Home God zegene Amerika

God zegene Amerika

Door Annette van der Elst op 26 maart 2013

06-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

Aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen ontleedt Peter Singer de ethiek van George W. Bush. ‘Zijn taal komt rechtstreeks uit het apocalyptische christendom.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘In eenderde van alle toespraken sinds zijn aantreden als president spreekt George W. Bush over de wereld in termen van goed en kwaad. Het zelfstandig naamwoord evil gebruikt hij vaker dan het bijvoeglijk naamwoord: 914 keer tegen 182 keer’, zegt de Australische filosoof Peter Singer (1946), hoogleraar bio-ethiek en filosofie aan de Princeton University in de VS. Singer noemt Bush ‘de prominentste moralist van de Verenigde Staten’.

Singer brengt een kort bezoek aan Nederland vanwege de vertaling van De President van Goed en Kwaad.
Altijd zorgvuldig formulerend, fileert hij de politiek van Bush. Singer, die vooral bekend werd door zijn boeken over dierenrechten, bestudeerde gedurende bijna twee jaar Bush’ ethische uitspraken. ‘Bush verwijst veelvuldig naar ethiek: hij ziet de wereld immers als een conflict tussen de krachten van het goede en die van het kwaad. Daarmee nodigt hij zelf uit tot een kritische beschouwing van zijn ethische denkbeelden.’
Is Bush niet gewoon een politicus die alles doet om herkozen te worden en met zijn ethische retoriek probeert de evangelische christenen – in de VS een grote groep – achter zich te krijgen? ‘Je kunt beweren dat politici zo te werk gaan, dat geloof in democratie en vrijheid voor de dommen is, een middel om de massa in het gareel te houden en dat de beleidsmakers wel beter weten’, reageert Singer. ‘Dat is een vergaand cynisme dat uiteindelijk de weg opent naar een ondemocratische samenleving.’

‘Ook al zou Bush onoprecht zijn, dan nog is een beschouwing van de ethiek die hij verdedigt van belang. Miljoenen Amerikanen geloven dat hij oprecht is en delen de opvattingen die hij uit over een heel scala aan ethische onderwerpen. Ze accepteren ook het positieve beeld van Amerika en de unieke goedheid ervan die in zijn toespraken doorschemeren. Je zou daarom mijn boek ook kunnen zien als een kritische analyse van een verzameling overtuigingen die door het Amerikaanse publiek breed wordt gedeeld.’

Dienaren van het kwaad

‘Bush’ ethiek is simplistisch, intuïtief, weinig reflectief en inconsistent’, beargumenteert Singer. ‘In sommige opzichten lijkt hij een filosofie te hebben die gebaseerd is op de vaststaande waarde van individuele rechten. Hij is principieel tegen abortus en tegen stamcelonderzoek op embryo’s die zijn overgebleven na een IVF-behandeling, omdat onschuldig leven wordt gedood. Maar dit uitgangspunt hanteert hij niet als het om de doodstraf gaat. Je kunt zeggen dat de doodstraf wordt opgelegd aan schuldige mensen, maar dat is niet altijd het geval. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat mensen die ter dood werden veroordeeld – en in sommige gevallen ook zijn geëxecuteerd – toch onschuldig waren. Dat geldt ook voor de oorlog in Irak en Afghanistan. In deze oorlogen zijn veel onschuldigen omgekomen en ik heb niet de indruk dat Bush en de zijnen heel zorgvuldig zijn omgegaan met het voorkomen van onschuldige slachtoffers.’

Als Bush een ethisch uitgangspunt heeft, is het dan niet de Bijbel, immers het boek waar hij veelvuldig aan refereert? Is Bush niet de president die elke redevoering besluit met ‘God zegene Amerika’? Singer: ‘Bush zegt christelijk te zijn. Maar opvallend is dat de christelijke religieuze leiders tegen de oorlog in Irak waren. De paus sprak zich krachtig uit, evenals de leiders van de National Council of Churches, waaronder Bush eigen kerk de United Methodists. Er was niets bijzonder christelijks aan zijn besluit om een oorlog te beginnen, en er zijn sterke argumenten om te zeggen dat het duidelijk onchristelijk was.’

