Home Mens en natuur Denken met de Bijbel in de hand
Mens en natuur

Denken met de Bijbel in de hand

De Duitse denker Friedrich Wilhelm Joseph Schelling bracht begin negentiende eeuw theologie en filosofie samen. En verklaarde hoe de mens ondanks een alomvattende God vrij kan zijn.

Door Jabik Veenbaas op 27 mei 2022

Denken met de Bijbel in de hand
Cover van 06-2022
06-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

De Romantiek was in wezen een van de antwoorden op een grondprobleem van de Verlichting: de angst voor het nihilisme, de onttovering. Bij Rousseau – een pionier van deze nieuwe stroming, die uitgroeide tot een tijdperk – zien we als reactie op die onttovering een wereldbeeld ontstaan waarin de natuur als geheel werd geheiligd en vergoddelijkt: het pantheïsme. De belangstelling voor vormen van pantheïsme nam toe en als gevolg daarvan kwam een zeventiende-eeuwse rationalist opnieuw in de mode: Spinoza. Hij had immers het bestaan bewezen van een God die één was met de natuur.

Het denken van Spinoza maakte rond 1785 serieus opgang in Duitsland. Lessing neigde aan het einde van zijn leven naar een spinozistische vorm van pantheïsme. Ook Herder bewoog zich in deze richting. Er werd rond deze tijd zelfs een felle polemiek rond de filosofie van Spinoza gevoerd, de zogenoemde pantheïsmestrijd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Friedrich Wilhelm Joseph Schelling, een van de belangrijkste filosofen van de Romantiek, werd zeer sterk door Spinoza beïnvloed. Hij kwam in zijn vroege jaren net als Spinoza tot de bevinding dat natuur en geest identiek zijn, waarbij hij het primaat toekende aan de geest en bovendien het spinozisme, dat een nogal statische kijk op de wereld huldigde, van een dynamisch en historisch aspect voorzag. Vanwege de gelijkstelling van natuur en geest noemt men deze filosofie van Schelling ook wel de identiteitsfilosofie.

Rond 1803 onderging Schelling de invloed van de katholieke denker Franz von Baader. Baader pleitte voor een nieuwe versmelting van theologie en filosofie en wees de scheiding tussen die terreinen af, zoals die eerder werd voorgestaan door verlichtingsdenkers als Kant. Schellings geschrift Over het wezen van de menselijke vrijheid, waarvan nu voor het eerst een Nederlandse vertaling verschenen is, dateert uit 1809 en behoort tot die nieuwe periode.

Heidegger zag dit boek als een van de belangrijkste werken van het Duitse idealisme

Pantheïsme betekent vaak determinisme. Waar zou het individu zijn vrijheid vandaan moeten halen als alles God is en dus door God wordt doordrongen en bepaald? Spinoza verklaart in zijn Ethica dat de menselijke vrijheid op een illusie berust. Beroemd is zijn vergelijking met de steen: zoals een weggestoten steen, indien hij kon denken, algauw tot de slotsom komt dat zijn beweging op vrijheid berust, zo heeft de mens de illusie dat hij vrij is omdat hij de oorzaken die hem bewegen niet goed kent. De enige vrijheid die er voor de mens van Spinoza overblijft ligt in diens bewuste vereenzelviging met de alomvattende liefde Gods.

Schelling kiest voor een andere oplossing. Hij meent dat de menselijke vrijheid verklaard kan worden vanuit de gedachte dat er in een alomvattende God verschillende facetten van elkaar moeten worden gescheiden. God is volgens hem niet alleen een wezen dat bestaat, maar ook een wezen dat, hoe paradoxaal dat ook klinkt, een niet-goddelijke bestaansgrond omvat. Mensen kunnen vrij zijn, en kwaad doen, omdat ze voortkomen uit die grond, uit wat ‘in God zelf niet Hijzelf is’. Maar, zo redeneert hij vervolgens, omdat God liefde is, kan hij de dualiteit, die dus al in Hemzelf aanwezig is, ook opheffen. Het kwaad bestaat ook om die reden: het is noodzakelijk om Gods liefde werkelijkheid te laten worden.

Schellings weerbarstige tekst, die door Frans de Ruiter en Paul Ziche van een gedegen inleiding werd voorzien en goed werd vertaald, heeft een flinke reputatie verworven. Er zijn vanuit zijn vrijheidsgeschrift interessante lijnen te trekken naar de wilsfilosofie van Schopenhauer en naar het existentialisme en zijn denkbeelden over afgrondelijke vrijheid. Heidegger zag het als een van de belangrijkste werken uit het tijdperk van het Duitse idealisme.

Toch blijft het ook een wonderlijk amalgaam van mystieke theologie en soms scholastisch aandoende wijsgerige subtiliteit. Schelling geeft je dikwijls de indruk dat hij denkt met de Bijbel in de hand. ‘En om het persoonlijk en geestelijk kwaad te bestrijden,’ zo horen we hem zeggen, ‘verschijnt het licht van de geest ook in een persoonlijke, menselijke gedaante en als middelaar, om de verbintenis van de schepping met God weer op het hoogste niveau te herstellen.’ En elders: ‘Zonder het begrip van een menselijk lijdende God, die alle mysteriën en spirituele religies uit de vroegste tijden gemeen hebben, blijft de hele geschiedenis onbegrijpelijk.’ De filosoof buigt hier toch wel erg diep voor de dominee.

Over het wezen van de menselijke vrijheid
Friedrich Wilhelm Joseph Schelling | Boom | 160 blz. | € 24,90