Home De dood Publieke rouw
De dood

Publieke rouw

Door Bert Keizer op 22 mei 2005

05-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Tot zijn laatste dagen leed de paus voor de ogen van de wereld – maar het sterven zelf mochten we niet zien. Heeft het publieke sterven van de paus, Pim Fortuyn, André Hazes, Theo van Gogh, Claus en Bernhard onze kijk op lijden en dood veranderd? Een drieluik door verpleeghuisarts, filosoof en auteur Bert Keizer.

I – Ziek

Zondagmorgen, weinig zorgen, uitgebreid ontbijt, veel kranten, Mozart, de tuindeuren staan open, kan voor het eerst dit jaar, en dan stapt uw man ineens binnen vanuit de tuin en zegt: ‘Volgens mij ligt er een dooie kat bij de vijver.’

Als uw reactie bij een dergelijke mededeling is: ‘Ik zie straks wel, doe mij nog een keer koffie’, dan is de pauselijke dood niet aan u besteed en hoeft u eigenlijk niet verder te lezen. Als u opspringt en worstelend tegen afkeer en nieuwsgierigheid de tuin inloopt om te gaan kijken, dan kennen we elkaar.

Waarom gaat u kijken? Niet omdat u twijfelt aan de bewering van uw man. Niet omdat u eerste of laatste hulp wilt verlenen. En toch wilt u het dode dier zien.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Rond de dood van de paus werd op fraaie wijze rekening gehouden met dit verlangen en we mochten hem rustig bekijken in vol ornaat aangekleed, rustend op een koelplaat, want hij wilde niet gebalsemd worden. Pauselijk sterven wekt geen tranen zodat je een helderder zicht hebt op het gebeuren dan wanneer je snikkend voortstrompelt achter de resten van iemand van wie je echt hield.

Dood mochten we hem wel zien, ziek ook, ziek vooral, maar stervend niet.

Ik had niet zo’n moeite met het schouwspel van de zieke paus. Ik bedoel te zeggen dat ik het niet ongepast vond, of vies, of kwetsend, of angstwekkend, om te zien hoe hij met het verstrijken van de tijd geleidelijk bezweek onder de ziekte van Parkinson.

Het is een rotziekte overigens, die veroorzaakt wordt door een gebrek aan neurotransmitter in de substantia nigra. Nou, dan weet u het wel. Sorry, het gaat om een stoornis in een onderdeel van de middenhersenen, het dierenbrein zeg maar, via welk onder andere de uitdrukking van emotie wordt geregeld. Parkinsonpatiënten hebben last van een uitdrukkingsloos gelaat, gebogen gang, kleine pasjes, trillende handen of lippen, speekselvloed, spreek en slikproblemen en vaak geestelijke achteruitgang in termen van traagheid, overzichtsverlies, geheugenproblemen en dergelijke. Karel van het Reve werd er ook door getroffen en meldde iets dat nergens in de leerboeken staat: hij was niet meer in staat zich op eigen kracht in bed om te draaien. Het is een merkwaardige ziekte, waarin het lot een willekeurige hap uit het brein neemt, met onthutsende gevolgen. De laatste jaren hing de paus in zijn zenuwstelsel als een bokser in de touwen en velen vonden dat geen gezicht.
 

Imitatio Christi

De vraag is hoe dicht je bij iemands lichamelijke ongemak mag komen voordat je hem verdrukt in de ruimte waar hij lijdt? Wat de paus betreft mochten we heel dichtbij, hetgeen weer een tegengestelde reactie opriep: sommigen voelden niet zozeer dat ze er bij mochten zijn als wel dat ze erbij gesleept werden en vonden dat hij als een imitatio Christi in hun gezicht werd geduwd door collega-kardinalen die als cynische kerkvorsten het belang van het Vaticaan verre boven dat van het persoonlijke lijden van deze man stelden. Dachten ze iets te oogsten met een wereldwijde vertoning van zijn lichamelijke neergang? Ik ben gepensioneerd katholiek, en heb ze niet zo hoog zitten, curiekardinalen, maar de mogelijkheid van een dergelijke uitbating vind ik te laag gegrepen.

