Home Ontwaken uit een stenen slaap

Ontwaken uit een stenen slaap

Tijdens zijn studie had Coen Simon twee dromen die zijn adolescente leven veranderden. Op zoek naar de betekenis ervan stuit hij op de paradoxale bestaansmogelijkheid van dromen.

Door Coen Simon op 15 juli 2022

Ontwaken uit een stenen slaap beeld Dya Eldin
Cover van 07/08-2022
07/08-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Op de kerkenmarkt in een nabijgelegen dorp kocht ik voor 60 gulden een tafel, vier stoelen, een hutkoffer, een kast met een spiegel, een rookstoel en een lamp. Alleen het tweepersoonsbed dat ik meenam naar mijn eerste studentenkamer was van mijn ouders geweest, ik was erin geboren. Het had me verbaasd dat de kamer groter werd toen mijn spullen er eenmaal stonden. Al had ik thuis een eigen kamer gehad en mocht ik ook roken op mijn kamer, ik had nu pas het gevoel dat mijn kindertijd voorbij was. Het gaf me een euforisch gevoel te weten dat ik alles wat ik nu deed zélf zou doen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De eerste keer dat ik de onherroepelijke keerzijde van deze nieuwe autonomie ervoer, was na een droom. Een angstdroom. Het heeft nog lang geduurd voordat ik aan de droom kon terugdenken zonder het angstige gevoel opnieuw te beleven. De droom eenvoudigweg navertellen zou niet genoeg zijn om de ervaring ervan invoelbaar te maken, want daarvoor gebeurde er te weinig. Beter zou het zijn om te zeggen dat de droom me in een soort vrije val bracht. En misschien werd ik ook meer van mijn stuk gebracht door mijn reactie op de droom dan door de droom zelf. Eigenlijk kan ik me niet herinneren dat ik ooit op enig ander moment angstzweet heb gevoeld – zweet tot op mijn kruin.

Eenmaal goed wakker ben ik nog een tijdlang versteend blijven liggen. Céline, de vriendin die ik aan mijn middelbareschooltijd had overgehouden, lag onaangedaan te slapen met haar kont tegen mijn heup. Ik durfde haar niet wakker te maken. De dagen erna bleef ik in een sombere stemming. En dat verbaasde me. Alsof me echt iets was overkomen. In gedachten probeerde ik mezelf tot rust te manen. Het ging om niets meer dan een droom, die kon feitelijk niets aan mijn leven hebben veranderd.

Luchtkasteel

Ik heb het nooit nagevraagd of uitgezocht, maar het zou me niet verbazen als zulke ingrijpende dromen het meest voorkomen aan het begin van je volwassenheid, vooral als je net op kamers bent. Ik bedoel niet de angstdroom zelf, maar de impact ervan. Een droom zou zoveel indruk kunnen maken omdat je dan toch al in een waanwereld leeft, een wereld waarin waarheid en fictie gemakkelijk in elkaar overgaan. Ze zeggen dat alleen peuters leven tussen een magische en een logische wereld, maar ik vraag me af of die ambivalentie ooit verdwijnt. En anders is het zeker zo dat we de waan aan het einde van de puberteit opnieuw beleven.

Deze wordt het meest zichtbaar in het uiterlijk van een studentenkamer. Studentenkamers zijn in één oogopslag te herkennen als studentenkamer, hoe wisselend ze ook zijn ingericht, hoe schoon of vies ze ook zijn. Een studentenkamer is het best te vergelijken met het uiterlijk van een jonge puber: niets is nog in verhouding, maar we zien de trekken van het volwassen gezicht er al overal doorheen. Het lijkt haast alsof, zodra de onvolwassenheid ons lijf heeft verlaten, die als een uilskuiken neerstrijkt in ons eerste grote bezit. Onzichtbaar voor onze onvolwassen ogen, totdat we jaren later op een foto de kamer terugzien.

