Home Nu daagt er misschien iets van ’t geluk in u

Nu daagt er misschien iets van ’t geluk in u

Door Simone Bassie en Michel Dijkstra, Simone Bassie en Michel Dijkstra op 30 november 2012

10-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Tijdens een grote crisis stortte Herman Gorster zich op het werk van Spinoza om de rust en kalmte terug te vinden. ‘Het oneindige uitgebreide en denkende bestaande, is God.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

En nu deze waarheid dus hier zoo staat,
dat God is eindloos geest en lichaam, nu
daagt er misschien iets van ’t geluk in u,
dat gloeide op het zacht denkend gelaat
van allen die zoo begrepen Gods staat.
Waardoor hun stem zooals een wind zoo luw
zeide dat elk ding schoon is, geen schaduw
ergens; dat schoonheid eeuwig vreugde had.

 
Dit gedicht van Herman Gorter komt uit zijn reeks Spinozistische Gedichten, die hij schreef tijdens een zware periode uit zijn leven. Na de euforie van zijn eerste bundels, waaronder de overbekende Mei, leek het alsof het geluk en de poëtische inspiratie hem hadden verlaten. Door het lezen van Spinoza probeerde hij wanhopig rust en kalmte terug te vinden. Eerst lukte dit niet, maar later meldde Gorter aan zijn vriend de componist Alphons Diepenbrock dat hij op het goede spoor kwam. Hij slaagde erin zijn gedachten kort ‘te onttrekken aan de afzonderlijke dingen’ en te vestigen op het eeuwige: ‘Velen zouden als ze mij dit hoorden zeggen, denken dat het een nieuwe imaginatie was waaraan ik mij overgeef, maar de aard zelf van wat ik meen te zien, is zuiver reëel, zoodat ik niet vrees.’

Gorters crisis en interesse voor Spinoza stonden niet op zichzelf. Aan het begin van zijn carrière maakte hij deel uit van de Tachtigers, een groep jonge literatoren en kunstenaars die streden voor een autonome kunst, zonder inmenging van filosofie, moraal en politiek. Hun belangrijkste waarden waren vrijheid, waarheid en zelfstandigheid. Door het ontwikkelen van een nieuwe dichterlijke taal probeerden ze hun waarheidsideaal de verwezenlijken: een poëzie die, in de beroemde woorden van Willem Kloos, ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ was. Helaas leidde deze puur subjectivistische kunst al snel tot een geestelijk isolement. Om uit hun eenzaamheid te breken, namen de Tachtigers hun toevlucht tot de filosofie.
Vooral Spinoza sprak de Tachtigers aan, omdat hij hun passieve levenshouding niet veroordeeld zou hebben. De filosoof stelde dat iemand die slechts zijn verbeeldingskracht volgt, net zo goed de natuurwetten gehoorzaamt als iemand die de rede gebruikt bij het zoeken naar de waarheid.

Failliet

Ook Gorter (1864 – 1927) vond in Spinoza’s filosofie een aantal aantrekkelijke ideeën. Na het failliet van zijn eerdere, puur subjectivistische publicaties ging hij op zoek naar de ene, objectieve Waarheid. Deze Waarheid wilde hij tot fundament van zijn leven én poëtische werk maken. De dichter hoopte zijn innerlijke chaos te bezweren door zijn onrustige gevoelens aan de banden van de ratio te leggen. Spinoza kwam aan Gorters verlangen naar waarheid en zelftuchtiging ruimschoots tegemoet. Deze zeventiende-eeuwse filosoof ontwierp in zijn Ethica een systeem, gebaseerd op één hoogste principe dat hij God of de natuur – Deus sive natura – noemt.

