Home Een kerk voor het vrije woord

Een kerk voor het vrije woord

De Balie opende vorige week zijn deuren als gebedshuis, op grond van een heilig geloof in democratie, de rechtsstaat en de heilzame, bindende werking van cultuur. Waarom zou een cultuur- en debatcentrum zich anno 2022 geen seculiere kerk mogen noemen? We vroegen het Balie-directeur Yoeri Albrecht en Denker des Vaderlands Paul van Tongeren.

Door Fleur Jurgens op 27 januari 2022

Een kerk voor het vrije woord Beelden: De Balie

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Toegegeven, het had iets weg van een stunt: om de coronamaatregelen en eventuele toekomstige theatersluitingen voorgoed te kunnen omzeilen. Maar sindsdien ligt wel de vraag op tafel: waarom zou troost en zingeving, gefundeerd op het vrije woord, niet te vergelijken zijn met een religieuze beleving? Wat is het verschil tussen samenkomen in een zaaltje uit naam van God of uit naam van democratie?

Levensbeschouwing

‘Jaja, dus jullie gaan voortaan bidden en de hostie uitreiken.’ Zo werd er geschamperd, vertelt Albrecht, toen hij de stichting van Het levensbeschouwelijk Genootschap van de Gemeenschap der Rede bekendmaakte. ‘Maar het is ons ernst. De protestactie roept een fundamentelere vraag op. Bevredigen democratie en cultuur niet op dezelfde wijze een behoefte aan zingeving als een religie dat doet?’

Daar zit wat in, denkt Paul van Tongeren, die behalve filosoof ook theoloog is. Tenminste, als je een kerk en een debatcentrum in cultureel-antropologisch opzicht vergelijkt. ‘Mensen komen samen in een zaal en gaan daar iets zeggen of zingen, ze applaudisseren na afloop en praten na. Ook als je je afvraagt wat die mensen in de zaal daaraan hebben of ervaren – troost of saamhorigheid – dan lijkt het niet uit te maken of je dit beleeft door een preek of tijdens een discussie.’

Maar om een Balie-publiek voor komedianten, debatten of literaire avonden nu meteen een levensbeschouwelijk genootschap te noemen? Van Tongeren: ‘Levensbeschouwingen zijn samenhangende gehelen van opvattingen over de wereld, overtuigingen over wat het leven is en hoe je dat vormgeeft en bestaan in concrete gemeenschappen van mensen die zo’n levensbeschouwing in praktijk brengen.’

Is aan een dergelijke eis van samenhang in de Balie-kerk wel voldaan? Albrecht: ‘Bij ons is een geloof in het vrije woord en de democratie het bindende element. Daarmee hebben we een grote aanhang. Trouwens, een geloofsbelijdenis is in de praktijk vaak diverser dan Van Tongeren aanneemt. Neem het hindoeïsme. Daarbinnen bestaan duizenden goden en verschillende richtingen. Het maakt nogal uit of je een Brahmaan bent en in abstracte, filosofische begrippen gelooft, of dat je gelooft in Hanoeman, de god met apenhoofd. En wat dacht je van de remonstranten? Onder hen zijn veel aanhangers die niet eens in God geloven. Als je die verscheidenheid in geloofsovertuigingen overdenkt, dan zie ik niet wat het verschil is met een geloof in democratie?’

Transcendent

Van Tongeren: ‘Maar toch, de scheiding tussen kerk en staat is een paar honderd jaar geleden niet voor niets zo heftig bevochten: om te voorkomen dat kerken politieke macht krijgen en om te vermijden dat de politiek zich gaat bezighouden met overtuigingen die in kerken georganiseerd zijn.’ De Denker des Vaderlands hamert dan ook op een belangrijk onderscheid tussen een religieus geloof en een seculiere levensovertuiging. In een geloof zit volgens hem altijd een verwijzing naar een ‘transcendent element’, naar iets dat niet met het verstand valt te kennen. ‘De kern van een religie is dat je het knooppunt van dat samenhangende geheel nooit kunt identificeren met iets concreets. Dit abstracte, noem het een God of het Absolute, onttrekt zich aan het menselijk bereik. Een overtuigd atheïst kan misschien zeggen: “ik geloof heilig in de menselijke autonomie”. Maar autonomie is een begrip dat te verwerkelijken valt. Van God kun je eigenlijk nooit beweren dat je Hem hebt gerealiseerd. Het blijft iets ongrijpbaars. Sterker nog, iemand die beweert God te zien, beschouwen we al snel als mataglap.’

Albrecht vindt zelfs deze ‘metafysische’ eis ergens wel toepasbaar op zijn seculiere genootschap. ‘Democratie en rechtsstaat zijn ook iets transcendents. Ik heb die begrippen in elk geval nooit kunnen pakken. Bovendien denk ik dat ze voor heel veel mensen van waarde zijn, zingevend zijn en richting geven. Wat is fundamenteel gesproken het verschil tussen een geloof in de democratie, als ordening voor een best mogelijke samenleving waar je je tot aan de dood voor wil inzetten, en het geloof in een orde van God? In beide gevallen komt er ethiek uit voort. Volgens een religieuze ordening denken mensen dat je niet mag doden omdat het niet van God mag. In een democratie is hetzelfde door mensen onderling afgesproken, bij de gratie van het volk. Het is dit geloof in een soevereiniteit die mensen tegen elkaar beschermt. Hobbes noemde deze soevereiniteit overigens de Leviathan. In die opvatting nadert soevereiniteit een god.’

Van Tongeren waarschuwt voor elke identificatie van het godsbegrip, ook in de religie. ‘Het wordt gevaarlijk zodra iemand zegt: God is absoluut, maar hij woont wel in onze kerk. Op het moment dat je het concreet maakt, dreigt religie te verworden tot blasfemie of bijgelovigheid. “God” onttrekt zich daaraan makkelijker dan begrippen als “rede” of “democratie”. Het concretiseren van zulke begrippen kan zelfs ontaarden in terreur, zoals de geschiedenis leert. Neem de Kerk van de Rede, een atheïstische antigodsdienst die tijdens de Franse Revolutie werd opgericht. Uit naam van de Rede werden kerken vernield, priesters vervolgd en duizenden geestelijken geëxecuteerd. Iets dergelijks gebeurde in de terreur van het stalinisme ook, toen de Rede een moreel appel deed op het communisme. Zoals we weten, leidde ook dat ideaal tot vernietiging en moord. Je moet dus erg uitkijken als je de Rede op de plaats zet van God. Op het moment dat je het concretiseert: de Rede is “de manier waarop wij spreken” of “datgene wat we onder democratie verstaan” of “wat we met mensenrechten bedoelen”, maak je het relatieve, tijdelijke en veranderlijke tot iets absoluuts en eeuwigs. Daar schuilt een gevaar in van machtsmisbruik…’

Minzaam lachend: ‘In het geval van de Balie zal het zo’n vaart niet lopen. Ik verwacht dat als de coronamaatregelen eenmaal verdwenen zijn, we niet veel meer van dit kerkgenootschap zullen vernemen.’