Home De laatste sigaret
Existentialisme

De laatste sigaret

Door Nils Markwardt op 22 augustus 2019

De laatste  sigaret
Cover van 09-2019
09-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Vertaling: Warda El-Kaddouri

Het roken verdwijnt gestaag. Er komt een dag dat de Europese tabakscultuur geheel verdwenen zal zijn. Voor de gezondheid en voor het milieu is dat een goede zaak. Maar met het roken gaat ook een filosofische traditie verloren.


Albert Camus

Binnenkort trekt de rook weg. Wanneer de grijze sluier over de bars, dansvloeren en terrassen volledig verdwenen is, worden ook de laatste asbakken geleegd en de laatste automaten gedemonteerd. Ja, je zal sigaretten hier en daar nog kunnen kopen. Maar eerder voor een speciale gelegenheid: als edgy accessoire voor een avontuurlijke vakantie, als een nostalgische gimmick voor motorfeestjes of als een cultachtig grapje op een verjaardag. Ze zullen duur zijn. Heel duur. Die zeven euro die je in 2019 per pakje neertelde, zal als een geschenk aanvoelen. Zelfs die omgerekende 17 euro, die je destijds al in Australië moest betalen, lijkt dan wellicht een koopje. Alleen zal het weinig mensen iets uitmaken. Omdat roken nu immers als een bizar anachronisme uit de twintigste eeuw geldt, ligt het aandeel nicotinejunkies slechts op enkele procenten van de bevolking.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wanneer het precies zo ver zal zijn, valt moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk al over tien, maar misschien ook pas over dertig jaar. Maar dat het gaat gebeuren, lijkt zeker, tenminste, hier in het Westen. Want hier zijn de dagen van de sigaret geteld. Waar het wereldwijde aandeel van rokers tussen 1990 en 2015 met bijna een derde is teruggevallen naar ongeveer 15 procent, ligt het aandeel in Zweden nog slechts op zeven procent. In vergelijking is Nederland met een aandeel van 22 procent nog een toevluchtsoord voor rokers, maar ook bij ons krimpt het aantal tabaksconsumenten al jaren.

Bovendien kunnen we ervan uitgaan dat de Europese ontwenningstherapie binnenkort nog heftiger zal worden. Dankzij de gezondheidstrend en slagvaardige antirookcampagnes zal het aantal nicotine-afvallers exponentieel stijgen. In Frankrijk stopte alleen al tussen 2016 en 2017 rond de één miljoen mensen met roken. Zonder de tabaksconsumptie, waar wereldwijd jaarlijks 6,4 miljoen mensen aan sterven, zullen we langer en medisch gezien ook beter leven. Veel minder mensen zullen moeten aanzien hoe hun geliefden op een ondraaglijke manier aan longkanker sterven of jaren aan een stuk wegkwijnen door chronisch obstructieve longziekten (COL), temeer omdat het nuchter gezien ook absurd lijkt om vrijwillig een brandend staafje papier in je mond te stoppen, dat 4800 chemicaliën vrijlaat waarvan 250 giftig en minstens 90 kankerverwekkend zijn. Nog los van de gevolgen voor het milieu. Wereldwijd leveren de miljarden weggegooide peuken elk jaar niet alleen een bijna 750.000 ton zware asbak op, maar ze vormen ook nog eens een soort globale mozaïek van giftige afvalstoffen, die grond- en zeewater langdurig vervuilen.

‘Marlboro-man’

Maar toch gaat er iets verloren. Iets wat in de loop van de vierhonderd jaar oude geschiedenis van de westerse rookcultuur ons denken heeft gekenmerkt en soms ook sfeer heeft gebracht. Iets waarvan het verlies ook zonder idealisering betreurd kan worden en waarvoor er in het dagelijks leven waarschijnlijk ook niet meteen een vervanging zal komen. En nee, daarmee wordt in dit verband niet de ‘vrijheid’ bedoeld van de ‘Marlboro-man’, die we zo graag hoog in het vaandel dragen. Want los van het feit dat de triomfantelijke opmars van de sigaret grotendeels te danken is aan de perfide reclamecampagnes van de steenrijke en schaamteloze tabakslobby – wat in films zoals Thank you for Smoking (regie: Jason Reitman, 2006) volledig terecht een monument krijgt; een trekje aan een sigaret is neurologisch gezien primair een toxische dwanghandeling, en géén liberale signature move. Roken betekent zonder twijfel genot, maar in de regel ook verslaving.