De gedachte kan ik sturen, de droom wordt me gegeven

Al was het voor mij ook een ontluisterende terugblik toen ik lang na mijn afstuderen foto’s zag uit die tijd, ik weiger mijn waanwereld van net uitgevlogen puber te zien als een luchtkasteel. Het was misschien een wereld die van illusies aan elkaar was geknoopt, maar niet van alleen valse illusies. Het zijn de beloftes en de ambities die jonge mensen voortdrijven, die zo’n waanwereld overeind houden. En zolang deze nog vervuld en waargemaakt kunnen worden kun je ze niet vals noemen – dan zou het hele leven vals zijn. Ik heb me jarenlang heel voornaam gevoeld in wat eigenlijk een huiskamer was in de bovenwoning van een heel gemiddeld rijtjeshuis. Meer dan in een kamer woonde ik in een dagdroom. Maar die dagdroom kreeg op zeker moment dus concurrentie van een echte droom, die me op een onbewaakt moment van achteren aanviel.

De waan waarin ik leefde toen deze ene droom me overviel werd overigens niet alleen overeind gehouden door beloftes, ambities en dagdromen; ze werd ook nog eens zorgvuldig geconserveerd in de roes die ik voortdurend opzocht – ook niet ongewoon op die leeftijd. Ik dronk vrij veel, rookte, ging vaak tot diep in de nacht uit dansen en liet me met mijn gitaarbandje meeslepen in een bestaan waarvan wij dachten dat het bij rocksterren hoorde. Alles wat ik deed, deed ik overmatig. Die neiging heb ik overigens altijd wel gehad, ook toen ik op jongere leeftijd aan het sporten was, en ook toen ik me wat later met grote ernst stortte op de filosofie – de belangrijkste sociale verplichtingen liet ik schieten voor een college Heidegger, Kant of Gadamer. Eigenlijk kan ik alleen in de muziek maat houden, voor het overige ben ik vrij ongeremd. Verslavingsgevoelig, zou je kunnen zeggen. Toen ik op mijn veertiende op oudejaarsdag voor het afsteken van een paar rotjes mijn eerste sigaar proefde, wist ik al dat roken een dierbare zwakte zou worden. Ik kon nog een halfjaar weerstand bieden tegen de verleiding die de smaak, de geur en dat intrigerende oranje lichtpuntje van de sigaar bij me hadden losgemaakt, maar nadat ik in de zomervakantie voor het eerst over mijn longen had gerookt, wist ik dat er geen weg meer terug was.

‘Ah, jullie roken,’ had een oudere neef van Céline gezegd toen hij ons samen op de bank bij haar moeder met één sjekkie trof. ‘Een jeugdzonde, die heb ik achter de rug.’ Ik heb de neef nooit meer gezien, maar zijn opmerking voorzag voor lange tijd in een grote vrijheid: zolang ik jong was kon ik me aan ‘een jeugdzonde’ overgeven. En alsof woorden je kunnen programmeren, ben ik na mijn studie van de ene op de andere dag gestopt. Ik vond dat mijn jeugd nu toch echt voorbij was. En eerlijk gezegd speelde ook nog steeds die droom uit het begin van mijn studietijd mee. Sinds ik die had gehad had ik het sluimerende gevoel dat onheil me als een zwaard van Damocles boven het hoofd hing. Dus leek het me beter het lot dan ook maar niet te veel te tarten.

Maar hoe sterk woorden en voornemens ook kunnen zijn, ze zijn maar zelden opgewassen tegen de zwaktes van het lichaam. Na twee jaar begon ik weer met roken. Op een dag gooide ik gewoon weer een pakje Gauloises bij de boodschappen op de band voor de kassa. Ik miste de roes van de sigaret, de roes die je op klaarlichte dag op het spoor kan zetten van een duister inzicht. Ik miste de roes als een uit het oog verloren vriend die je anders naar de wereld kon laten kijken. Ik miste het perspectief van de roes.

