysterie ervaren, wat de filosoof ook wel ‘het hart’ noemt, leidt er echter toe dat je dit wonder overal om je heen herkent en je met alles en iedereen verbonden voelt. Zo leidt de filosofische reflectie op het ‘ik’ tot een praktische, bescheiden wijsheid, die paradoxaal genoeg uitgaat van het niet-weten. Hier bevindt Bor zich overigens in uitstekend filosofisch gezelschap, want Socrates, Boeddha en Lao Zi gingen hem voor.
De filosoof stelt dan ook: ‘Wat is dus wijsheid? Tja, ik weet het natuurlijk ook niet, maar besef inmiddels wel dat juist daarin de toegang tot dit mysterie ligt: in het weten dat je het niet weet (zoals je ook niet weet wie je in de grond bent).’ Het leven vanuit dit niet-weten resulteert dan ook in een houding waarin het hart openbloeit voor de gehele realiteit, inclusief de schaduwkanten, en hierdoor wordt beroerd.
De lezer kan een vleug van deze geraaktheid meevoelen op de laatste, ontroerende pagina van Wat is wijsheid?. Hier laat Bor alle filosofische bespiegelingen achter zich en beschrijft hij in een directe, onopgesmukte stijl het wonder van de geboorte van zijn zoontje Olivier. Het je openstellen voor deze momenten, waarin het levensmysterie ervaarbaar wordt, is misschien wel de hoogste vorm van wijsheid: ‘Daar ben je [de pasgeborene] in je volle overweldigende concreetheid. Ik voelde de schrik die je voor het mysterie voelt, inderdaad het mysterium tremendum, het schrikwekkende mysterie.’