Home Identiteit Fragment Barthes: ‘Zij was niet mijn moeder, en toch was het niemand anders’
Identiteit

Fragment Barthes: ‘Zij was niet mijn moeder, en toch was het niemand anders’

Door Roland Barthes op 13 januari 2026

twee vrouwen op een zwart witte foto
Barthes’ moeder is niet afgebeeld op deze foto. beeld Boston Public Library/Unsplash
Cover van
01-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Roland Barthes bekijkt de foto's van zijn overleden moeder, op zoek naar een beeld dat weergeeft wie ze was. Maar haar wezen blijkt nergens afgebeeld.

Op een avond in november, kort na het overlijden van mijn moeder, ging ik foto’s ordenen. Ik koesterde niet de hoop haar te ‘hervinden’, ik verwachtte niets van de ‘portretfoto’s met behulp waarvan je je iemand minder goed voor de geest haalt dan als je volstaat met aan hem te denken’ (Proust). Ik wist wel dat ik, vanwege de onontkoombaarheid die een van de gruwelijkste aspecten is van het rouwen, de afbeeldingen kon bekijken zoveel ik wilde, maar dat ik nooit meer haar gelaatstrekken zou kunnen oproepen (ze nooit meer in hun gezamenlijkheid naar mij zou kunnen terugroepen). Nee, wat ik wilde was, in het spoor van de belofte die Valéry bij het overlijden van zijn moeder had gedaan, ‘een werkje over haar schrijven, voor mij alleen’ (misschien doe ik dat nog weleens, opdat de in druk uitgebrachte herinnering aan haar minstens zo lang duurt als mijn eigen bekendheid). Bovendien kon ik van de foto’s die ik van haar had niet eens zeggen dat ik er zo erg op gesteld was, met uitzondering van de foto die ik al in een ander boek had laten opnemen, waarop je mijn moeder als jonge vrouw ziet op het strand van Les Landes en waarop ik haar manier van lopen, haar gezondheid, haar uitstraling ’terugvond’ – maar niet haar gezicht, dat te ver weg was. Ik bestudeerde die foto’s niet echt, ik ging er niet in op. Ik nam ze vluchtig door, maar geen enkele leek me echt ‘goed’: geen fotografische prestatie en ook geen levensechte herrijzenis van het gezicht dat ik zo had liefgehad. Zou ik ze een keer aan vrienden laten zien, dan was het maar de vraag of die foto’s tegen hen zouden spreken.

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

Roland Barthes (1915-1980) was een Franse filosoof, ­literatuurcriticus en semioticus. In zijn boeken onderzocht hij de betekenis van alledaagse culturele objecten, zoals de Citroën DS en biefstuk met friet. Bekend werk van hem is onder meer Mythologieën (1957), ‘De dood van de ­auteur’ (1967) en Uit de taal van een verliefde (1977). Barthes was hoogleraar semiologie aan het Collège de France tot zijn dood in 1980.

Voor veel van die foto’s gold dat de Geschiedenis me ervan scheidde. Is de Geschiedenis niet simpelweg de tijd waarin we nog niet geboren waren? Ik las mijn niet-bestaan af aan de kleren die mijn moeder had gedragen in de periode van voordat ik een herinnering aan haar had. Wie een vertrouwde persoon anders gekleed ziet, voelt een soort verbijstering. Op een foto van rond 1913 ziet mijn moeder er elegant, opgedoft uit: toque, veer, handschoenen, fijn linnen dat opdoemt rond haar polsen en hals; een ‘chic’ die wordt geloochend door de zachtheid en eenvoud van haar blik. Het is de enige keer dat ik haar zo zie, opgenomen in een Geschiedenis (van stijlen, modes, stoffen): mijn aandacht verschuift daarmee van haar naar het bijkomstige dat teniet is gegaan; want kleding is vergankelijk en bereidt de geliefde persoon een tweede graf. Om mijn moeder te ‘hervinden’ – vluchtig, helaas, en zonder die herrijzenis lang te kunnen vasthouden – moet ik ooit nog op een paar foto’s de voorwerpen traceren die op haar commode stonden: een ivoren poederdoos (ik hield van het geluid dat het deksel maakte), een flacon van geslepen kristal; de lage stoel die nu dicht bij mijn bed staat, de matten van raffia die ze boven de divan had bevestigd, de grote tassen waar haar voorkeur naar uitging (en waarvan de comfortabele vormen zich tegen de burgerlijke voorstelling van de ‘handtas’ keerden).

