Home Niet-westerse filosofie Karma, koffie en taart kunnen best naast elkaar bestaan
Niet-westerse filosofie

Karma, koffie en taart kunnen best naast elkaar bestaan

Door Julian Baggini op 26 juni 2019

Karma, koffie en taart kunnen best naast elkaar bestaan
07-2019 Filosofie magazine Lees het magazine


Worstelen mensen in India of China met dezelfde filosofische en ethische vragen als wij? De Britse filosoof-journalist Julian Baggini onderzoekt dat ter plekke in Hoe de wereld denkt. Hieronder het hoofdstuk over karma.

Bodhgaya ligt in Bihar, een van de armste regio’s van India. Ik was nog nooit op het subcontinent geweest en verwachtte een land te zien dat de oude clichébeelden van ellende en viezigheid allang achter zich had gelaten. Maar wat ik zag voldeed daar helaas nog steeds volledig aan.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Tijdens de taxirit vanaf het vliegveld in Patna zag ik hoe verarmd de regio was. Omdat de wegen zo slecht waren dat de honderdvijftien kilometer lange reis drieënhalf uur duurde, had ik tijd genoeg om het allemaal tot me door te laten dringen. Volgens de statistieken maakt de middenklasse in India een groei door, maar daar zag ik na het verlaten van het vliegveld helemaal niets van. De woningen varieerden van armoedige bakstenen huizen tot kleine betonnen schuren en provisorische kampen met een soort barakken. De mooiere winkels waren kleine betonnen hokken, maar de meeste winkeliers dreven handel in hutten of langs de kant van de weg. Brood­magere kippen zaten in het gunstigste geval niet al te dicht op elkaar gepakt in kooien. Vissen lagen zonder ijs of koeling uitgestald op de grond. We zagen mensen die water haalden en zich wasten bij handpompen, en velen leken op zoek te zijn naar voedsel. Een terugkerend beeld waren platte koeienvlaaien die in de zon lagen te drogen om als brandstof te kunnen worden gebruikt. Er waren plassen stilstaand water en overal lag vuilnis, vooral op de plattelandswegen. Ik ben in Oost-Afrika op plekken geweest die minstens even arm waren, maar nooit zo smerig.

Elk romantisch idee dat de ‘spirituele’ Indiërs zo’n eenvoudige manier van leven hebben, wordt tegengesproken door de eindeloze hoeveelheid posters en reclameborden voor scholen, waarbij het accent vaak ligt op wiskunde en opleidingen voor een baan bij een bank of in het onderwijs. Het streven naar een in materieel opzicht betere toekomst voor de volgende generatie is wijdverbreid.

Ik kwam al snel tot de ontdekking dat het belangrijkste auto-onderdeel de claxon is. Die wordt namelijk gebruikt om andere chauffeurs te waarschuwen dat je eraan komt, of ze dat nu leuk vinden of niet, en dat ze maar beter aan de kant kunnen gaan. Het is onbeleefder om níét voortdurend te toeteren dan om dat wel te doen: Indiase vrachtwagens hebben bijna allemaal een bordje met ‘toeteren a.u.b.’ achterop. De taxirit verliep volgens de logica van een autorace, het enige wat telde was doorrijden.

Maar eng was het vreemd genoeg niet, want de gaten in de weg maakten het onmogelijk om al te hard te rijden en het was duidelijk dat iedereen de regels kende. De mensen die het meeste gevaar liepen, waren de fietsers en de motorrijders.

Verlossing

Natuurlijk zijn er meer van God verlaten plekken, maar is er ook een die door zo veel goden is verlaten? In de Veda’s worden drieëndertig goden genoemd maar onder de Indiase bevolking leeft het geloof dat het er eigenlijk 330 miljoen zijn. Als die allemaal echt bestonden, zou je verwachten dat ze meer goddelijke bijstand zouden verlenen aan een land waar ze door een miljard mensen worden aanbeden. Van de andere kant is het geloof in goden hier niet meer dan logisch. Als het leven hard is, is het niet vreemd dat veel mensen uitkijken naar de verlossing in een volgend leven.

Ik kom later nog terug op die verlossing, maar eerst moeten we het basismechanisme begrijpen dat verlossing zowel noodzakelijk als mogelijk maakt: karma. Het is een van de eerste filosofische denkbeelden uit de menselijke geschiedenis en is nog altijd van grote invloed. Het principe van karma bestond in de brahmaanse traditie al in de vijfde eeuw voor Christus. De oorspronkelijke strekking ervan had te maken met het goed uitvoeren van rituelen zodat ze ook effect hadden. Karma had geen morele betekenis. Maar het ontwikkelde zich al snel tot het idee dat elke handeling niet zómaar gevolgen heeft, maar moréle gevolgen.

