Home Aandacht ‘Dat stemmetje ben ik niet’
Aandacht

‘Dat stemmetje ben ik niet’

Door Carolien van Welij op 26 november 2020

‘Dat stemmetje ben ik niet’
Cover van 12-2020
12-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Henk van Straten (40) is schrijver. In december verschijnt zijn nieuwe roman Ernest Hemingway is gecanceld.

Een kussentje pakken, voor de muur leggen, en gaan zitten.

En dan alleen maar opletten, zo was de instructie. Zo gênant, ook al was ik alleen thuis. Maar langzaam gebeurde er iets: ik ging een stemmetje in mij horen. Wat zit je nou te doen? Ik ga opstaan. Dit slaat nergens op. En ineens dacht ik: wie zegt dit allemaal?

Toen kwam ik erachter dat ik dat stemmetje niet ben. Dat was heftig. Ik wás altijd die stem, een soort piloot die in je zit en alles meemaakt. Nu merkte ik dat die gedachten als het ware los van mij bestonden. En daaronder was een vreemde stilte, een ruimte, die misschien wel meer als ik voelde dan dat stemmetje.

Buddhism without Beliefs van Stephen Batchelor was een van de eerste boeken die ik las over boeddhisme, dat was zo’n tien jaar geleden. Die titel sprak mij aan: ik hoefde niet te geloven. Daar las ik over de basisprincipes van het boeddhisme: over dukkha – het lijden, en over anatta – het idee dat er geen inherent zelf is, geen onveranderlijk en vastomlijnd “ik”. Ik las iets waarvan ik dacht: dit heb ik altijd gevoeld.

Door het mediteren ging ik ervaren dat je onderdeel bent van iets groters, waardoor ik anders ging leven. Ik kon bijvoorbeeld niet meer langs straatvuil lopen zonder het op te rapen. Als ik weer dat stemmetje hoorde – Ik hoef dit niet op te rapen – wist ik: dit ben ik niet, dit is niet meer dan een gedachte waarvan ik kan zeggen dat die onzinnig is.

De routine van het mediteren is verslapt. Ik mis het, ik zit meer gevangen in de haast en de afleiding. Dat stoort me. Uiteindelijk zal dat er wel toe leiden dat ik weer op dat kussentje ga. Gaan zitten en twintig minuten later weer opstaan. Meer hoef je niet te doen.’

Beeld Maarten Noordijk