En zo komt het dat het leven van iemand van wie het bestaan kort aan het onze voorafging, in zijn eigenheid de spanning van de gesplitste Geschiedenis omvat. De Geschiedenis is hysterisch: ze krijgt alleen gestalte als je ernaar kijkt – en om ernaar te kunnen kijken moet je ervan zijn buitengesloten. Als levende ziel ben ik precies het tegenovergestelde van de Geschiedenis, die ik logenstraf en tenietdoe ten gunste van die ene geschiedenis van mijzelf (ik kan onmogelijk aan ‘getuigen’ geloven, in ieder geval kan ik onmogelijk zo’n getuige zijn; Michelet kon maar moeilijk iets schrijven over zijn eigen tijd). De periode waarin mijn moeder leefde voordat ik ter wereld kwam, is voor mij de Geschiedenis (het is trouwens het historische tijdvak waar mijn grootste belangstelling naar uitgaat). Geen enkele anamnese zal mij ooit vanuit mijzelf ook maar een glimp van die periode laten zien (want een anamnese is gebaseerd op persoonlijke herinneringen) – terwijl ik, wanneer ik een foto bekijk waarop mijn moeder mij als kind tegen zich aandrukt, de kreukelige zachtheid van de crêpe de Chine en de geur van de talkpoeder in mijzelf kan oproepen.

En zo diende zich de essentiële vraag aan: herkende ik haar? Soms herkende ik een stukje van haar gezicht, een bepaalde verhouding tussen neus en voorhoofd, de beweging van haar armen, van haar handen – al naargelang de foto. Ik herkende haar nooit anders dan in fragmenten, dat wil zeggen dat haar wezen mij ontging, en dat ze me dus helemaal ontging. Zij was het niet, en toch was het niemand anders. Ik zou haar uit duizenden vrouwen hebben herkend, en toch ‘hervond’ ik haar niet. Ik herkende haar in de verschillen met anderen, niet in haar wezen. Zo legde de fotografie mij een droevige taak op; reikend naar de essentie van haar identiteit, leverde ik een gevecht te midden van beelden die deels waar en dus volledig onwaar waren. Over een bepaalde foto zeggen ‘dat is haar bijna!’ vond ik schrijnender dan over een andere foto zeggen: ‘Dat is haar helemaal niet.’ Dat bijna: het gruwelijke regime van de liefde, maar ook de teleurstellende status van de droom – iets waarom ik dromen haat. Want ik droom vaak van haar (ik droom alleen van haar), maar ze is het nooit helemaal. Soms heeft ze in zo’n droom iets dat lichtelijk misplaatst lijkt, iets buitensporigs: dan is ze bijvoorbeeld dolblij, uitgelaten – wat ze in werkelijkheid nooit was; soms weet ik dat zij het is zonder dat ik haar trekken zie (maar zie je in een droom, of weet je?): ik droom van haar, ik droom haar niet. En een foto vergt, net als een droom, dezelfde inspanning, dezelfde sisyfusarbeid: weer omhoog, reikend naar de essentie, dan terug omlaag zonder die essentie te hebben aanschouwd, en weer van voor af aan beginnen.

Dit is een fragment uit het tweede deel van Camera lucida. Aantekening over de fotografie van Roland Barthes, dat op 26 januari 2026 verschijnt bij uitgeverij Ad. Donker.

Camera lucida. Aantekening over de fotografie
Roland Barthes
vert. Jeanne Holierhoek

Ad. Donker
128 blz.
€ 20.95

Loginmenu afsluiten