Dat betekent volgens een of andere kosmische wet dat het menselijk doen en laten in de loop der tijd wordt vergolden: goed met goed, kwaad met kwaad. Karma heeft zich op diverse manieren ontwikkeld en is ook nu nog van belang in de wereld van de hindoes, de sikhs, de jaïnisten en de boeddhisten. ‘Hoewel karma door verschillende denkrichtingen anders wordt geïnterpreteerd, vormt het toch een fundamenteel onderdeel van de algehele Indiase wereldbeschouwing’, zegt kenner Sue Hamilton.

De jaïnisten bijvoorbeeld, geloven dat elke jiva (bewust wezen) alwetend en puur is, maar wordt bedorven door verzameld karma. Wie zich daarvan weet te ontdoen, kan terugkeren naar de pure toestand van kevala (onbegrensde en absolute kennis).

Het boeddhisme importeerde het idee van karma vrijwel volledig, maar gaf er een eigen draai aan, wat blijkt aan het begin van de Dhammapada, een van de eerste en meest gelezen verzamelingen van de lessen van de Boeddha: ‘(De mentale) eigenschappen zijn het gevolg van wat we hebben gedacht, worden geleid door onze gedachten, zijn samengesteld uit onze gedachten. Als een man spreekt of handelt met een kwade gedachte, wordt hij achtervolgd door ellende zoals het wiel de voet van de trekker volgt (bijvoorbeeld de os die de kar trekt).’ Je ziet dat karma hier het gevolg is van gedachten, niet alleen van gedrag. Bedoelingen, en mentale en spirituele puurheid, zijn belangrijker dan daden.

Een van de belangrijkste gevolgen van karma is het soort wedergeboorte dat je te wachten staat. In de oude hindoestaanse dharmasastra (verhandeling) De Wetten van Manu wordt dat uitgelegd: ‘Als gevolg van de zondige handelingen die een man met zijn lichaam heeft verricht, wordt hij (bij de volgende geboorte) iets zonder ziel; als gevolg van zonden die zijn begaan met woorden, wordt hij een vogel of een beest; en als gevolg van mentale zonden wordt hij herboren in een lage kaste.’

Apostel Paulus

Hoewel het concept ‘karma’ specifiek is voor de uit India afkomstige godsdiensten en filosofieën, is eenzelfde soort principe ook elders te vinden. Het kan zelfs simpelweg als niet meer dan logisch worden beschouwd. Het Engelse gezegde ‘What goes around comes around’ werd pas populair in de jaren zestig, toen de hippies lukraak allerlei dingen van het boeddhisme overnamen. Maar bijna tweeduizend jaar eerder schreef Paulus al iets vergelijkbaars in zijn ‘Brief aan de Galaten’: ‘Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.’

Er zitten ook vage toespelingen op iets karmisch in de klassieke Chinese filosofie, waar vaak een soort kosmisch ordenend principe aan het werk lijkt te zijn. Dat is tian, meestal vertaald als ‘hemel’, al is het niet het soort transcendente plek waar goden wonen of waar wij allemaal naartoe gaan. Het is meer een soort goddelijke kracht, iets wat je moet trachten te evenaren maar wat je ook te grazen neemt als je dat niet doet.

Een voorbeeld daarvan is te vinden in een passage van Mozi: ‘De oude wijsgeerkoningen van de Drie Dynastieën, Yu, Tang, Wen en Wu, gehoorzaamden de wil van de Hemel en kregen een beloning. En de slechte koningen van de Drie Dynastieën, Jie, Zhou, You en Li, verzetten zich tegen de wil van de Hemel en werden gestraft.’ De wijsgeerkoningen hadden eerbied voor tian, aanbaden de geesten en hielden van de mensen. Als gevolg daarvan werden ze door tian beloond met een rijk dat tienduizend generaties lang standhield. De slechte koningen zondigden tegen tian en de geesten, en onderdrukten de mensen. Door de wil van de Hemel ‘konden ze hun natuurlijke levensduur niet voleindigen en omspande hun familielijn niet eens één enkele generatie’.

Het verschil tussen karma en zulke algemene ideeën over oorzaak en gevolg is dat het eerste niet uitsluitend in één leven maar in meerdere levens doorwerkt. Het plaatst ons doen en laten op een veel grotere tijdschaal, waardoor het meer gewicht krijgt. Het zou dan ook niet vreemd zijn als dat invloed had op de manier waarop mensen over hun tegenslagen denken. Ik heb altijd mijn twijfels gehad over het idee dat mensen optimistischer worden door karma, maar de Indiase filosoof Meera Baindur zegt dat daar toch wel iets in zit. Zoals altijd moet je wel rekening houden met het verschil tussen het puur filosofische concept en zijn volkse tegenhanger. Het karma waar de Indiase gewone man in gelooft, is ‘een soort afgezwakte, algemene, populaire versie, te vergelijken met de manier waarop mensen Nietzsche te pas en te onpas citeren’, aldus Baindur.

