Home Opvoeding Mensen maken: een nieuw licht op opvoeden
Opvoeding

Mensen maken: een nieuw licht op opvoeden

22 maart 2017

‘Laat het kind vooral kind zijn, en bescherm het zo veel mogelijk tegen de grotemensenwereld’, schreef opvoedfilosoof Rousseau. Probeer dat maar eens in onze tijd, zegt filosoof Daan Roovers.

Op de ochtend dat ik wakker word met het nieuws dat Donald Trump de nieuwe president van de Verenigde Staten wordt, kan mijn jongste zoon Daniël niet meer op zijn been staan. De dag ervoor is hij, terwijl hij achterop de fiets zat, met zijn voet tussen de spaken gekomen. Als in het ziekenhuis alles blijkt mee te vallen, kan hij snel met een eenvoudig verband en een stevige zwachtel weer naar huis. Maar die woensdagochtend lijkt het erger dan de dag ervoor. Dus: school afbellen en naar de huisarts. Ook hij vertrouwt het niet en belt naar de afdeling chirurgie. ‘Komt u maar meteen, mevrouw. We nemen het zekere voor het onzekere.’

In plaats van een dag in het teken van sombere politieke visioenen wordt het een dag vol kleine problemen en bescheiden hindernissen. Het beeld van ressentiment en onzekerheid waarmee ik wakker word, trekt langzaam op en maakt noodgedwongen plaats voor een praktische houding: Hoe kom ik met die jongen in het ziekenhuis? Hoe komen we de wachttijd door? Hebben we nog steriele gaasjes in huis? Hoe kom ik aan krukken? De dag die ik anders zonder twijfel vrijwel voor een groot deel besteed zou hebben aan de kwestie-Trump, leg ik me volledig toe op praktische zorgen en concentreer ik me op een houding van geruststelling: Stil maar jongen: de dokter doet je geen pijn. De opvoeding beperkt zich voor heel even tot praktische zorgen. Ik beschouw het die dag als een zegen.

En dat terwijl mijn kinderen van zeven en negen de Amerikaanse verkiezingen op de voet hadden gevolgd. Ze kijken elke dag naar het Jeugdjournaal. Het wereldnieuws is ook hun nieuws. Weliswaar verpakt in de pedagogische aanpak van de publieke omroep, maar weinig van de ontwikkelingen in de wereld wordt hen onthouden: de aanslag in Nice, de situatie in Aleppo, de Amerikaanse presidentsverkiezingen – het interesseert ze. En ze hebben er zo hun eigen vragen over, waarop ik niet altijd direct een antwoord heb: ‘Waarom kiezen mensen voor een man die zo onaardig over anderen praat?’

Soms gaat het over nieuws dat ik zelf nauwelijks aan kan. ‘Mama, in Duitsland is een jongen van twaalf opgepakt die van plan was een aanslag te plegen op een Kerstmarkt!’ Echt? Een jongen van twaalf? Zo oud zijn sommige klasgenoten van mijn oudste in de bovenbouw. Of over kinderen die tijdens een overtocht naar Europa op een gammel bootje zijn verdronken in de Middellandse Zee. Of over een uitspraak van Wilders over minder Marokkanen. Bij al die gebeurtenissen stel ik mij de vraag: wat betekent dat voor onze kinderen en voor hun wereldbeeld? Moeten we ze wel met dit nieuws lastigvallen?

Ik wil mijn kinderen opvoeden tot geïnteresseerde en verantwoordelijke burgers, maar ik wil ze ook beschermen tegen nieuws dat hun misschien nog wat naïeve, maar optimistische wereldbeeld definitief krassen toebrengt. Deze paradox begeleidt mij voortdurend in de opvoeding. Uit onderzoek blijkt dat één op de acht kinderen wel eens wakker ligt van het Jeugdjournaal. Eén op de acht!
Hoewel ik blij ben dat de interesse van mijn kinderen verder reikt dan hun eigen school of stad, vraag ik me tegelijkertijd af wat kinderen van een jaar of negen moeten met die tamelijk verstrekkende kennis over de wereld…

In zijn essay Onbehagen (2016) heeft Bas Heijne onlangs het onbehagen van de 21e eeuw fraai verwoord. Het komt voort uit de gedachte dat de wereld te groot en te complex is, en uit het gevoel dat we nauwelijks meer greep hebben op de gebeurtenissen. En vandaar, aldus Heijne, het succes van een populist als Trump: zijn antwoord is de wereld weer simpel en overzichtelijk maken en de burger de illusie van zelfbeschikking teruggeven. Als zelfs volwassenen al amper gewapend zijn tegen de machteloosheid die het leven in een geglobaliseerde wereld met zich meebrengt, dan vraag ik me af hoe we onze kinderen kunnen vrijwaren van een gevoel van onverschilligheid of apathie. Of om het positief te formuleren: hoe leidt die kennis over de wereld tot betrokkenheid en verantwoordelijkheid voor die wereld – in plaats van tot onverschilligheid?