De roes wordt in het algemeen als een gebrek gezien, een gebrek aan beheersing. Een bedwelming van de geest, die dronken gedachten voortbrengt. Door deze nuchtere veroordeling wordt de kracht van de roes nog maar nauwelijks opgemerkt. Als de roes in onze tijd nog waardering krijgt, dan alleen als een prettig, maar zinloos genieten, een vakantie van de geestelijke arbeid die het hoofd onophoudelijk te verduren heeft. Zoals de roes van de liefde, die milde vorm van ontoerekeningsvatbaarheid die ons – althans voor enige tijd – wordt vergeven.

Maar de roes is geen rustpunt, geen pauze of alleen maar genot. De roes, de halfmateriële overgang van lichaam naar geest, verdooft niet, maar brengt ongeziene betekenissen aan het licht. Zoals een witregel een tekst op een nieuw spoor brengt, van letter naar geest, zo kan de roes een lichamelijke gewaarwording tot een geestelijke waarheid brengen.

Niet elke sigaret, joint of whisky levert zo’n productieve roes op, dat weet ik ook wel. En niet elke roes heeft het in zich om het alledaagse uit zijn vanzelfsprekendheid te lichten. Maar de juiste roes kan onverwacht zicht geven op de aard van het banale. De gewone wereld wordt er niet compleet anders van. Je gaat geen rare dingen zien. Ik heb het niet over hallucinaties, trollen of pratende bomen. Zulke sciencefiction komt juist voort uit een gebrek aan inzicht. Het is ongeduldige fantasie die de gewone wereld niet nodig heeft voor haar verzinsels. De roes die ik bedoel, voegt aan de gangbare drie dimensies nog een dimensie toe, een dimensie die in geen rekenmodel kan worden gevat. Een dimensie die naast hoogte, breedte en diepte de vorm van onze wereld bepaalt. Het is die kant van het kijken die het zien toont, onze zintuiglijkheid, die zich normaal gesproken verborgen houdt achter ons zicht, gevoel, gehoor, onze smaak en reuk. Maar in de roes is het alsof je even je eigen gevoel kunt voelen, je smaak kunt proeven, je gehoor kunt horen, je reuk kunt ruiken. Je ervaart dat je deel uitmaakt van één groter geheel.

Slapende vrouw

In de lente van 1995 zag ik voor het eerst de beelden van Auguste Rodin. Ik was in Parijs met mijn vriendin Lotte en haar ouders op consult bij een Franse verzekeringsarts, vanwege ons auto-ongeluk op de Route Nationale bij Vierzon, twee jaar daarvoor. We maakten er meteen maar een uitje van, en zo kwam ik op een namiddag een halfuur voor sluitingstijd terecht in het Musée Rodin – alleen, want zij waren er een vakantie eerder al geweest en gingen liever nog even winkelen in Les Halles.

Had Rodin geleefd in de mythische tijd vóór ons rationele tijdperk dat bijna 2500 jaar geleden met Plato aanving, dan hadden we Rodin geen kunstenaar, maar een ziener genoemd. Wat ik soms met behulp van een sigaret of wat drank kon bereiken, bleek voor hem zijn natuurlijke blik. Maar Rodin had niet alleen een speciaal oog voor de vierde dimensie, hij had ook een hand waarmee hij deze dimensie kon uitbeelden.

Terwijl ik op weg was naar de uitgang, kwam ik voor de tweede keer langs het stenen beeld van een slapende vrouw. En nu pas zag ik hoe anders dit beeld was dan de veel bekendere bronzen denker. Dit beeld kon elk moment gaan bewegen. Dat een denker een lichaamshouding nodig heeft voor de juiste geestesgesteldheid is met Rodins beeldhouwwerk onweerlegbaar bewezen, maar zijn slapende vrouw van steen had een magische boodschap. Juist omdat de slaap van zichzelf onbewogen is en het steen roerloos, komt het beeld tot leven