‘Wat wel christelijk is, en in het bijzonder evangelisch-protestant, is zijn herhaaldelijk spreken over goed en kwaad. Hij heeft het over de kwaden en zo nu en dan zelfs over “de dienaren van het kwaad ”. Hij spoort ons aan het kwaad bij zijn naam te noemen, het kwaad te bestrijden en vertelt ons dat er uit kwaad geen goed zal voortkomen. Deze taal komt rechtstreeks uit het apocalyptische christendom. Tientallen miljoenen Amerikanen geloven in de Apocalyps, tweederde gelooft in Satan en veel Amerikaanse christenen vinden dat hun eigen land een goddelijke opdracht uitvoert. De vijanden van het land worden derhalve gedemoniseerd. Dat is precies wat Bush doet. Hij ziet de wereld als een conflict tussen de krachten van het goede en de krachten van het kwade. Dit beeld ontleent hij aan de dwaalleer van het manicheïsme. De manicheeërs werden fel aangevallen door Augustinus (354-430), die vond dat wanneer mensen een of ander soort kwade kracht zien als de bron van alles wat slecht is, dat een manier is om hun eigen tekortkomingen te maskeren. Ondanks pogingen om het manicheïsme te onderdrukken, is het nooit uitgeroeid. Na de Reformatie verscheen het beeld in een aantal protestantse sekten en werd het door hen naar Amerika gebracht, waar het tot bloei kwam. Het gemak waarmee Bush Amerika als zuiver en goed ziet, en de vijanden van Amerika als volkomen slecht, vindt zijn oorsprong in deze Amerikaans-manicheïstische traditie.’

Ontluikende bedreiging

Bush’ manicheïstische opvattingen spelen een grote rol in de door hem verklaarde ‘oorlog tegen het terrorisme’ en vormen een interessante alliantie met het streven van een groep invloedrijke conservatieven in de VS naar het mondiale leiderschap van hun land. Singer herinnert er in dit verband aan dat Bush in de aanloop naar zijn verkiezing voorstander leek te zijn van een bescheiden rol van de VS in de internationale vrede. Singer: ‘Maar terwijl hij dit zei, was een groep van conservatieve denkers bezig met heel andere plannen. Zij vestigden in 1997 het Project for a New American Century en pleitten voor een verhoging van de defensie-uitgaven, voor het ter verantwoording roepen van regimes die vijandig staan tegenover Amerikaanse belangen en waarden, voor de aanvaarding van Amerika’s unieke rol bij de handhaving en uitbreiding van een internationale orde die welwillend staat tegenover de Amerikaanse veiligheid, welvaart en principes, en voor een permanente aanwezigheid van de Amerikanen in de Perzische Golf. Tot de ondertekenaars behoorden onder anderen Bush’ broer Jeb, de huidige vice-president Dick Cheney en zes anderen die later deel zouden uitmaken van de regering Bush, waaronder Paul Wolfowitz, nu staatssecretaris van Defensie. Iemand als Wolfowitz heeft een duidelijke ideologie. Die is gedeeltelijk strategisch en gaat over oliebelangen, gedeeltelijk ethisch, waarbij hij denkt dat Amerika democratie moet brengen in het Midden-Oosten.’

Door de aanslagen van 11 september kon Bush – die de aanslagen verwoordde als een aanval op de vrijheid en het goede – worden overgehaald het Irakbeleid van het Project te volgen en in één klap drie doelen bereiken: Saddam Hoessein afzetten, een substantiële Amerikaanse strijdmacht in de Golf vestigen en de Amerikaanse superioriteit in de VN en de rest van de wereld doen gelden. Wie in deze strijd niet voor de Amerikanen was, zei Bush toen, was tegen ze – een uitspraak die typerend is voor Bush’ ethiek.

Eén van de argumenten die Bush voor de aanval op Irak gebruikte was dat de VS zichzelf moesten verdedigen tegen het terrorisme door middel van een preventieve aanval. Volgens het internationaal recht is zo’n preventieve aanval alleen dan legitiem als hij is gericht tegen een duidelijk dreigende aanval. Bush rekte dit op en zei dat ‘Amerika zal optreden tegen zulke ontluikende bedreigingen voordat ze volledig tot ontwikkeling zijn gekomen: dat is een kwestie van gezond verstand en zelfverdediging.’ Singer: ‘Eén van de problemen met dit standpunt is het risico dat een regering een argument voor een preventieve oorlog verzint wanneer ze in feite andere motieven heeft om een oorlog te beginnen. Een tweede probleem is dat een regering het gevaar dat een ander land vormt zou kunnen overschatten, ten gevolge van gebrekkige inlichtingen of overdreven angsten, verdenkingen of vooroordelen. De oorlog van de regering-Bush tegen Irak is zeker achteraf een illustratie van beide problemen. Ten eerste omdat hij gebaseerd was op onbewezen beweringen dat Irak massavernietigingswapens bezat en deze wel eens aan Al-Qaeda zou kunnen doorgeven. Ten tweede omdat sommige invloedrijke leden van de Bush-regering redenen hadden om de regering van Irak omver te werpen, die niets te maken hadden met terrorisme of de noodzaak om preventief aan te vallen.’

Singer denkt ook niet dat er op het moment van de inval reden was voor een humanitaire interventie, die in extreme gevallen wel erkend wordt door de VN. Bush wees herhaaldelijk op de wandaden van Saddam Hoessein om de oorlog te rechtvaardigen, zoals de gifgasaanvallen tegen de Iraakse Koerden in 1988 en het gewelddadig neerslaan van een sjiitische opstand in 1991. ‘Bij al deze gelegenheden zouden er plausibele ethische argumenten zijn geweest voor een humanitaire interventie’, zegt Singer. ‘Maar gedurende de jaren voorafgaand aan de beslissing om Irak aan te vallen, gebeurde er niets op de schaal van de vroegere afgrijselijkheden.’