Het betreurenswaardige aan het verlies van de sigaret ligt dus ergens anders. En wel in het feit dat roken en passant steeds een drievoudige filosofische oefening was, een oefening in gelijkheid en solidariteit, een oefening in ­tijds- en wereldobservatie. En een oefening in ‘ambiguïteitstolerantie’.

Het egalitaire effect van roken werd al in de vroegste fase van de westerse tabakscultuur zichtbaar. Toen aan begin van de zestiende eeuw de eerste planten in de bagage van de Spaanse conquistadores Europa bereikten en het roken in de loop van de zeventiende eeuw in de Oude Wereld langzamerhand mode werd – waar overigens in het begin niet eens een woord voor was, waardoor men van ‘het drinken van mist’ sprak – was dat geenszins een exclusieve bezigheid voor de bovenlaag. Op afbeeldingen vanaf 1630, toen de tabaksconsumptie zich tot motief in de schilderkunst ontwikkelde, zie je mensen uit alle lagen van de bevolking hun pijpje roken. In dit verband stelde Hans Jakob Christoffel von Grimmelshausen in zijn Satyrischer Pilgram uit 1667 vast, dat ‘hoge en lage personen van stand gebruikmaken van tabak’ en wel ‘het meest soldaten, zigeuners, landlopers en bedelaars; volgens dezelfde echter ook burgers, ambachtslieden, boeren en dagloners’. In de zeventiende eeuw was het roken een van de weinige sociale activiteiten die klassen oversteeg.

Het duurde echter niet al te lang voordat ook hier de aristocratische drang om zich te onderscheiden toesloeg. Terwijl edelen gedecoreerde porseleinen pijpen aanschaften en zich exclusieve tabaksmixen konden veroorloven, moesten boeren genoegen nemen met eenvoudigere varianten en moesten ze hun restanten soms met eigen inheemse tabak versnijden. De drang naar onderscheiding groeide verder in de loop van de achttiende eeuw. Om zich tegen de ‘stank van de armen’ af te zetten, deden aan de Europese hoven luxueus versierde snuiftabakdozen hun intrede.
 

Rokende feministen

Toch leidde dit tijdens de negentiende eeuw weer tot een specifieke vorm van rokers­solidariteit. Tijdens de Duitse Maartrevolutie in 1848 werd een belangrijke eis van de demonstrerende menigte gehonoreerd: het opheffen van het rookverbod in de publieke ruimte en op straat. Het verbod, dat in 1764 door Frederik de Grote was afgekondigd vanwege brandpreventie, was onnodig geworden omdat licht ontvlambare houten gebouwen inmiddels uit de binnenstad verdwenen waren. Bovendien kreeg het geheel ook een politieke lading. Het publiekelijk roken van de populair geworden sigaar, die in het midden van de negentiende eeuw nog geen stereotiep symbool voor de fabriekseigenaar met cilinderhoed was, was een symbool van burgerlijke vrijheidsstrijd en revolutionaire activiteiten. Tot de gepassioneerde sigarenrokers behoorden dan ook niet de minsten: Karl Marx bijvoorbeeld. Om die reden noemde de Nieuwe Pruisische Krant de sigaar destijds ‘democratisch symbool van de rebellie’ en stelde vast: ‘Met een sigaar in de mond zegt en durft een jong individu totaal andere dingen, dan hij of zij zonder sigaar zou zeggen en durven.’

Hoewel de Duitse democratische lente destijds van korte duur was, had het in ieder geval wel een cruciaal succes. De autoriteiten bezweken onder de druk van de straat en hieven het rookverbod in 1848 op. Het roken van sigaren is in de negentiende eeuw ook nog door een andere emancipatiebeweging tot verzetssymbool bevorderd – namelijk die van de vrouwen. Zij werd belichaamd door George Sand, een rokend icoon van het vroege feminisme. Zo werd roken, met de massale verspreiding van de sigaret, een klasse- en genderoverschrijdende gelijkmaker. Het slanke papierstaafje, dat de Engelse en Franse soldaten tijdens de Krimoorlog (1853-1856) dankzij de Turkse bondgenoten leerden kennen en vervolgens in Europa verspreidden, werd zowel door mannen als door vrouwen, door soldaten en hippies, door fabrieksarbeiders en kantoorbedienden in brand gestoken.


Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, met Boris en Michelle Vian in Parijs, 1949

Het solidariteitseffect van roken manifesteert zich sindsdien niet meer alleen in de laagdrempelige vorm van socializing via de eenvoudige vraag naar een vuurtje, die diepe vriendschappen en liefde kan doen ontluiken. Een peuk vormt tot op de dag van vandaag ook de kern van een wereldwijde gifteneconomie. Wie als roker een andere roker om een peuk vraagt, krijgt er in de regel ook eentje. Hoewel deze vrijgevigheid vast ook te danken is aan de relatief geringe tegenwaarde, berust dit tevens op een solidair basisprincipe: indien je zelf eens in nicotinenood zou komen te zitten, hoop je ook hulp te krijgen. De etnoloog David Graeber ziet in het schenken van sigaretten daarom een uitdrukking van ‘elementair communisme’, een vorm van alledaagse solidariteit dus, die de basis van het menselijke samenleven uitmaakt. ‘Het is makkelijker’, schrijft Graeber in zijn in 2012 verschenen bestseller Schulden ‘om een vreemdeling een sigaret te vragen dan een gelijkwaardige som geld of voedsel. Het is echt heel moeilijk om het verzoek om een sigaret te weigeren als je zelf als roker herkend wordt.’
 

Geconcentreerde introspectie

Toch is het roken in goede tijden niet een soort sigarettencommunisme, maar vormt het – en zo komen we bij de tweede filosofische oefening – ook een alternatieve tijdseenheid, die in het Duits ‘Zigarettenlänge’ wordt genoemd. Hierin kun je tijdens de ochtendwandeling naar het werk nog van een paar trekken vertraging genieten, kun je het gonzende kantoorlawaai eventjes ontvluchten of kan je de dag ritueel afsluiten, met het spreekwoordelijke ‘laatste sigaretje’. Reinhard Mey vereeuwigde dit in het refrein van zijn nummer Gute Nacht, Freunde dat in Nederland de tune is van het radio­programma Met het oog op morgen. In letterlijke vertaling luidt het: ‘Goede nacht, vrienden / Het is tijd voor mij te gaan / Wat ik nog te zeggen heb / duurt nog één sigaret / en een laatste glas, al staand.’ Er nog eentje roken betekent: een geliefkoosd ritueel uitvoeren of een vijf minuten durende instant-vakantie opnemen, die het ritme van de prikklok onderbreekt.

Waar veel werkgevers rookpauzes als een valstrik voor extra kosten of als een boosdoener voor de productiviteit beschouwen, tonen recente studies het tegendeel aan: rokers zouden meestal productiever zijn. Niet vanwege de toegediende nicotinedosis, maar omdat ze vaker dan andere collega’s korte verkwikkende pauzes houden. Om die reden breken economen zich er vandaag de dag het hoofd over hoe ze personeel kunnen verleiden tot nicotinevrije equivalenten van de rokerspauze. Alleen is dat niet zo eenvoudig. Voorlopig mogen slechts een paar enkelingen met hun collega’s op het terras zitten om samen een kauwgompje te kauwen of om van een pakje snoepwortels te genieten.

De sigaret kan de tijd niet alleen op een alternatieve manier synchroniseren, ze kan haar ook voor een ogenblik volledig stil laten staan. Zoals Jean-Paul Sartre opmerkte, is de sigaret namelijk ook een middel om je de wereld eigen te maken. ‘Welke gebeurtenis zich ook voor mijn ogen zou afspelen’, schrijft de Franse denker in zijn hoofdwerk Het zijn en het niet, ‘ze leek me fundamenteel verarmd zodra ik haar niet meer rokend tegemoet kon treden. Als-door-mijn-rokende-ik-aangetroffen-kunnen-worden: dat was de concrete hoedanigheid die zich alom over de dingen had uitgestrekt.’ Elke persoon die zelf ook heeft gerookt, weet maar al te goed dat beelden, muziek of gevoelens tijdens het contemplatieve roken – wat misschien wel de meest geconcentreerde vorm van introspectie is – sterker op het netvlies gebrand staan dan met toevoer van frisse buitenlucht. Sartre: ‘Via de tabak die ik rookte, was het de wereld die brandde, in rook opging, als damp in mij werd opgezogen.’ Tegen deze achtergrond wordt ten slotte ook duidelijk waarin de magie van de sigaret ligt. Ze laat de extase niet eenvoudigweg vervliegen, maar ze eigent haar in kleine rookwolkjes toe, om haar dan lichamelijk op te slaan.
 

