Home Levenskunst Levenskunst: Tussen hemel en aarde
Levenskunst

Levenskunst: Tussen hemel en aarde

Door Wilhelm Schmid op 26 maart 2013

10-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

De behoefte aan een wereld die deze overstijgt is menselijk al te menselijk. Of die ‘bovenwereld’ ook werkelijk bestaat doet er eigenlijk niet echt toe.

Bij aanraking denken we onmiddellijk aan lichamelijke aanraking, maar er bestaat ook zoiets als ‘geestelijke aanraking’, die irreëel, ideëel, louter verbeeld en potentieel is: het aangeraakt zijn door een idee, een gedachte, een droombeeld, een voorgevoel, een fantastische voorstelling. We kunnen niet alleen door het werkelijke, maar ook door het onwerkelijke worden aangeraakt, bijvoorbeeld door een verzonnen verhaal of een filosofische beschouwing, die beide alleen uit woorden en niet uit directe werkelijkheid bestaan. Het is moeilijk te zeggen waarin ‘het geestelijke’ bestaat. Tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat er een leven van de geest is, dat niet door de dood schijnt te worden beroerd, een fluïdum dat zich eindeloos uitstrekt in ruimte, tijd en mogelijkheden, waaraan individuen deelhebben en ‘geestelijke weidsheid’ kunnen ervaren. Je kunt het verschijnsel van de geestelijke aanraking bestuderen aan de hand van het gesprek, deze uitwisseling van gedachten, maar ook aan de hand van het zwijgen als een stille vorm van ideële aanraking. Ook lezen is geestelijke aanraking, voor velen nog altijd verbonden met de zintuiglijke aanraking wanneer men een boek ter hand neemt en bladzijden omslaat.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar de wijdste boog waarvoor je de aanraking kunt spannen is in letterlijke zin abstract: losgemaakt, ogenschijnlijk totaal losgemaakt van het gewone, dagelijkse aardse bestaan. Centraal daarbij staat datgene wat ver uitgaat boven de eindige grenzen van deze wereld; het overstijgen van de beperkingen die aan het gewone menselijke bestaan zijn gesteld. Daarop doelt het begrip ‘transcendentie’, van het Latijnse trancendere oftewel ‘overschrijden’, dat in beginsel ook het overschrijden van een gewone drempel kan betekenen, maar is komen te staan voor de essentie van het overschrijden in absolute zin. Transcendentie in deze zin verwijst naar de wereld aan gene zijde. Op dit punt scheiden zich de geesten: sommigen willen er niets van weten, anderen geloven er vurig in. Toch verdient dit idee het, dat het eens nuchter en afstandelijk onder de loep wordt genomen, met alle hartstocht die zowel de afwijzing als de erkenning van dit verschijnsel kunnen oproepen. Wat gebeurt er als ‘de hemel de aarde aanraakt’?

Seculiere religiositeit

Religo betekent ‘ik bind mij’. Religie is gebondenheid aan iets, de betrekking met iets wezenlijks, wat dat ook moge zijn. Moderne maatschappijen verkeren evenwel midden in een grootscheeps maatschappelijk experiment. De moderne tijd kent, vanaf haar oorsprong eind achttiende begin negentiende eeuw, een algehele ontwikkeling naar de bevrijding van iedere binding en dus ook van de gebondenheid met religie. Dat is het proces van de secularisering, van de ‘verwereldlijking’, van het afzien van elke betrekking met ‘het transcendente’. Een gestaag groeiende groep mensen, tenminste in de westerse wereld, want mondiaal gezien een minderheid, poogt sindsdien een leven zonder religie te leiden. Het is onzeker of deze poging zal slagen, het is zelfs al onzeker hoelang het grootscheepse experiment zal aanhouden. Maar gesteld dat zo’n leven op den duur onleefbaar zou blijken en het experiment binnen historisch afzienbare tijd mislukt – wat dan? Als de traditionele religie ondanks alles voor velen niet meer toegankelijk is of een terugkeer ernaar onwenselijk is, komt de vraag op of de transcendentie ook anders, te weten wereldlijk kan worden opgevat en of het mogelijk is een soort seculiere religiositeit tot stand te brengen. Dit zou dan als fundament moeten dienen van een overeenkomstige gebondenheid op wereldlijke wijze en samengesteld uit vrije bestanddelen.