In die populaire versie van karma ligt het accent meer op de externe werking van kosmische mechanismes dan op de effecten van iemands eigen keuzes en drijfveren. Daarom is het fatalistischer dan karma eigenlijk zou moeten zijn. Baindur zegt: ‘Het komt voor dat mensen niet naar de dokter gaan omdat ze denken dat er karma in het spel is.’

Ze zegt ook dat de mensen in India sneller geneigd zijn om de regering of externe omstandigheden ergens de schuld van te geven dan de mensen in bijvoorbeeld de VS. ‘Het zijn de omstandigheden die de persoon maken, niet de innerlijke motiveringen van die persoon.’ Baindur geeft toe dat dat als een soort psychologisch ‘copingmechanisme’ kan dienen, maar denkt ook dat het de mensen een beetje laconiek maakt: ‘Als je iemand ziet lijden, voel je empathie, maar je kunt ook zeggen: “Het is gewoon karma.”’ Je snapt vast wel hoe handig dat kan zijn als je zo veel ellende om je heen ziet dat je niet de hele tijd met alles kunt meevoelen zonder door emotie te worden overmand.

Kastenstelsel

De gelatenheid die het geloof in karma met zich meebrengt, klinkt mij een beetje te veel in de oren als het vergoelijkende ‘arm maar gelukkig’, wat dikwijls over de ‘spirituele’ Indiër wordt gezegd. Gelatenheid vormt een belemmering voor meer sociale rechtvaardigheid. S.K. Saksena beweert bijvoorbeeld dat de Indiase filosofie erg praktisch is maar dat de betekenis van het woord ‘praktisch’ in deze context door westerlingen verkeerd wordt begrepen. Het gaat om ‘de innerlijke transformatie van de mens, niet om een of andere gesocialiseerde transformatie van zijn levensstijl’. Dat klinkt mooi maar het kan er ook toe leiden dat mensen zich al te gemakkelijk neerleggen bij de status quo en allerlei nonsens voor lief nemen. Baindur deelt die zorg, maar wijst erop dat ‘mensen die in die nonsens leven niet vinden dat ze iets voor lief nemen’.

Karmisch optimisme wordt pas een probleem als het als excuus wordt gebruikt om mensen te laten creperen. Neem het groeiende probleem van Indiase boeren die zelfmoord plegen, wat twaalfduizend keer per jaar voorkomt. ‘Boeren plegen geen zelfmoord omdat hun gewassen niet groeien maar doordat ze hun lening niet kunnen afbetalen, en dat komt weer omdat de zaden die ze hebben gekocht genetisch gemanipuleerde zaden zijn die ze niet kunnen vermeerderen. Dat gaat niet over karma maar over economie.’

Het schadelijkste effect van de karmische wereldbeschouwing is misschien nog wel de manier waarop ze wordt gebruikt om het rigide kastensysteem in India in stand te houden. De meeste geleerden zijn het er tegenwoordig over eens dat het nooit de bedoeling is geweest dat kasten zich hermetisch sloten maar dat mensen van de ene naar de andere konden gaan. In de Veda’s wordt gesproken over vier varna’s (het woord ‘kaste’ is geen Indiaas woord): de brahmanen (priesters), de kshatriya’s (heersers, beschermers en krijgers), de vaishya’s (ambachtslieden, boeren en handelaren) en de shudra’s (arbeiders). Hoewel nadrukkelijk wordt gezegd dat er geen vijfde varna is, bestaat er een categorie mensen die in geen van de genoemde vier past: de dalit of ‘onaanraakbaren’.

De kasten kregen allemaal ‘aparte plichten en bezigheden toegewezen’ en worden al eeuwenlang verschillend behandeld. In de Veda’s wordt een strikte scheiding aanbevolen. ‘Overspel wordt veroorzaakt door een vermenging van de verschillende kasten’, luidt de waarschuwing in De Wetten van Manu. Maar duidelijk is ook dat het mogelijk was om van de ene naar de andere kaste te gaan en dat verdienste, niet geboorte, daarvoor uiteindelijk de bepalende factor moest zijn. ‘Een man die twee keer is geboren (brahmana) en die zich, zonder de Veda te hebben bestudeerd, toelegt op een andere (wereldlijke studie), vervalt al snel, zelfs tijdens zijn leven, in de toestand van een shudra, en zijn afstammelingen (na hem)’, staat in De Wetten van Manu. En ‘een shudra krijgt de rang van een brahmaan, en een brahmaan daalt (op een vergelijkbare manier) naar het niveau van een shudra; maar weet dat het hetzelfde gaat met de nakomelingen van een kshatriya of een vaishya.’