Voor mij was er wel een moment waarop ik het aanzien van zijn lijden te erg vond en er een zekere grens werd overschreden. Het gebeurde een paar weken voor zijn dood. Op het Sint Pietersplein hadden duizenden mensen zich verzameld en hij zou proberen hen iets te zeggen. Triest genoeg bracht hij het niet verder dan wat machteloos gerochel in de microfoon, dat op genadeloze sterkte rond het gigantische plein golfde. Ik vond dit te erg, omdat hij het zelf niet meer in de hand had. Ik had op dat moment het gevoel te dicht ‘op’ zijn lijden te staan, zó dicht op zijn lijden te staan dat hij mij niet meer op afstand kon houden, zich niet meer kon verweren. Mijn gêne werd ongetwijfeld versterkt doordat duizenden met mij meekeken terwijl hij daar verloren en hulpeloos in het grote venster zat. Als we samen in een kamer waren geweest zou ik me nergens voor generen.
Dat er geregisseerd wordt binnen het Vaticaan merkte je toen je uit de ruimte achter hem een hand zag opdoemen om de microfoon bij dat nare gereutel weg te draaien. De toen nog kardinaal Ratzinger vond het misschien welletjes. Van een afstand was het onmogelijk in te schatten hoever Johannes Paulus II in zijn ziekte was opgegaan en een marionet was geworden en, zo ja, wie er aan zijn touwtjes trok.
 

II – Sterven

De stervende paus kregen we niet te zien. Ik werk als arts in een verpleeghuis en heb in binnen- en buitenland van alles betoogd over sterven en geneeskunde. Als gevolg daarvan komt het regelmatig voor dat een filmploeg voor een televisieprogramma uit Korea, Spanje, Amerika, Japan, Engeland, onlangs nog Letland, opbelt om te zeggen dat ze willen langskomen om een en ander nog eens voor de camera met mij door te nemen en om tevens even een euthanasie te filmen.

Sterven is een moeilijk onderwerp voor journalisten omdat ze er niet bij kunnen. Ze moeten het, net als Alfred Kinsey destijds met seks, van hearsay hebben. In Nederland wordt er 140 duizend keer per jaar gestorven en dat gebeurt in de ontoegankelijke nis van het persoonlijke leven. Een buitenstaander kan vrij makkelijk binnenlopen bij een bruiloft, een jubileum, een begrafenis of een drukke verjaardag, maar een sterfbed is voor wie er niks te maken heeft als betrokkene net zo moeilijk te benaderen als andermans liefdessponde tijdens de daad.

Mijn indruk van het pauselijke verscheiden is dat het medisch-technisch gesproken keurig is verlopen. De vrees bestond dat de Kerk zijn tanende lichaam zou gebruiken om eens te laten zien wat het in de praktijk betekent dat het sterven nooit verhaast mag worden. Het lag voor de hand dat ze hem de trage dood op een intensive care zouden laten doormaken om hun handen schoon te houden. Maar niets van dat al. Hij is in zijn eigen optrekje gebleven en het uitzinnige medische geweld waarmee een sterfbed op intensieve wijze van een nare toestand in een wanhopig makende catastrofe kan worden veranderd, is hem bespaard gebleven.

Dat daar koelbloedigheid bij nodig is geweest, vanuit hemzelf dan wel vanuit de omstanders, bewijst een blik op de laatste uren van Prins Bernhard. Diens merkwaardige excursie voor een laatste snik binnen de muren van het Academisch Ziekenhuis in Utrecht heb ik nooit begrepen. Heel Nederland wist dat hij stervende was. We mogen aannemen dat hij het zelf ook in de gaten had, maar toch is iemand daar in Soestdijk op die middag, toen het er naar uit zag dat er ook werkelijk gestorven ging, worden in paniek geraakt en vervolgens gedacht: ‘Oh shit, hij gaat écht dood!’ en heeft een ziekenwagen gebeld.