Maar Rodin brengt niet alleen een steen tot leven door deze te paren aan onze slaap, hij toont tegelijkertijd met een slapende buitenkant onze slaap vanbinnen. Een objectief beeld van de subjectieve slaap. Hij kon dit niet omdat hij tovenaarsgaven had, maar omdat hij het geheim van de tijd kende: zelfs het kortste moment heeft een verleden en een toekomst. Dat is het geheim van de tijd. Daarom zijn Rodins beelden altijd op doorreis, zonder te vertrekken en zonder aan te komen. Rodin was natuurlijk een vakman, die materiaal- en mensenkennis moest hebben, fysisch, chemisch en anatomisch onderlegd, maar zonder het zien van het geheim van de tijd zou hij de vierde dimensie niet in beeld hebben kunnen vangen.

Hoewel kunstenaars als Rodin in onze tijd nog altijd in hoog aanzien staan, blijft de waardering van hun werk beperkt tot een maatschappelijke marge: de kunst. Een amusant bijverschijnsel van het menselijk bestaan. Maar de inzichten van deze zieners brengen ons dichter bij de waarheid dan welk wetenschappelijk onderzoek ook. Dat het zien tot groter inzicht leidt dan het redeneren brengt onze rationele geaardheid in verlegenheid, zeker als dit ook nog eens met een roes gepaard gaat. Maar één ding is onbetwijfelbaar: er leidt geen logisch pad naar de waarheid. De laatste vraag – het kan ook de eerste zijn – blijft immers altijd onbeantwoord: waarom is er iets en niet veeleer niets? Deze vraag stelt ook de stenen slaap van Rodin. Het bestaan gaat aan al onze gedachten, overwegingen en waarheidspretenties vooraf, als een vierde dimensie die de eerste drie mogelijk maakt. De bronzen denker zien we zijn gedachten maken, maar de slapende vrouw heeft maar weinig in te brengen; elk moment kan de steen een droom in haar loslaten. Het kind vertellen we voor het gemak dat dromen denken is in je slaap. Maar de gedachte lijkt misschien wel de grootste tegenhanger van de droom. De gedachte kan ik sturen, de droom wordt me gegeven.

Toen ik een jaar of elf was ontdekte ik een truc met dromen. Als ik heel erg moe naar bed ging en zeker wist dat ik vrijwel meteen in slaap zou vallen concentreerde ik me op de gedachte dat ik aan het voetballen was. Steevast schopte ik mezelf enkele seconden later wakker tegen de rand van mijn bed. Ik had dit per ongeluk ontdekt en vond de roes tussen slaap en droom zo prettig dat ik het toeval de volgende keren als truc inzette. Het bracht me ook op het idee de dromen van onze hond te beïnvloeden. Zijn mand stond vlak naast de eettafel. Soms, als hij tijdens ons avondeten even wegdommelde, fluisterde ik: ‘Pak ze!’, waarna hij binnensmonds begon te blaffen en hevig met zijn poten begon te trekken.

Ontrafelen

Helaas verloor ik enkele jaren later de macht over mijn eigen droom, en ik denk dat ik er daarom ook nooit tegen mijn studiegenoot Ferdinand over begonnen ben, toen hij opperde dat het mogelijk moest zijn je leven te veranderen door je dromen te veranderen. Ik denk niet dat dit kan. De droom valt ons toe, prettig of niet; ze ontsnapt aan onze controle. Wat betekent de droom dan voor ons leven? Waar zijn we eigenlijk als we dromen? Neurowetenschappers leggen proefpersonen te slapen in MRI-scanners om de droom op het spoor te komen. Of ze maken ze wakker in hun remslaap en vragen wat ze droomden. Bij Voltaire las ik het verhaal over de machtige koning Nebukadnezar die was vergeten wat hij had gedroomd en daarom zijn magiërs opdroeg het te raden. De hele school der magiërs zou het met de dood hebben moeten bekopen als niet Daniël, een van hen, erin was geslaagd ‘de droom van de koning te raden, en die uit te leggen’. Droomonderzoekers zijn een soort Nebukadnezars die je het liefst opensnijden om het geheim van de droom te ontrafelen.