Een denker die pedagogiek en politieke filosofie in zich verenigt en hierbij een goede leidraad zou kunnen zijn, is Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Met zijn Emile (1762) schreef hij een van de invloedrijkste boeken over opvoeding. Het is een briljant geschreven en provocerende vertelling over een kleine jongen, Emile, die alleen met zijn opvoeder (niet zijn vader) opgroeit in het bos.  Tegelijkertijd was Rousseau vooral een politiek denker, die zich bekommerde over de toestand van de democratie en over sociale ongelijkheid. Hij ageert tegen de elite – tegen de ‘electieve aristocratie’, zoals hij de vorm van democratie ook wel noemt waarin steeds maar weer eenzelfde klein groepje mensen wordt verkozen – hij zou zijn kritiek in 2017 vrijwel ongewijzigd kunnen herhalen. Door zijn scherpe afwijzing van de politieke situatie kan Rousseau in zijn pedagogische visie niet anders dan zijn pupil in een ideale situatie zo ver mogelijk buiten de samenleving laten opgroeien. Emile moet zo lang mogelijk in het bos blijven wonen, liefst tot zijn achttiende jaar. Want contact met anderen en met de wereld, dat zou die van nature zo goede jongen alleen maar bederven. Emile gaat om die reden niet eens naar school; hij groeit op in grote vrijheid. Hij mag zijn eigen pad, en zijn eigen tempo kiezen. Uiteindelijk leert de jongen het meest uit zijn ervaringen met de natuur, soms van zijn opvoeder. Het kind gaat voor; de opvoeder volgt.

Rousseau benadrukt dat dat veel weten over dingen waar je zélf nauwelijks ervaring mee hebt, gemakkelijk leidt tot vervreemding, onverschilligheid of zelfs cynisme. Laat kinderen zelf de wereld ontdekken, stap voor stap, in plaats van ze uit boeken en uit atlassen te onderwijzen hoe deze in elkaar zit, stelt Rousseau. Maar onze kinderen groeien niet op in het bos. Ze gaan allemaal naar school en vanaf het moment dat ze toegang hebben tot tv en internet, en dat is al heel jong, breidt hun horizon, en dus ook hun ‘abstracte’ kennis, zich razendsnel uit.

Het gaat zo geleidelijk dat het bijna ongemerkt gaat. Van een houding die vrijwel volledig gericht is op de omgeving, strekt de blik van de opvoeder zich langzaam maar zeker steeds iets verder uit. Van de zorg dat ze geen knikkers in hun mond steken, via de moraal van het schoolplein, naar de meningen die ze vormen over de onderwerpen van het Jeugdjournaal. Van pleisters plakken naar een discussie voeren over Trump is geen principieel maar een gradueel verschil.

Kinderen ontwikkelen zich sneller dan hun ouders, dus het valt niet mee om het tempo van die wijkende horizon bij te benen. Maar als de wereld van onze kinderen groter wordt, kan die van zijn opvoeders niet achter blijven.

Wat we van Rousseau leren is dat vrijheid aandacht en begeleiding vergt. Zoals de opvoeder van Emile steeds een paar stappen achter zijn pupil loopt – niet om het kind de weg te wijzen, maar om hem te volgen en, toegegeven, hem wel een béétje te sturen – zo kan de moderne ouder ook niet rustig achterover zitten als kinderen zelf de afstandsbediening kunnen hanteren of de computer kunnen opstarten. Juist dan is het zaak om in de buurt te blijven. Om hun ontwikkeling te volgen en om alle vragen die onderweg opkomen met ze te kunnen bespreken. Ook de vragen waar je geen antwoord op hebt. Misschien wel juist die.

Dit is een bewerkt hoofdstuk uit het nieuwe boek van Daan Roovers, Mensen maken. Nieuw licht op opvoeden

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.