Home De gelukkige machine

De gelukkige machine

Door Marco Kamphuis op 21 juni 2016

07-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

De mens is een machine, vond Lamettrie. Maar dat hoeft geluk niet in de weg te staan. ‘Giet je wijn in de machine, dan produceert hij vrolijke gevoelens.’

In 1744 kreeg een Franse legerarts een koortsaanval met verstrekkende filosofische gevolgen. Julien Offray de Lamettrie besefte in een lucide ogenblik, terwijl de belegering van Freiburg in volle gang was, dat het psychische fenomeen van zijn ijldromen veroorzaakt werd door het fysieke verschijnsel van zijn koortsaanval. Hij werd materialist. De geest was een uitvloeisel van het lichaam. Spinoza had gelijk, niet Descartes. En de immateriële, onsterfelijke ziel – daar kon een streep doorheen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het resultaat van zijn openbaring, Histoire naturelle de l’âme, belandde in Parijs op de brandstapel en de auteur vluchtte naar Leiden. Hier publiceerde hij in 1747 zijn roemruchte werk L’homme machine, waarin hij nog een stap verder ging. De mens is een machine, stelde hij onomwonden. Zijn geestelijk leven is een functie van zijn zenuwen. Giet je wijn in de machine, dan produceert hij vrolijke gevoelens. Met vrije wil heeft dat niets te maken. Wij zijn volledig gedetermineerd door de mechanica van onze individuele machine, die we niet zelf gebouwd hebben.

Provocatie

Zelfs in het relatief tolerante Holland was De mens een machine, vooral door de atheïstische implicaties, een wat al te grove provocatie. Ditmaal zocht de auteur zijn heil bij Frederik de Grote, die zich op zijn reputatie van filosoof-koning liet voorstaan. Aan het Pruisische hof schreef hij Discours sur le bonheur (1748), waarin hij zijn natuurfilosofie uitwerkte tot een levensfilosofie. De biologische machine is zo ingesteld dat hij zoekt naar genot en wegvlucht voor pijn, schrijft Lamettrie, en het is dus zaak het genot te maximaliseren en de pijn te minimaliseren. Dit is het klassieke standpunt van Epicurus en zijn volgelingen, waar stoïcijnen als Seneca tegenin brachten dat het beter is je hartstochten te beheersen opdat je niet heen en weer wordt geslingerd tussen pijn en genot.

In Het geluk richt Lamettrie zijn pijlen op deze door Seneca gepropageerde afwezigheid van angst en verlangens. Dit ‘negatieve geluk’ is volgens hem een ontkenning van de menselijke natuur. De stoïcijnen menen dat ‘ze pas werkelijk mens zijn als ze ophouden mens te zijn’. Lamettrie wil zijn gevoelens niet beteugelen – hij wil gewoon aangename gevoelens.We moeten woorden als ‘lust’ en ‘genot’ hier overigens in brede zin opvatten. ‘Plezier’, ‘vreugde’, ‘welbehagen’, tevredenheid’ komen ook in aanmerking. Het is altijd dezelfde gewaarwording, een aangename prikkeling van onze zenuwen – zegt de arts Lamettrie –, die uitsluitend verschilt in duur en intensiteit. Gaat het om een duurzaam gevoel, dan noemen we het ‘geluk’.

De beste garantie voor geluk is aanleg voor geluk. Wie toevallig geboren is met een ‘goede organische structuur’ is vrolijk bij voorspoed en niet van zijn stuk te brengen bij tegenspoed. ‘Gelukkig de mens die zijn geluk in zijn aderen draagt!’ Verstand is daarbij niet nodig, zoals bewezen wordt door gelukkige onnozelen en ongelukkige intellectuelen. Nadenken versterkt het gevoel, zowel ten goede als ten kwade. Als ons geluk op illusies berust, dan is dat dwaalspoor welkom. ‘Wie het geluk heeft gevonden, heeft alles gevonden.’
 

Studeerkamergeluk

Maar waarom dan filosofie bedrijven? Vanwege het studeerkamergeluk, kortstondig als het is, en vanwege de roem. Niet de postume roem uiteraard, die is niets waard, maar een zekere faam als schrijver en filosoof versterkt de eigenliefde van een ‘eergevoelige ziel’. Roem is net als rijkdom aangenaam, maar niet in die mate dat je er al te veel voor moet opofferen.

Wat de zinnelijke genoegens betreft: ‘Laten we de natuur geven wat haar toekomt’. Al duren ze altijd te kort, het zijn toch ‘flitsen van geluk’. Van overprikkeling en uitputting wordt een mens niet gelukkig, van onthouding evenmin; we moeten ons laten leiden door de natuurlijke behoeften van ons individuele temperament, en genieten zonder schuldgevoel.

Daarmee komen we op het meest controversiële standpunt van Lamettrie, zijn oproep ons van schuldgevoelens te bevrijden. Goed en kwaad zijn relatief: zo mogen we bijvoorbeeld niet doden, maar voor een soldaat of een beul is het een plicht. De moraal, die in wezen politiek van aard is, wordt ons door onze opvoeding diep ingeprent… om het vervolgens toch af te leggen tegen onze hartstochten. Het gevolg is dat ‘beminnelijke mensen’ geplaagd worden door schuldgevoel nadat ze zich hebben overgegeven aan ‘de meest brave vormen van lust’ – terwijl er geen misdaad minder om gepleegd wordt.

We worden namelijk niet van misdaad weerhouden door schuldgevoelens, maar door vrees voor straf. Wetten en straffen zijn daarom noodzakelijk, schuldgevoelens nutteloos. Filosofisch gezien is een misdadiger niet schuldig want hij handelt onvrij (zoals ‘de wijzer van een horloge slaaf is van het uurwerk dat hem beweegt’), maar in het publiek belang moet hij worden terechtgesteld. Lamettrie citeert Hobbes: het is eerder verstandig dan rechtvaardig misdadigers te doden.

Deze aanval op de moraal ging te ver, niet alleen voor Frederik de Grote, die het boek verbood, maar zelfs voor radicale verlichtingsdenkers als Holbach en Diderot, die als materialisten toch veel gemeen hadden met Lamettrie. Toen de arts in 1751 na een copieuze maaltijd overleed, slechts 41 jaar oud, spotten zijn talrijke vijanden dat zijn hedonisme hem fataal was geworden.