Met voorspelbare afloop. Over die afloop werd dan weer gefluisterd dat Bernhard naar het Academisch vluchtte om daar zijn euthanasie te krijgen. Maar je maakt mij niet wijs dat iemand met Bernard’s connecties en zijn vastberadenheid er niet in zou slagen zijn overdosis op Soestdijk afgeleverd te krijgen.
 

Zalig oplichten

Johannes Paulus II is echter, naar het zich laat aanzien, in alle rust, in ieder geval medisch ongehinderd, naar zijn Maker afgereisd. Hier zit veel speculatie in van mijn kant en dat speculeren over zijn sterven nam hier en daar absurde vormen aan. De sympathiekste uiting kwam van een kardinaal die sprak over de toestand van de paus op zijn sterfbed als die van een man die gretig in de Eeuwigheid blikt. Dit zalige oplichten van het gelaat van de stervende heeft een lange geschiedenis. Ik werd herinnerd aan Richmond´s verslag rond de stervende William Blake. Hij stierf op 12 augustus 1827. Een paar dagen later schreef George Richmond aan Samuel Palmer – in een brief met spelfouten en hoofdletters waar je ze niet zou verwachten:
 
Wednesday Evening My Dr Friend,
lest you should not have heard of the Death of Mr Blake I have written this to inform you – He died on Sunday night at 6 Oclock in a most glorious manner. He said He was going to the Country he had all His life wished to see and & expressed himself Happy, hoping for salvation through Jesus Christ. Just before he died His Countenance became fair. His eyes lighten’d and He burst out into Singing of the things he saw in Heaven. In truth He Died like a Saint as a person who was standing by Him Observed – He is to be Buryed on Fridayay 12 in morning. Should you like to go to the Funeral – If you should there will be Room in the Coach.
Yours affectionately G.Richmond
Excuse this wretched scrawl
 
Mooi werk. Ook van Johannes Paulus II werd bericht dat hem in zijn laatste uren een vergelijkbare vooruitblik in het Hemelse vergund was. De Amersfoortse Courant berichtte zelfs in een kop: ‘Paus sterft met sereniteit van engelen’ wat mij engelkundig gesproken een hele toer lijkt want engelen sterven niet. Ze kunnen ook bedoeld hebben dat hij reeds engel was zoals hij daar lag, maar dan komen alle vragen over Jezus’ lijden en sterven weer terug: heeft hij dat nou wel (mens) of niet (god) meegemaakt? Daar zijn nog heel wat schedels over ingeslagen. 

Wie wel eens een sterven heeft meegemaakt en zich bij het herbeleven van dat moment heeft weten te onthouden van wat we nu maar even zullen noemen ‘engelen en zo’, die zal een gevoel van teleurstelling moeilijk kunnen onderdrukken. Er is niet veel aan. Er gebeurt eerst weinig en vervolgens eigenlijk helemaal niks. Daar zijn wel uitzonderingen op, maar wat de arme Frans Laarmans zo vurig hoopte in Elsschot’s Kaas komt slechts zelden voor. Laarmans staat bij zijn stervende moeder en ergert zich aan zijn eigen onhandigheid en het zinloze geredder van zijn zusters. Met een blik op zijn moeder denkt hij: ‘… hoe ik haar innerlijk ook bevel gaf rechtop te komen zitten en de hele bende met haar geduchte glimlach uiteen te drijven, het mocht niet baten. Zij lag zo stil als alleen een dode liggen kan. ‘t Was nog gauw gegaan en het had weinig gescheeld of ik was er niet bij geweest.’