In zijn Ethica definieert de filosoof God als ‘het volstrekt oneindige wezen, dat wil zeggen een substantie uit een oneindig aantal attributen bestaande, waarvan ieder voor zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt.’ Spinoza kwam tot deze definitie op grond van een wiskundig-mathematische methode. De hele Ethica is geschreven als een meetkundig leerboek met axioma’s en definities, waaruit stellingen worden afgeleid. God is binnen dit systeem de ene, allesomvattende substantie, dat wil zeggen dat alles in hem bestaat en er niets buiten hem kan bestaan. Hij heeft een oneindig aantal attributen of eigenschappen waarvan de mens er slechts twee kan kennen, namelijk denken en uitgebreidheid. Omdat God uit de noodzakelijkheid van zijn natuur handelt, is hij de oorzaak van alles wat er in het universum gebeurt. Vanwege deze ideeën wordt Spinoza ook wel een pantheïst genoemd. God is immers alles, overal en de enige die vanuit zijn eigen natuur handelt.

Gorter was diep onder de indruk van de stelligheid waarmee Spinoza zijn godsbeeld ontvouwde. In de spinozistische God meende hij de zekerheid en waarheid te vinden waar hij naar op zoek was. Bovendien kon hij in deze God geloven zonder in katholiek, protestants of ander christelijk dogmatisme te vervallen. Spinoza’s pantheïsme vormde de oplossing van een probleem waarmee hij al sinds Mei worstelde: de tegenstelling tussen lichaam en geest, innerlijk en uiterlijk, zinnelijkheid en intellectualiteit. Aan de hand van zijn nieuwe filosofische mentor kon Gorter dit dualisme loslaten. Lichaam en geest waren voor hem niet langer tegengestelden, maar slechts twee zijden van de ene, allesomvattende substantie. Deze pas verworven kennis verwerkte hij weer in zijn ongeveer vijftig Spinozistische Gedichten, die hij tussen 1892 en 1896 schreef.
In deze gedichtenreeks zingt Gorter de lof van God. Hij gebruikt hiervoor expliciet Spinoza’s jargon:
 
Het oneindige uitgebreide en denkende bestaande,
is God. Dit zeg ik hem aanbiddend en liefhebbend,
alles verwerpend wat door mij geëerd wordt.

 
Angst en genot
Naast ‘de waarheid’ vond Gorter in Spinoza’s werk een aansprekende ethiek. Vanaf zijn vroegste jeugd voelde de dichter zich de speelbal van zijn voortdurend wisselende emoties. Van Spinoza leerde hij dat alle geschapen wezens onbewust gedreven worden door de emoties angst en genot. Deze drijfveren horen bij hun conatus, oftewel drang tot zelfbehoud. Zolang de mens zich alleen door zijn emoties laat leiden, is hij echter onvrij. Vrijheid begint volgens Spinoza bij het rationele inzicht dat deze emoties nu eenmaal bij het menszijn horen. Voor Gorter bood deze overtuiging de sleutel om zich te bevrijden uit de ketens van zijn emoties. In de Spinozistische Gedichten schrijft hij lyrisch over het belang van de rede:
 
Zijn (Gods) liefde
is het onze rede alleen, die evenaart,
die evenals God geen smart kent.

 
Met Spinoza streefde Gorter naar inzicht in de Natuur. Hij hoopte dat hem de zogenaamde intuïtieve kennis ten deel viel. Volgens Spinoza kan de mens door deze kennis de wereld onder het aspect van de eeuwigheid – sub species aeternitatis – bekijken. Dat betekent dat hij inzicht verwerft in het feit dat hij noodzakelijkerwijze een onderdeel van God uitmaakt. Op die manier kan hij de intellectuele liefde tot God bereiken: een rationele mystieke ervaring die gepaard gaat met de grootst mogelijke zaligheid. Uit de brief aan Alphons Diepenbrock blijkt dat Gorter druk oefende in dit kijken onder het aspect van de eeuwigheid.
 
Gorters tijdgenoten waren echter niet bepaald gecharmeerd van zijn spinozistische poëzie. Met name zijn collega-dichter Albert Verwey stoorde zich aan het gemak waarmee hij het woord ‘God’ in de mond nam. Ook Gorters vertaling van de Ethica uit 1895 werd niet onverdeeld positief ontvangen. Intussen begon de dichter zelf weer te twijfelen. Het intensief bestuderen van Spinoza leverde hem wel de verlangde innerlijke rust op, maar haalde hem niet uit zijn poëtische impasse. Daarom verruilde hij in 1896 de spinozistische leer voor een nieuwe, meer op de maatschappij betrokken ideologie: het marxisme.