Het ‘smerige heilige’

Tot slot komen we bij de derde oefening: het roken brengt ons ook een competentie, die de islamwetenschapper Thomas Bauer in zijn recent verschenen boek De vereenduidiging van de wereld ‘ambiguïteitstolerantie’ noemt. Daarmee beschrijft hij de capaciteit om culturele vormen van vaagheid en ‘on-eenduidigheid’ te behouden en zodoende de waarheid recht te doen doordat symbolen en omstandigheden meerdere interpretaties kunnen krijgen. Bauer diagnosticeert een in het oog springend verlies aan bekwaamheid om met meerduidigheid om te gaan doordat hokjes­denken, politiek fanatisme en culturele homogenisering een stijgende drang naar eenduidigheid tot stand hebben gebracht.

Hoewel Bauer in zijn boek eerder het hoofddoekendebat of de drang tot politiek kleur bekennen op het oog had, kan de cultuurgeschiedenis van tabak ook makkelijk als lange oefening in ambiguïteitstolerantie begrepen worden. Vanaf het westerse beginpunt in de zestiende eeuw tot op de dag van vandaag belichaamt het roken een these en antithese tegelijk, is het beeld van de sigaret er een tussen hemel en hel. Sinds het Europa bereikte, gaat tabak door voor iets uiterst duivels, en niet alleen omdat tabak van de heidense oerbewoners van Amerika stamde, maar ook omdat de rook die uit mond en neus kwam aan de schoorstenen van de hel deed denken. Toen Rodrigo de Jerez – die als zeevaarder met Columbus in 1492 naar de Nieuwe Wereld reisde en doorgaans als eerste Europese roker gezien wordt – na zijn terugkeer met een pijp in de mond door zijn Andalusische thuisstad wandelde, werd hem een duivelse bezetenheid toegeschreven. Het kettergerecht veroordeelde hem vervolgens tot zeven jaar in de kerker. Deze connotatie met de duivel kon het roken nooit meer volledig van zich afschudden. Tot vandaag wordt het als luchtvervuiling gezien, als vies en smerig, en moet roken het in films ontgelden als herkenningsaccessoire voor boosdoeners.

In tegenstelling tot deze duivelse lectuur fungeerde roken tegelijk ook als iets goddelijks, wat in geen geval enkel en alleen aan de belichaming van de Blauwe Engel door Marlene Dietrich ligt, een van de grootste rookiconen van de twintigste eeuw. De sigaret diende namelijk – dat moeten zelfs de meest militante anti-rokers toegeven – cultuurhistorisch gezien als versterker van schoonheid. Bij Humphrey Bogart en Lauren Bacall, James Dean en Steve McQueen en bij Claudia Cardinale: hier gold de sigaret niet als stinkend verslavingsmiddel, maar als esthetische ‘add-on’, die erotiek en elegantie, ongeneerdheid en nonchalantie uitstraalde. Het is het roken zelf dat een ambiguïteit bezit – en wel een die, wanneer goed uitgevoerd, aura verleent. De rook van een sigaret is de pest – en tegelijk de mooiste metafysica. Om het met een uitdrukking van de Oostenrijkse filosoof Robert Pfaller te beschrijven: roken is een ‘smerige heilige’. Op goede momenten kan men zich dankzij een sigaret als een jonge god voelen, op slechte momenten daarentegen als een ochtend na een rokerige nacht, als een oude grijsaard. De sigaret kan voor zelfbewust genot, maar ook voor nihilistische zelfvernietiging staan; een gezellige sfeer creëren, maar ook een olfactorische aanslag op het milieu zijn. Roken betekent dus altijd ook erkennen dat het mooie en het lelijke, het genotvolle en het smartelijke dicht bij elkaar liggen, ja strikt genomen zelfs één en hetzelfde ding zijn.

Toch helpt dat alles niet. De tijd van het saffie loopt af. Laten we haar ambigue herinnering behouden. Het roken was niet alleen een giftige inhalering, maar ook een diep-filosofische inademing. Laten we daarop een allerlaatst sigaretje roken.

Dit artikel verscheen eerder in het Duitstalige Philosophie Magazin en in Die Zeit.