Toegegeven, alleen al het begrip lijkt een innerlijke tegenspraak te bevatten, aangezien religiositeit duidelijk niet anders opgevat kan worden als gebonden aan een religie. Maar wat is het wezenlijke aan een religie? Het geloof, het dogma? Zo luidt de gebruikelijke opvatting. Laten we in plaats daarvan een andere, minder gebruikelijke uitproberen, in de hoop het fundamentele punt te vinden, van waaruit transcendentie beter te begrijpen is: bij een religie gaat het om een vorm van levenskunst die zich baseert op de betrekking tot het transcendente. Het individu komt tot het inzicht dat het leven vraagt om een funderende en tegelijkertijd overkoepelende horizon die, als hij zijn leven met de wijdst mogelijke boog wil omspannen, een immer wijkende horizon zal blijken te zijn. Een overkoepeling die visueel meestal als een halve of kwart cirkel wordt voorgesteld en slechts een vermoeden opwekt van de hele cirkel, in het middelpunt waarvan het individu zelf staat.
 

Sixtijnse kapel

Mensen stellen zich de dimensie van de transcendentie in elk geval graag voor als een gewelf dat hun bestaan overkoepelt, misschien omdat zij de hemel boven hen altijd als een gewelf hebben waargenomen. Blijkbaar hebben zij deze horizon nodig, zodat hun denken en voelen niet afketst tegen de muur der eindigheid, maar zich kan openstellen voor de oneindigheid en in die zin ‘transcendent’ kan zijn. Michelangelo heeft dit imaginaire gewelf op de meest aanschouwelijke wijze vorm gegeven in de Sixtijnse kapel en alle beelden geschilderd bij het verhaal dat de ontastbare, abstracte transcendentie concreet moet maken. In het midden van deze beelden bevindt zich het geschilderde verhaal van de aanraking van Adam door God: van de ene vingertop naar de andere lijkt de vonk over te springen die Adam levend maakt – of is het Adam die door zijn aanraking God tot leven wekt? Een ketterse gedachte, maar wellicht zijn de beide kanten van een aanraking inderdaad niet van elkaar te scheiden.

We moeten deze behoefte om het transcendente aan te raken en door haar aangeraakt te worden, onderkennen en haar betekenis voor het leven duiden. Wie zo’n betekenis onderkent, kan vervolgens werken aan de vervaardiging van een overkoepelende horizon. Voor wie het is geoorloofd er dusdanig nuchter over te spreken, gaat het daarbij om niets anders dan de voorstelling en bewust ideële vervaardiging van religie. En het is irrelevant of zich aan gene zijde van de aardse, begrensde wereld ‘echt’ een onbegrensde, oneindige wereld bevindt. De waarheidsvraag brengt ons hier niet verder: er is noch na te gaan dat er transcendentie ‘is’ noch dat het er ‘niet is’. Hoewel de waarheidsvraag niet onbelangrijk is, is zij ook niet allesbeslissend: het leven kan niet worden opgeschort tot definitieve verheldering is bereikt, zo die al mogelijk is. Centraal staat veeleer een levenswaarheid die uitsluitend aan existentiële argumenten te demonstreren is, dat wil zeggen: aan in het praktische leven beproefde leefbaarheid. De leefbaarheid rechtvaardigt de ethisch-esthetische daad om ons de wereld zodanig voor te stellen dat zij ons mooi en positief voorkomt, en er een zodanige plek voor ons in te richten dat er in haar te leven valt. Met zo’n bevestigende instelling kunnen wij gemakkelijker omgaan met afzonderlijke ervaringen die minder positief zijn. Ten slotte wordt, als de mogelijkheid van een geestelijke aanraking beschikbaar komt, de aanraking in haar veelomvattende betekenis ten volle benut: lichamelijk, psychisch en geestelijk. Ter wille van een volledig mens-zijn.
 
Wilhelm Schmid is filosoof. Hij woont in Berlijn. In Nederland is van hem verschenen Filosofie van de levenskunst. Inleiding in het mooie leven, uitg. Ambo/Anthos, Amsterdam 2001. Homepage: www.lebenskunstphilosophie.de
 
Vertaald uit het Duits door Ruud van de Plassche