Maar ook hier moeten we het hebben van een slimme magiër, die de droom niet alleen raadt, maar vooral ook uitlegt. Want dat is het antwoord op de vraag waar we dromen: onze dromen bestaan alleen als we wakker zijn – het schoot me te binnen toen ik Ferdinand in zijn onmogelijke dromentheorie te hulp wilde schieten. Het vertellen en zelfs herinneren van de droom is het belangrijkste onderdeel ervan. Onze dromen liggen, net als onze herinneringen, niet als stenen in ons brein opgeslagen. Want wat betekent een droom die ik me niet kan herinneren? Wat is een droom die er alleen is in mijn slaap?

Omdat onze tijd zo onder druk staat van het wetenschappelijke denken, kun je vandaag de dag als je zegt niets te hebben gedroomd als repliek te horen krijgen: je hebt wel gedroomd, maar je weet alleen niet wat. De slimme Daniël speelde in op het gemoed en het karakter van Nebukadnezar en vertelde een verhaal dat hij had kunnen dromen. Dit verhaal moet hebben gewerkt als projectiescherm voor de ongearticuleerde en vergeten droomflarden van de koning.

We hebben altijd weer de wereld nodig, die van onze subjectieve opwellingen coherente beelden maakt. Dat schrijft ook Voltaire: ‘Als zuiver en alleen de ziel, die rust heeft wanneer de zinnen slapen, de enige oorzaak en het enige subject is van alle ideeën die je in je slaap hebt, waarom zijn dan die ideeën allemaal zo warrig, zo onlogisch en zo onsamenhangend? Want kijk! Juist in de tijd dat de ziel het minst in verwarring wordt gebracht, is alles wat zij verzint verwarder.’ Zoals er zonder de ander geen zelf is, en zonder waken geen slaap, zo is er zonder het bewuste verhaal van de droom ook geen onbewuste droom.

Door ons verblijf in Parijs miste ik het college waarin we Wahrheit und ­Methode lazen van de filosoof Hans-Georg Gadamer. Ik was op dat moment bezeten van de filosofie en adoreerde Gadamer, die toen, op 96-jarige leeftijd, nog leefde – hij stierf zes jaar later. Om zijn filosofie te begrijpen besteedde de professor twee colleges aan de dialectiek van Hegel. Zonder Hegel is Gadamer niet te begrijpen, bleef hij herhalen. Het eerste college was verschrikkelijk moeilijk geweest. Het ging over hoe een ‘ervaring’ tot stand komt. Hoe kan het dat de wereld die zich buiten ons bevindt door ons vanbinnen wordt beleefd? Waarom blijven dingen geen onverschillige dingen voor ons, maar komen ze in onze blik tot leven? Hoe werkt dat? Waarom ervaren we de wereld niet als een televisie-uitzending, maar als iets wat écht gebeurt, leeft?

Onze dromen bestaan alleen als we wakker zijn

Ik vond het intrigerende vragen, maar ik zag nog niet hoe Hegel de kwestie oploste. Ik zag alleen maar het overbekende hegeliaanse schema voor me dat ik al in het eerste jaar had moet leren: these – antithese – synthese. Uit dat schema moest blijken hoe we eerst de wereld als ding tegenkomen, dit ‘ding’ vervolgens waarnemen, waarna het in de waarneming pas het ware ding wordt. Het klonk logisch, maar het schema ging niet leven, want ik begreep nog altijd niet waarom het zo zou werken.

Met het frustrerende gevoel het bijna te snappen vertrok ik naar Parijs. Op de donderdag van het tweede college Hegel bedacht ik op vrijwel elke Parijse straathoek dat op dat moment de crux van Gadamers filosofie in Amsterdam onderwezen werd.