Maar Saddam Hoessein wás toch een wreed dictator, veel Irakezen zijn blij dat zijn regime is gevallen. Was dat niet voldoende reden om Irak binnen te vallen? ‘Het pleidooi om Saddam te verjagen om het volk van Irak te helpen is utilitaristisch’, analyseert Singer. In een utilitaristische argumentatie moet je de kosten en de baten van een oorlog afwegen: het doden van een onschuldige kan misschien het leven van tientallen of meer onschuldigen redden. Dat is een lastige berekening. Tijdens de oorlog zijn er duizenden burgers gedood, tienduizenden gewond geraakt. De bombardementen hebben huizen, fabrieken en kantoren verwoest, waardoor mensen dakloos of werkloos zijn geworden. En ook zijn er grote culturele verliezen door de verwoesting van musea, bibliotheken en archeologische vindplaatsen. Er zijn grote milieurampen ontstaan, zoals die in Tuwaitha, waar het centrum voor nucleair onderzoek is geplunderd – dat voor de oorlog onder toezicht stond van het Internationaal Atoomagentschap, maar door de Amerikaanse strijdkrachten niet beveiligd was. De Irakezen leegden verzegelde vaten met uraniumerts om de vaten thuis te gebruiken, waarbij radioactief materiaal werd verspreid. Bij een basisschool in de buurt is een radioactiviteitniveau gemeten van drieduizend maal het normale niveau. En door het gebrek aan orde na de oorlog is het geweld van burgers tegen burgers enorm gestegen.’

Maar er is meer af te wegen in de utilitaristische kosten-baten analyse, zegt Singer. ‘Bij een humanitaire interventie is het belangrijk om na te denken over het precedent dat is geschapen. Zelfs wanneer de oorlog in Irak goede gevolgen voor de Irakezen blijkt te hebben, zal hij, als hij overduidelijk in strijd is met het internationaal recht en als hij het gezag van de VN verzwakt, het gevaar vergroten dat andere landen ook buiten het kader van de VN een oorlog zullen beginnen.’

Abu Ghraib

De recente ontdekkingen van de door Amerikaanse soldaten begane wandaden tegen Iraakse gevangenen – zoals in de gevangenis Abu Ghraib – hebben het Amerikaanse leger volkomen in diskrediet gebracht, vervolgt Singer. Evenals de disproportionele aanvallen op dorpen of huizen waar mogelijk een terrorist verscholen kan zijn, zoals de Amerikaanse beschieting (half mei) op de tenten waar een bruiloft werd gevierd, dicht bij de Syrische grens. ‘Als een president een realistischer en minder op geloof gebaseerde visie zou hebben, zou hij misschien eerder het risico dat Amerikaanse soldaten de Iraakse gevangenen zouden misbruiken inzien en betere maatregelen nemen om dat te voorkomen. Bush denkt dat hij het verschil kent tussen goed en kwaad en in zijn ogen vertegenwoordigt Amerika het goede. Hij beseft niet dat soldaten in een oorlogssituatie dit soort dingen kunnen doen.’

Een strijd tegen terroristen is natuurlijk nodig, zegt Singer. ‘Al-Qaeda is een internationale criminele organisatie. Maar de vraag is: wie val je aan? De strijd moet duidelijk gericht zijn tegen de terroristen zelf, en niet ongefundeerd verbreed worden. Er was geen verband tussen Saddam Hoessein en Al-Qaeda. De Bush-regering heeft dat nu ook toegegeven.’

Fundamenteel onrechtvaardig en onjuist vindt Singer het dat Bush en de zijnen de VS hebben uitgeroepen tot politieman van de wereld. ‘Een nieuwe eeuw vormgeven die positief staat tegenover Amerikaanse principes en belangen, dat klinkt niet als de wereld onpartijdig regeren in het voordeel van allen’, zegt Singer die een belangrijke rol van de VN bepleit in de bestrijding van het terrorisme. ‘De VN zijn niet volmaakt. Maar na de aanslagen op New York keurde de Veiligheidsraad unaniem een breed opgezette anti-terrorismeresolutie goed die opriep tot internationale samenwerking. In plaats van deze samenwerking als middel te gebruiken, heeft de Bush-regering anti-Amerikaanse gevoelens aangewakkerd. Ik denk dat we de haat tegen het Westen hebben vergroot en Al-Qaeda een middel in handen hebben gegeven om jihad-strijders te rekruteren.’

De president van goed en kwaad. De ethiek van George W. Bush, door Peter Singer, vert. Marijke Koekoek, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2004, 272 blz., € 19,95
Wij zullen overwinnen. Over oorlog, terrorisme en vrijheid, door George W. Bush, vert. Frank Bestebreurtje, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2004, 387 blz., € 19,95