Dat is het vreemde van sterven als je erbij staat. Het is nauwelijks een gebeurtenis. Het komt dan ook wel voor dat naast-bestaanden nog niet in de gaten hebben dat ze nabestaanden geworden zijn, totdat een zuster of dokter de sterfkamer betreedt en constateert dat de man of vrouw in kwestie dood is.
 

Dood op verzoek

Als het stervensmoment zo weinig voorstelt, waarom mag het dan niet gefilmd worden? In de documentaire Dood op Verzoek (1994) werden een patiënt en zijn huisarts gedurende enkele maanden voorafgaand aan zijn opzettelijke levensbeëindiging gevolgd door een filmploeg. Die hadden dus voor elkaar gekregen wat ik altijd voor onmogelijk verklaar: het filmen van een euthanasie. De patiënt in kwestie werd tot in de dood gefilmd, hoewel ik moet bekennen niet meer goed te weten hoe dat er uitzag.

Een close up van het gelaat lijkt mij het sprekendst, want het gelaat is de buitenkant van de ziel, en de ziel vertrekt, of dooft uit, en dat zie je niet zo aan de grote teen, daarvoor moet je naar het gelaat.

Over deze film ontstond wereldwijde commotie. De documentaire heeft ons internationaal een door de makers beslist niet bedoelde maar daardoor niet minder diep doorvretende beschadiging opgeleverd. Het Nederlandse euthanasiebeleid is mede door deze filmbeelden onlosmakelijk verbonden geraakt met het idee van een vergrijp dat alleen maar in wreedheid, in bruutheid en door schending van de persoonlijke integriteit kan plaatsvinden. Het betreurenswaardige misverstand was dat de makers dachten een zo evidente sfeer van vertrouwen en intimiteit te hebben geschapen dat daarbinnen zelfs het sterven kon worden gefilmd. Vele kijkers in Nederland, maar nog veel meer kijkers in het buitenland, zagen precies het tegenovergestelde. Zij beschouwden de stervende man als een slachtoffer dat in zijn extreme weerloosheid op grove wijze door de meedogenloze blik van de camera werd verdrukt.

Er is wel een reden te bedenken waarom ik mij die beelden niet herinner. Het is opnieuw die schaamte als bij de zieltogende paus in dat grote venster. Een film van een lawine is leuk om naar te kijken, of een instortend huis, maar een film van een instortende mens? Sportbloopers zijn alleen maar verteerbaar met de mededeling dat de verongelukte eenmaal bij het ziekenhuis aangekomen alweer bleek te kunnen lachen. Je mag je niet warmen aan iemands ondergang, maar je gaat wel meteen kijken naar die dode kat bij de vijver. Ach, zo’n kat. Maar het echte schuldgevoel komt bij het gratis meekijken naar een stervende. Gratis in zoverre dat het niet iemand is van wie je zielsveel houdt. Want als je als kijker ook lijdt bij het kijken dan zit het wel goed.

Het echte sterven valt niet te filmen. En als het eens een keer gebeurt dan is er gêne of woede door de inbreuk op het persoonlijke. Daar komt nog de overweging bij dat we er zo ongaarne naar kijken omdat zo’n gefilmde dood een veel te overtuigende generale repetitie is van je eigen inslapen, een omstandigheid die wel onherroepelijk nadert, maar waar je geen gedetailleerd nieuws over wilt hebben. We zien straks wel. Hein zal ons niet overslaan, daar zijn althans tot op heden geen voorbeelden van in de geschiedenis – als we één of twee Hemelvaarten terzijde schuiven waarover uiteenlopend gerapporteerd wordt.
 

III – Dood

Een van de merkwaardigste vragen rond de dood is: wat moet je eigenlijk met ‘de resten’? Flauwe praatjes in de trant van ‘zet mij maar bij het grof vuil’ zijn alleen maar afwerend en bieden geen enkel soelaas voor de nabestaanden. Het is wel grof vuil, een lijk, grover ken ik niet eigenlijk, en toch wil je het niet zo behandeld zien. Deze omzichtigheid kent een scherpe grens, hij stopt namelijk onmiddellijk nadat de kist het vuur is ingeschoven of in de aarde neergelaten, want dan zit niemand er nog over in wat het lijk overkomt.