Op een gegeven moment werden de varna’s echter streng gescheiden kasten met steeds meer onderverdelingen. Dat wordt door verschillende geleerden aan verschillende factoren geweten. Een van hen vertelde me dat de varna’s flexibel waren tot aan de Britse koloniale overheersing, toen de Indiërs hun kaste op hun identiteitskaart moesten laten vastleggen. Maar dat kan niet het begin zijn geweest van de verstarring, want uit fascinerend genetisch onderzoek blijkt dat die zeventig generaties geleden al begon. Onderzoekers van het National Institute of Biomedical Genomics in Kalyani, West-Bengalen, ontdekten dat de overgrote meerderheid van de tegenwoordige Indiërs afstamt van vijf verschillende eeuwenoude bevolkingsgroepen die zich duizenden jaren lang, tot ergens in de zesde eeuw na Christus, ongehinderd konden vermengen. Toen kwam er plotseling een einde aan die vermenging door een huwelijksverbod voor mensen van verschillende kasten, waardoor de onwrikbare kastengrenzen ontstonden die nog altijd bestaan en worden gesanctioneerd door een selectieve lezing van de heilige geschriften.

Meer ontevredenheid

Toen India onafhankelijk werd, werd discriminatie op basis van kaste bij grondwet verboden, maar de meeste mensen zullen niet ontkennen dat het kastenstelsel nog steeds een enorme invloed heeft en dat er nog altijd veel vooroordelen bestaan. Ik was verbaasd toen ik zag dat zelfs de contactadvertenties in The Times of India ingedeeld zijn naar kaste, wat erop wijst dat de geschoolde Indiase middenklasse over het algemeen nog altijd binnen haar eigen kaste wil trouwen.

India is aan het veranderen. Somini Sengupta zegt in haar boek The End of Karma: Hope and Fury Among India’s Young dat jongeren niet meer in karma geloven en dat daar ideeën over vrije wil en ambitie voor in de plaats zijn gekomen. Aangezien de gemiddelde leeftijd in India nu zeventien is, kan dat betekenen dat er een enorme verandering op komst is. Maar ook de verhalen van Sengupta laten een gemengd beeld zien.

Zo zijn Monica en Kuldeep een voorbeeld van twee mensen uit verschillende kasten die hun familie trotseerden en met elkaar trouwden. Hoewel alles goed leek te gaan, schoot een broer van Monica hen drie jaar na hun huwelijk allebei door het hoofd.

Geboft

Baindur gaf me reden te geloven dat ook bij de jongere generaties nog altijd de oude ideeën leven. Ik sprak haar op de East-West Philosopher’s Conference in Hawaï. Toen haar studenten hoorden dat ze daarnaartoe zou gaan, zeiden ze dat ze geboft had. ‘Ze zien kennelijk niet dat ik keihard werk om een proefschrift te schrijven, alles zelf bekostig en in een hostel logeer’, zegt ze. ‘Met het woord “geboft” zeggen ze eigenlijk: “Jij hebt een karmisch voordeel en wij kunnen niet zo zijn als jij.”’

Baindur ziet dat het gebruikelijke soort gelatenheid aan het veranderen is in een streven naar meer, en dat is niet alleen maar positief: ‘Er is nooit een verlangen naar spullen geweest maar dat is inmiddels wel aangewakkerd, helaas. Het zit er nu aan te komen en het leidt tot veranderingen. Er is meer ontevredenheid. Er wordt de mensen verteld dat ze een auto moeten kopen, dat ze een eigen huis moeten hebben.’

In Bodhgaya brachten mijn eigen verlangens en ontevredenheid me naar Barista, het enige westerse café van de stad. Toen ik daar naar binnen ging, was het alsof ik door een poort stapte en in een Britse buitenwijk terechtkwam.

Er waren nog zes andere klanten: drie boeddhistische monniken met een Aziatische vrouw, nog een boeddhistische monnik en een jonge Japanse man die eerst een groot stuk taart nam, toen een broodje kip en toen een kipburger, vergezeld van twee bekers ijskoffie. Aan de clientèle te zien was de keuze tussen spirituele en wereldlijke waarden niet zo strikt als vaak wordt beweerd door mensen die ofwel de Indiase spiritualiteit romantiseren ofwel het westerse materialisme demoniseren. Karma, koffie en taart kunnen best naast elkaar bestaan. Het geloof in karma zit in India erg diep maar misschien mogen we hopen dat het zijn fatalistische karakter enigszins zal verliezen wanneer de mensen meegaan in het westerse denkbeeld dat je je persoonlijk potentieel ook al in deze wereld kunt ­verwezenlijken, niet pas in de volgende.