Toen ik de volgende dag met een lichte hoofdpijn door de vergane glorie van een negentiende-eeuwse passage achter Lotte en haar ouders aan sukkelde, doemde er een flard van een droom op die ik die nacht had gehad. Ik herinner me dromen meestal eerst als een gevoel. Het was een aangenaam gevoel en ik probeerde het vast te houden. Ineens zag ik delen van de vreemde droom weer voor me. Op elkaar gestapeld zag ik beelden van de hotelkamer waar ik met Lotte sliep, de collegezaal in de Oudemanhuispoort en mijn aantekeningen op de stencils met passages uit Hegels ­Phänomenologie des Geistes. Plots viel me in dat ik in de droom had geweten hoe de dialectiek werkte. En of het nu kwam door mijn pogingen de droom te reconstrueren of doordat ik daadwerkelijk een verklarende droom had gehad, vanaf dat moment begreep ik Hegels ­dialectiek. Lotte kon ik het niet uitleggen, maar het was genoeg dat ik het begreep.

Geraakt zijn

Als ik me een droom herinner, twijfel ik geen moment aan de waarachtigheid van het verhaal. Maar zodra ik probeer de verhaallijn te volgen – of nog erger: zodra ik de droom aan een ander wil navertellen – schieten woorden tekort en begin ik op zeker moment ook te twijfelen aan de waarachtigheid van mijn herinnering.

De Parijse droom was van meet af aan te schimmig om onder woorden te brengen en daarom heb ik het nooit geprobeerd. Dat heeft zijn geloofwaardigheid lang onaangetast gelaten. Maar nu ik er wat langer over nadenk weet ik dat ik nooit met zekerheid zal kunnen weten of de droom mij de dialectiek leerde of dat ik die snapte door mijn reconstructie van de droom. Eerlijk gezegd vermoed ik steeds vaker dit laatste. Dan denk ik dat het niet veel had uitgemaakt wat ik nu precies droomde, maar dat ik me door elke droom op dat moment bewust zou zijn geworden van iets wat in Hegels filosofie van cruciaal belang is: je kunt jezelf nooit uitschakelen. Deze waarheid illustreert immers de droom zo pregnant. Want al hebben we geen controle over wat we dromen, we ervaren elke droom wel onmiskenbaar als ons eigen droom. Hoe gek mijn droom ook is, ik ben degene die hem droomt.

Dat vergat ik tijdens het college: de rol van de beschouwer. Ik kon maar niet bedenken dat onze ervaring en zelfs de meest harde feiten in de wereld niet voor het oprapen liggen, maar altijd deels in ons hoofd tot stand komen. Ik zag het schema steeds maar voor me, maar vergat dat ik zelf niet in het schema opgenomen kon worden. Al worden we eerst woordeloos geraakt door de wereld, zodra we kunnen zeggen ‘Dit is de wereld’, hebben we de wereld al naar onze hand gezet.

Het eerste wat ik deed, terug uit Parijs, was de passages over Hegel bij Gadamer lezen. Ik bleef hangen op deze zinnen: Lebendiges ist nicht von der Art, daß man von außen her je dazu gelangen könnte, es in seiner Lebendigkeit einzusehen. Die einzige Weise, Lebendigkeit zu erfassen, ist vielmehr die, daß man ihrer inne wird. Dat was het. Dat wat een ervaring tot leven brengt laat zich niet van buitenaf beschrijven. Zo moet de droom ook worden begrepen: niet als een verhaal dat als een televisieprogramma in je brein wordt uitgezonden, maar als iets wat we wakker beleven nadat we erdoor geraakt zijn. Je kunt de droom niet als ware het een voorwerp bestuderen, van buitenaf. De droom bestaat niet zonder onze voortdurende beleving. En die is telkens anders. Ik kan er niets aan doen dat nu ik over mijn droom ben gaan schrijven, deze nooit meer dezelfde droom zal zijn.