Tot dat moment is het pandemonium, helemaal bij prominente lijken. We hebben het gezien bij prinses Diana, Pim Fortuyn en André Hazes, en iets stijlvoller bij Claus en Bernhard. De drukte rond het lichaam van Theo van Gogh viel eigenlijk mee, de wereldwijde hype rond de paus leek daarentegen volstrekt buitenproportioneel en moeilijk te duiden.

Er is iets veranderd in de waarneming van het pauselijke ambt, maar niet iedereen had dat in de gaten. Dat de koningin niet naar de begrafenis ging was met een terugblik op de laatste pauselijke begrafenis de meest voor de hand liggende koers. Alleen voldeed die terugblik niet. Want dat was het vreemde bij dit levenloze lichaam: de hele wereld leek er op af te stormen met een bijna zwakzinnige neiging om de werkelijke aard van zijn ambt terzijde te schuiven en vervolgens in onsamenhangend geneuzel te vervallen dat uit de meest onverwachte hoeken opklonk.
Premier Balkenende, toch niet het wierokerige type, beschreef de pauselijke begrafenis als de meest indrukwekkende gebeurtenis van zijn leven. Daar werd ergens een zenuw geraakt. Waarom vergaapte iedereen zich zo gretig aan de rouwmis? Is het verlegenheid over eigen riteloosheid die ons, de metafysisch perspectieflozen, dwingt tot een kale in-de-grond-stopperij? Wij kunnen de dood, evenmin als de zon, recht in het gelaat blikken, en het zingende wegkijken in Rome klinkt veel beter dan ‘haar twee favoriete liedjes’ die je over de geluidsinstallatie in de hedendaagse doodsaula te horen krijgt. 

Begrafenissen zijn een picknick vergeleken met sterfbedden, zei Tennessee Williams ongeveer. En dat was ook hier het geval. De wind deed wonderen. Allereerst het monumentale wapperen van de bloedrode kardinaalsgewaden op een zo uitbundige wijze dat Fellini het effect misschien als lichtelijk overdreven vermeden zou hebben. Daarnaast bladerde de wind, Gods adem immers, slordig in de opengeslagen bijbel die voor de kist lag, Koplands onvergetelijke regels in de herinnering brengend:
 
zoals de pagina’s van een krant
in het gras langzaam om
slaan in de wind, en het is de wind
niet, die dit doet.
 
De wind kan dat niet, pagina’s omslaan. Maar het kan er zo lezend uitzien wat de wind doet, alsof God in ons bladert.

Nee, we laten ons niet gaan, de aard van het ambt, zei ik net: baas van een groep verknipte mannen die zich met enige trots de heerschappij over één miljard gewetens laat aanleunen. En de vraag in welk kamp het percentage sukkels hoger is: onder die miljard, die zich er iets van aan trekken, of onder die 115? De menselijke aard is iets wonderlijks. Vooral als er echt veel macht in het spel is, ontstaat al gauw de indruk van een lachende slang.

De paus toeft nu in houten, loden en zinken kisten, ver onder dit alles, of boven dit alles, we kijken niet op een voorzetsel. Zeker is dat hij het ‘Santo Subito’ niet gehoord heeft.

Je vraagt je niet af wat een lijk meemaakt, niks natuurlijk, maar een kijkje in het eigen graf kan wel opmonteren, althans dat zegt Cioran.

‘Als je op het punt staat te gaan briesen van woede, denk dan even aan het beeld van je lijk straks in de kist; de rust, de stilte, het vergeefse.’

Hij zweert er bij. Wordt daar erg rustig van.