Door ons dominante wetenschappelijke wereldbeeld zijn we geneigd om de menselijke ervaring over één kam te scheren met de wetenschappelijke ervaring. Maar daartussen bestaat volgens Gadamer een belangrijk verschil. De wetenschappelijke ervaring is herhaalbaar en is daarmee altijd bevestigend; die stelt vast dat het is zoals het is. Maar de wereld die we dagelijks ervaren is geen som van dit soort herhaalbare ervaringen. De wereld ervaren en begrijpen we niet als in de wetenschap vanaf een ahistorisch objectief punt, maar vanuit de wereld waarin we terecht zijn gekomen en met het verleden dat we achter ons aan slepen. Net zoals er in een verhaal geen beginpunt is waaraan je je interpretatie kunt ophangen, zo heeft het leven ook geen werkelijk nulpunt. We belanden immers altijd in een al bestaande wereld, inclusief de daartoe behorende geschiedenis. En in hetzelfde tempo waarmee ieders persoonlijke geschiedenis langzaam uitbreidt, verandert ook onze blik op de wereld.

Bij de snackbar verderop in de straat haalde ik nieuwe sigaretten en twee blikjes bier. Ik legde Wahrheit und Methode opengeslagen op mijn schoot en staarde naar die ene passage: Die einzige Weise, Lebendigkeit zu erfassen, ist vielmehr die, daß man ihrer inne wird. Zo zal ik ooit nog eens volwassen worden, bedacht ik. Niet door het gedrag van mijn ouders of andere voorbeelden na te bootsen, maar door in het ongewisse leven te duiken en geraakt te worden. En we leren niet van onze fouten, maar van de onbezonnenheid die aan de fouten voorafgaat.

Nu ik zelf kinderen heb, vraag ik me steeds vaker af hoe bezorgd mijn ouders soms moeten zijn geweest toen ik puber was. Kijk ik terug op mijn ongeremdheid gepaard aan de grote naïviteit van toen, dan schrik ik van veel onverantwoord, beschamend, stompzinnig en soms gevaarlijk gedrag.

Stille straat

Het moet op een van die avonden aan het begin van mijn studie zijn gebeurd. Zo’n avond die normaal begon – gewoon wat vrienden over de vloer –, maar ten slotte een eigen dynamiek kreeg. De dynamiek ging net als anders lange tijd gelijk op met de steeds diepere roes waarin ik terechtkwam, totdat er om wiet werd geroepen. Als gastheer vond ik dat ik dat moest regelen. Ik weet niet wie me erop bracht, maar opeens had ik iemand gebeld die wiet kon komen brengen – niet echt een dealer, maar een soort wietkoerier, die ook bier verkocht.

Toen het witte busje een uur later aan de overkant van de straat met een ­stationaire motor bleef staan was ­iedereen al naar huis. Ik liep de trap af en stak de stille straat over, verbaasd dat ik de motor van het busje met de trillende uitlaat helemaal niet hoorde. Er stapte niemand uit de bus, en opeens werd ik bang. Ik aarzelde even en draaide toen om. Gespeeld ontspannen liep ik terug; toen begon ik te rennen. Ik sloeg de deur net te hard achter me dicht, waardoor die niet in het slot leek te klikken. Toen ik bijna boven was hoorde ik duidelijk voetstappen halverwege de trap. Er sleepte ook iets zwaars achteraan en er ratelde een stuk metaal langs de houten lambrisering.

Mijn lichaam voelde zwaar van de drank. Hoe kon ik zo stom zijn geweest? Verstijfd van angst liet ik me voorover op mijn bed vallen. Ik weet niet hoelang ik zo gelegen heb, maar toen ik eindelijk mijn ogen durfde open te doen, voelde ik het warme lichaam van Céline tegen me aan en hoorde haar adem. Zo ging dus die droom. Een fantasieloze thriller die me van mijn sokkel duwde en me in een jarenlange vrije val bracht, totdat ik volwassen werd.

Deze longread is een bewerkte versie van een tekst uit het boek Zo begint iedere ziener door Coen Simon.